Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoogstens - (bijwoord: op zijn hoogst, meest)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hoog bn. ‘zich opwaarts verheffende’
Onl. in verbogen vormen hō-, zoals in fan hōon himili ‘van de hoge hemel’, te gode hōista ‘tot God de allerhoogste’ [10e eeuw; W.Ps.], hoogh, hough ‘hoog’ [ca. 1100; Will.], ook in de plaatsnaam Hoghemade ‘(voormalig) Hogemaad bij Velsen (Noord-Holland)’ [1130-61, kopie ca. 1420; Künzel]; mnl. hooch in diverse betekenissen, met als oudste vindplaats sondachs ende hoges mesdages ‘op zon- en hoogmisdagen (kerkelijke feestdagen)’ [1236; CG I, 28].
Os. hōh (mnd. hō(ch)); ohd. hōh (nhd. hoch); ofri. hāg (nfri. heech); oe. hēah (ne. high); on. hár, hór (nijsl. hár), ozw. högher (nzw. hög); got. hauhs; < pgm. *hauha-, met grammatische wisseling *hauga-.
In de eerste plaats te verbinden met Tochaars B kauc en Tochaars A koc ‘hoog, omhoog’, waarbij men dan een wortel pie. *kou- of *ḱou- kan reconstrueren. De traditionele etymologieën, die het Germaanse woord relateren aan de Balto-Slavische taalgroep: Litouws kaūkas ‘buil’, kaūkaras ‘heuvel’; Russisch kúča ‘hoop’; zijn hiermee misschien niet strijdig. Dit *kou- (IEW 589) zou verder kunnen behoren bij de wortel *keu- ‘buigen’.
Pgm. *-h in de auslaut bleef in het Nederlands bewaard, vandaar de nominatief hooch en het huidige hoog. In de verbogen vormen verdween de intervocalische -h-, wat de vormen met onl. hō- verklaart (vergelijk Hoogduits hoch, hohe). Al in het vroegste Middelnederlands is door analogisch herstel de auslaut van hooch (= *hōh) ook in de verbogen vormen doorgedrongen. Toch vindt men ook de omgekeerde analogiewerking, dus een nominatief ho, bijv. nog bij Kiliaan (1599), die het verouderd noemt. Een relictvorm lijkt verder het eerste lid in → hovaardig, maar wrsch. is in dat woord assimilatie van de -ch- en -v- opgetreden.
hoog- voorv. ‘de/het hoogste, zeer hoge’. Alleen in leenvertalingen uit het Duits. Zo bijv.hoogmoed ‘trots’ uit Middelhoogduits hochmuot; nnl. Hoogliet [1740; WNT uitbeelding] uit Hohelied (bij Luther nog das hohe lied Salomo, vnnl. dat hooghe liedt Salomo [1542; WNT]); nnl. hoogoven [1823; WNT] uit Hochofen; nnl. hoogspanning [1907; WNT vereffenen] uit Hochspannung; nnl. hoogseizoen [1946; WNT hoog-] uit Hochsaizon. ♦ hoogstens bw. ‘op zijn meest, ten hoogste, maximaal’. Nnl. hoogstens [1802; WNT hoogst]. Ontleend aan Duits höchstens. Inheems is ten hoogste.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

huugstens (bijw.) hoogstens; Nuinederlands hoogstens <1802> < Duits höchstens.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hoogstens (Duits höchstens)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hoogstens ‘bijwoord: op zijn hoogst, meest’ -> Fries heechstens ‘bijwoord: op zijn hoogst, meest’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

binnenlands, buitenlands [van/uit binnen het land, van/uit buiten het land] (1806). In 1806 kreeg het Koninkrijk Holland ministeries van binnenlandse en buitenlandse zaken, waarmee de woorden binnenlands en buitenlands een officiële plaats in het Nederlands kregen. De bekende neerlandicus Jan te Winkel leverde in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898 een bijdrage over germanismen in het Nederlands, waarin hij beschrijft hoe de woorden binnenlands en buitenlands in 1806 hun intrede in het Nederlands deden: “Menigeen zal zich nog kunnen herinneren, dat [Matthias] De Vries [hoofdredacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal] levenslang woorden als minstens, hoogstens, enz. als Duitsche namaak heeft zoeken te weren, en dat hij evenmin vrede had met het gebruik van woorden als het binnenland, het buitenland ter vertaling van “In- und Ausland”, dat sedert 1806, toen wij ministeriën van binnen- en buitenlandsche zaken kregen, niet kon uitblijven, al konden − naar zijne, ook niet ongegronde, meening − die woorden niets anders beteekenen, dan “het binnenste en het buitenste gedeelte van het land”. Maar al bezat men ook “binnenslands” en “buitenslands”, men kon het zonder zelfstandige naamwoorden niet meer stellen, en evenmin zonder een woord als buitenlander. Ieder zegt en schrijft ze nu zonder eenigen schroom.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hoogstens bijwoord: op zijn hoogst, meest 1802 [WNT hoogst] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut