Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoofd - (bovenste lichaamsdeel van de mens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hoofd zn. ‘bovenste lichaamsdeel van de mens’
Onl. houit, houuot ‘hoofd’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. meestal hovet, door syncope en assimilatie ook wel hooft [1285; CG II, Rijmb.]. In het vnnl. is hooft (hoofd) de algemene vorm.
Bij onl. hōvit horen: os. hōƀid (mnd. hōvet); ohd. haubit (nhd. Haupt); ofri. hāved (nfri. haed); got. haubiþ; < pgm. *haub-id- ; daarnaast oe. heafod; on. haufuþ; < pgm. *haub-ud-; en oe. hafud; on. höfuþ (nzw. huvud); < pgm. *hab-ud-.
Verwant is alleen Latijn caput (genitief capitis) ‘hoofd’, zoals bijv. in → kaap. Alle pogingen hieraan een Indo-Europese etymologie te geven, zijn ongeloofwaardig. De stamstructuur (a-vocalisme, a/au-variatie, achtervoegsel -it- naast -ut-, dat in het Proto-Indo-Europees niet voorkomt, en oorspr. ka- in de anlaut), de beperkte geografische spreiding en het betekenisveld ‘lichaamsdeel’ lijken te wijzen op ontlening uit een voor-Indo-Europese substraattaal. Een Indo-Europees woord voor ‘hoofd’ komt wel voor in → hersenen.
Voor de meeste overdrachtelijke betekenissen van dit woord geldt dat zij al in het 13e-eeuwse Middelnederlands in gebruik waren. Niet meer gangbaar is de Middelnederlandse en Vroegnieuwnederlandse toepassing op dieren, waarvoor men → kop 2 ging gebruiken, behalve soms bij paarden.
Lit.: Beekes 1996, par. 2 ‘Lat. caput etc.’; Schrijver 1997, 293-296

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hoofd* [kop, leider] {oudnederlands hôuiet (mv.) 901-1000, middelnederlands hovet, hooft [kop, opperhoofd]} oudsaksisch hoƀid, oudhoogduits houbit, oudfries haved, oudengels heafod, oudnoors haufuð, gotisch haubiþ; buiten het germ. latijn caput [hoofd]. Dubieus is de connectie met oudindisch kapāla- [schedel] (> maleis kepala [hoofd]). De uitdrukking boven het hoofd hangen heeft niets te maken met het zwaard van Damocles, maar met een dreigende onweersbui. In de uitdrukking het hoofd in de schoot leggen is de 3e nv. van ‘iemand’ ervoor weggevallen; het hoofd loopt me om betekent ‘mijn hoofd tolt’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoofd znw. o., mnl. hôvet, hooft, hoot, onfrank. hōvid, os. hōƀid, ohd. houbit, ofri. hāved, hāfd (owfri. ook hād), oe. hēafoð (ne. head), on. haufið (9de eeuw bij Bragi), got. haubiþ. — Daarnaast staat on. hǫfuð, oe. hafud en hafola, die rechtstreeks zijn te vergelijken met lat. caput ‘hoofd’, oi. kapálam ‘schaal, hersenpan’, kapolas ‘wang’.

Moeilijkheden leveren de andere vormen met de vocaal au. Men heeft gedacht aan contaminatie met een woord, dat tot de idg. wt. *keup of *keubh behoort (zoals huif), maar daar het germ. geen hiertoe behorende woorden met au bezit is dit onaannemelijk. — Marstrander NVA 1925 Nr. 1, 34 wil uitgaan van een vorm *haƀuða- en denkt dan dat door secundaire ontwikkeling daaruit haufuð zou zijn ontstaan (vgl. on. haukr < haƀuka); maar dit zou dan toch alleen het ngerm. woord verklaren. Anderen beschouwen echter juist *hauƀuð als het oorspr. woord en laten door dissimilatie daaruit *haƀuð ontstaan (H. Pipping, Inl. 106 en I. Lindquist, Fschr. Pipping 347-355). — Of mag men aannemen, dat on. hǫfuð evenals lat. caput oorspr. ‘schaal, pot’ betekende en dan later de schedel ging aanduiden (vgl. lat. testa > fra. tête en nnl. kop ‘drinknap’ > ‘hersenpan’)? Dan behoort dit verder tot de groep van haaf (IEW 529-530).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoofd znw. o., mnl. hôvet, hooft(d), ook, zooals nog dial., hoot(d) o. = onfr. hôvid, ohd. houbit (nhd. haupt), os. hôƀid, ofri. hâved, hâfd (owfri. ook hâd), ags. hêafod (eng. head), on. haufuð, got. haubiþ o. “hoofd”. In het On. is hǫfuð o. met germ. a de gewonere vorm; deze = lat. caput “hoofd”, oi. kaput- in kapucchala- “haar aan ’t achterhoofd”. Verwant zijn nog ags. hafola m. “hoofd”, oi. kapâla- “schedel, schaal” (misschien ook lat. capillus “haar”). Wellicht is deze basis qap- identisch met qap- “(be)vatten” (zie heffen). De au van germ. *χauƀiða-, -uða- is wsch. aan den invloed van een beteekenisverwant woord met au toe te schrijven; welk woord echter, dat is onzeker; men denkt wel aan een verwant van hoop I of huif.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hoofd. Ook on. hǫfuð o. heeft wsch. germ. au. — Met ags. hafola vgl. ofri. heila m. ‘hoofd’ (*haƀilan-)? Dit verdient eerder overweging dan de identificatie (door W.de Vries Tschr. 34, 21) van het ags. woord met ofri. holla m. ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hoofd o., Mnl. hovet, Onfra. hôvid, Os. hôƀid + Ohd. houbit (Mhd. houbet, Nhd. haupt), Ags. héafod (Eng. head), Ofri. háved, On. haufuđ, hǫfud (Zw. hufvud, De. hoved), Go. haubiþ + Skr. kapālam = schedel, kapucchalam = haar aan het achterhoofd, Lat. caput = hoofd, capillus = hoofdhaar, misschien ook capedo = schaal, en dan verder de wortel van heffen. Al de Germ. w., behalve On. hǫfuđ, hebben au i.p.v. a, waarvoor z. boon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

huid verouderd, (zn.) hoofd, kop; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) huijt, Aajdnederlands hud <1100>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

hood, hoed, heud, huud, hud, huid, hied, zn.: hoofd. Mnl. hoot, hood door v-syncope uit Mnl. hovet ‘hoofd’.

huid, zn.: hoofd; kool. De betekenis ‘kool’ voor ‘hoofd’ kan worden vergeleken met D. Kohlkopf, zoals ook Kopf Salat ‘krop sla’. Zie ook hood.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

hoeft, zn.: homp brood. Bargoens hoef, hoeft(e) ‘brood, stuk brood’, blanke hoeft ‘wittebrood’ (Moormann). Wellicht uit hoofd.

hood, hued, oot, zn.: hoofd. Mnl. hood, hoot, huet door v-syncope uit Mnl. hovet > Ndl. hoofd. Vgl. E. head, Ofri. haud. Samenst. (h)ootakker, (h)ootend ‘hoofdeind’, (h)ootriem, (h)ootschee ‘hoofdschede aan ploeg’, (h)ootzeel ‘koptouw’. Uitdr. oot over kloot ‘hals over kop’ (Stroop 1980).

hoot, heut, zn.: hoofd. Door v-syncope uit Mnl. hovet.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

hood zn. o.: hoofd. Door v-syncope uit Mnl. hovet ‘hoofd’.

ootje zn. o.: houten bruggetje. Dim. van oot, door v-syncope uit Mnl. hovet ‘hoofd’, dat ook ‘dam, steigerwerk, aanlegplaats, landhoofd, uitbouwsel tot steunpunt van een uiteinde van een brug’, vandaar wellicht ook ‘brug’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

hoofd: een groot hoofd, gezegd over iemand die het bloed naar zijn hoofd heeft voelen stijgen, een kleur heeft gekregen, als gevolg van opwinding in verband met trots, verlegenheid of andere gevoelens. Wat zeg ik dan? En?! Ik geloof, me hoofd is groot aan ’t worden, zo groot als keisteen die geen niemand op gaat* kunnen tillen! Ik verwonder met me groeiende verstand, hoe ze gaan dinges* doen, wanneer... wanneer... (Cairo 1980c: 558); spreker is een stervende man, die allerlei inzichten krijgt. Ik mocht vandaag voorzitten op een vergadering van het schoolparlement. Ik stond op van mijn stoel - een groot hoofd en grote plannen (Rahman 33). Op dat geluid kondigt een uil zich aan met die stem die, volgens een Indiaanse mythe iemands dood aankondigt. S. voelt haar hoofd groter worden. Niet bang zijn, denkt ze. Ze bedoelen de dood van vleermuizen. Ze versnelt haar pas (Vianen 1969: 39); het is een stukje uit een droom. - Etym.: Vert. uit S en E. Vgl. je moet een nieuwe hoed* kopen, wat op hetzelfde verschijnsel betrekking heeft.
— : op iemands hoofd staan (stond, heeft gestaan), iemand in de weg zitten, iemand tot last zijn. Ze hebben niets te maken* dat men weet dat ze commerciële sex bedrijven, vooral met Guyanezen*. Ik vroeg een van ze eens: Wat zocht je gisteravond in de Watermolenstraat? Haar keiharde antwoord: Stond ik op je hoofd? (BN 115: 36; 1979). - Etym.: Vgl. S ’ai sidon tap’ mi ede’ = hij zit op mijn hoofd (met dezelfde bet.).

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

-hoofd Zeldzaam voorkomend element in N vogelnamen; meestal wordt het woord kop ↑ gebruikt. In de naam van de niet in de Lage Landen (maar o.a. in Turkije) voorkomende Roodvoorhoofdkanarie ↑ staat het dan toch.
ETYMOLOGIE N hoofd hooft, hovet (1236) hoƀid [VT]; zie verder gotisch haubiþ bij Klankwet nr.21 in Verantwoording: Klankwetten.
Als gotisch haubiþ verwant is met Lat caput, dan is de au onverklaard. [VT]

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hoofd. Reeds in het Vroegmiddelnederlands zwoer men bi dijns selfs hoefde ‘bij je eigen hoofd’. In de oorspronkelijke eedformule bij Gods hoofd worden God en diens hoofd tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van de formule maakt haar tot een vloek, die alleen aangetroffen is in de verbasteringen bij gans hoy en bij gans hoofd. → long.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hoofd ‘kop; voorste deel; golfbreker; leider; kort verbindingsbalkje tussen twee schuinopgaande balken’ -> Fries hoofd ‘kort verbindingsbalkje tussen twee schuinopgaande balken’; Engels † hofte ‘kop’; Duits Hoofden ‘(geografisch) oostelijke helft van het kanaal tussen Dover en Calais’; Deens høfde ‘golfbreker’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect hodde ‘steile helling van het terrein, uitzicht belemmerend en veroorzaakt door cultivering’; Indonesisch † hoop, hop ‘hoofdopzichter in suikerrietveld; leider’; Ambons-Maleis hof ‘kop’; Jakartaans-Maleis hop ‘belangrijkste hiërarchische orgaan’; Javaans hup ‘hoofd- (in titels)’; Negerhollands hoofd ‘kop’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hoofd* kop 0901-1000 [WPs]

hoofd* leider 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

795. Iemand de hand boven het hoofd houden,

d.w.z. iemand beschermen, met de hand boven zijn hoofd, als 't ware om de slagen af te weren, die daarop zouden neerkomen. Vgl. Pers, 672 b; Sewel, 313: De hand boven 't hoofd houden, to protect, countenance, patronize; en Ndl. Wdb. V, 1767. In het Friesch: immen de hân boppe de holle hâlde.

1463. De man is het hoofd.

Deze woorden zijn ontleend aan Ephesen V, 23, waar de apostel Paulus zegt: de man is het hoofd des wijfs. Bekend is het, dat ook gehoord wordt: de man is het hoofd, maar de vrouw is de nek (die het hoofd doet draaien); zie allerlei varianten bij Wander III, 375.

1702. Iemand de ooren van 't hoofd eten,

d.w.z. bijzonder veel eten. Vgl. Brederoo I, 392: Heer, seyse Leckerbeetje, gy souwt een mensch de ooren wel van 't hooft eten. Kynt seyse, koken kost; Tuinman I, 324: Gy zoud my de ooren wel van 't hoofd eten; Harreb. I, 328; III, 232: De jongens eten mij de ooren en neus van den kop; fri. hja frette him de earen fen 'e kop, de klaploopers, zijn groot aantal kinderen.... houden hem arm; Afrik. iemand se ore van sy kop afeet; Ndl. Wdb. XI, 38.

270. Een hoofd (een kop of een kleur) als een boei.

Onder een boei verstaat men een voorwerp dat, op het water drijvende en met een touw aan het in den grond liggende anker vastgemaakt, de plaats aanwijst waar dit ligt; soms een eenvoudig blok hout of een stuk kurk, soms in den vorm van een dubbelen afgeknotten kegel als een vat uit houten duigen samengekuipt (tonnenboei) of van plaatijzer vervaardigd (ijzeren boei). Daar de boeien langs de eene zijde van het vaarwater rood geverfd zijn, verstaat men derhalve onder bovenstaande uitdrukking een hoogroode kleur hebben. Zie Winschooten, 29: Hij heeft een kop als een boei, dat is, hij heeft een steeg groot hoofd; Com. Vet. 55: Hoofden als boeyen en hersenen als van een Garn-ael (ook in Bank. I, 126); en verder voor de hedendaagsche beteekenis het Ndl. Wdb. III, 84-85; Noord en Zuid VIII, 358; Harrebomée I, 66; Nest. 57: Ze was geheel confuus en had een kop als een boei. In het Stad-Friesch zegt men een hoofd (of kop) als een boeier; in het Friesch: in kop as in boei; in Groningen: 'n kop hebben as 'n slai (houten hamer; Molema, 380 a); bl. 527: 'n kop as 'n poaskeai (zie ook V. Moerk. 438)Hy siet als een Paes-ey, soo staet hy verpleckt (van een dronken boer gezegd).; een kop als een brul hebben (Goeree en Overflakkee2); bij Opprel, 50 a: zoo rood as en brul (stier?)N. Taalgids XIV, 254; Antw. Idiot. 307: Brul, eene koe, waar men geen kalf in krijgen kan, onvruchtbare koe.; vgl. Maastricht: een kop wie ene piepert, pijper, blazerN. Taalgids XIV, 296.; elders een kop als een bolle, en kop as en tuerhamer (Dr. Bl. 3, 45), en schatvat (Bergsma, 21); te Dieren: as 'n tuunhamer (een slei); N.-Brab.: een kop alsof hij de hel geblazen heeft. Vgl. ook zoo rood als een kreeft, een kroot, een koraal, een kers, een kalkoen, een kalkoensche haan, als bloed.N. Taalgids III, 5.

317. Een bord voor het hoofd hebben,

d.w.z. onbeschaamd zijn, eene in het begin der 17de eeuw voorkomende uitdrukking blijkens Van Eck, 58: Sy hebben een bordt voor 't aengesicht (± 1603); Winschooten, 34: ‘Hij heeft een bord voor sijn kop, hij is seer onbeschaamd, en stout om iets te verzoeken’; Sewel, 134; Hij heeft een bord voor 't hoofd, he has a brazen face; Halma, 507: Hij heeft eene plank voor zijn voorhoofd, hij is heel onbeschaamd; Harreb. II, 187: Hij heeft eene plank voor zijn voorhoofd; Nest 107: Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd; nu draag ik een bord voor mijn hoofd; De Arbeid, 26 Nov. 1913 p. 3 k. 2: Het is toch een brutale moed om te ageeren tegen een stelsel, dat men zelf huldigt. De volksmond zou zeggen: hij heeft een bord voor z'n kop; 23 Oct. 1915 p. 3 k. 3: Dan komt Stenhuis vertellen dat wij met een bord voor den kop loopen, omdat wij onze bewering niet willen intrekken. De uitdr. kan eigenlijk gezegd zijn van een stier, wien men een houten bordje voor den kop hangt, opdat hij niet voor zich uit kan zien, en zoodoende geen kwaad kan stichten; vgl. het gron. 'n bolbret veur de kop hebben, in de hoogste mate onbeschaamd zijn, of ook 'n bret veur de kop hebben (Molema, 48 b; 507 bZie Fri. Wdb. I, 215: bolleboerd, n. vierkant plankje, dat men een kwaden stier voor den kop bindt, opdat hij niemand kan zien.; in Twente: 'n bröd veur 'n kop hebben. Vgl. Dirksen I, 17: 'n bret för de kop ('n bulbret för de kop hebben) = gîn schâm hebben; fri. in board foar 'e kop habbe; hd. er hat ein Brett vorm Kopf, er ist dumm, einfältig; er hat Heu am Horne; fr. avoir du foin sur les cornes; lat. fenum habet in cornu, hoed u voor hem; eig. gezegd van een wilden stier, wien men hooi om zijne horens gewonden heeft. Eerder is te vergelijken een berderenBerderen = van planken gemaakt. Zie de uitdrukking in Ndl. Wdb. II, 1846. aanzicht hebben, een stijf, onvertrokken gezicht zetten, uit onbeschaamdheid; een stalen voorhoofd hebben en 't fri. in dûbeld fel foar de kop hawwe.

322. Wie boter op zijn hoofd heeft, moet uit de zon blijven,

d.w.z. die in een glazen huisje woont, moet met geen steenen gooien of geen steen op zijn buurmans dak werpen (Harreb. I, 105 a; Huygens VI, 91; Esopet, Ital. Waarzegger, 5), wie lijdt aan het een of ander gebrek, heeft geen recht het een ander te verwijten, moet er aan denken, dat wie kaatst den bal moet wachten. ‘Dus moet geen bakker worden, die een hoofd van boter heeft,’ zegt Tuinman I, 266. Ook Cats, 159 b waarschuwt:

 Wiens hoofd van boter is, die moet gedurig schromen;
 Die moet niet aen het vyer, of voor den oven komen.

Ook thans komt de uitdr. meermalen voor; zie Het Volk 19 Juli 1913, p. 9, kol. 3: Het spreekwoord zegt wie boter op het hoofd heeft, moet uit de zon blijven. Dus wilt gij anderen verwijten, doe het dan in de eerste plaats zelf niet; Ghetto2, 17: Hou jij je mond nou maar Coenie, want wie boter op zijn hoofd heeft, mot uit de zon blijve; Sjof. 273: Zie je wel, dat 'r geen een buiten kwam. Ze hadden boter op de kop (ze voelden zich schuldig), ze zorgden wel niet in de zon te loopen de vuile dievenbende; Haagsche Post, 2 Oct. 1920, p. 1 k. 2: In de tweede plaats viel deze keuze niet in den smaak, omdat de nieuwe premier wat men noemt boter op 't hoofd heeft en dus maar liever niet zoo in het zonnetje gezet moest worden. De heer Leygues heeft tijdens een van zijn ministerschappen een kleine onvoorzichtigheid begaan. Vandaar de boter. Vgl. nog Harreb. II, XXVII; De Telegraaf, 30 Jan. 1915 (avondbl.) p. 9 k. 2: Mr. Troelstra zal goed doen met deze spreekwoorden van buiten te leeren: Wie in een glazen huisje zit, moet niet met steenen gooien. Wie boter op z'n hoofd heeft, moet niet in de zon loopen; Het Volk, 21 Maart 1914, p. 13 k. 1: Wij hebben ‘Het Huisgezin’ er aan moeten herinneren, dat het inzake eerbied voor de wet als roomsch orgaan te veel boter op het hoofd had, om in de zon te komen staan. - ‘Wie boter op z'n hoofd heeft, moet niet in de zon loopen’, zegt een bekend Hollandsch spreekwoord..... En juist ten opzichte van het verplichte lidmaatschap hebben de heeren aardig wat boter op hun hoofd; 16 Juli 1914, p. 7 k. 1: Och arme, blijf toch uit de zon, als ge boter op uw hoofd hebt; 10 Nov. 1913, p. 3 k. 1; 14 Nov. 1913, p. 6 k. 3; 22 Oct. 1913 p. 6. k. 2: Moet dan de kommandant, die zooveel boter op het hoofd heeft, hier op hoogen toon spreken van chantage en meineed? De Blauwe Vaan, 19 Dec. 1914, p. 1 k. 4: Wie boter op zijn hoofd heeft, moet niet in de zon gaan staan; Groot-Nederland, Oct. 1914, p. 405: Wie boter op z'n hoofd heeft, mot niet in de zon loopen. In het nd. is de zegswijze ook bekend; zie Eckart, 69: Wecker (wer) Botter uppen Kopp hett möt nich in de Sunn goan; hd. Wer selbst in einem Glashaus wohnt, soll nach andern nicht mit Steinen werfen.

781. Hals over kop,

d.w.z. eigenlijk zeggen kopje buitelend, zóo dat de hals over het hoofd slaat, en daarna: op overhaaste wijze, ijlings; hd. über Hals und Kopf of Hals über Kopf; eng. heels over head; head over heels. Vroeger zeide men eers over bolle vallen, le cul pardessus teste (Goedthals, 134); over aars over bol, over hol over bol, hol over bol (vgl. hol bol over malkaar), over hoofd en hals, over hals over hoofd, over hals en kop, hoofd over hals; höl euver tröl (N. Taalg. XIV, 196); in het Zaansch thans: hoop over stoop, hoopstoops; V.d. Water, 89: huts over kop; in 't Oostvlaamsch hals over kop, over hals en kop (Joos, 57); in het Antw. hoofd over gat; in 't Westvlaamsch: eers over teers; hak over bak; hek over bek; kuul (fr. cul) over eersgat; eersgat over schijtgat (zie De Bo); heerd over steert (Waasch Idiot. 798); kop over gat (overhoop; Teirl. II, 173); hoop over soop; over hoop over soop; kul over eers; tuit over ende (Loquela 1884, 50); vgl. verder hals over nekke (Loquela 14, 4); hals over ooren (Gallée 16 a); kop over hals (in O.K. 166); in het Friesch: hol oer bol; hals oer de kop.

939. Boven het hoofd hangen,

d.w.z. te wachten staan, dreigen; eig. gezegd van een bui, van dreigend onweer, en niet ontleend aan het zwaard van Damocles. Vgl. Sart. III, 7, 8: Onrust ende onweer hanght ons over 't hooft; Pers, 534 b: 551 b: Hy verhaelde hem dat die van Brabant daerdoor hadden oorsaeke genomen, om sonder onderscheyt alle soldaten en vele Heeren op 't lyf te vallen, waer door hy een sware wolcke sagh over den hoofde hangen; Brederoo I, 347, 1271; De Brune, Bank. II, 363; Vondel, Lucifer, vs. 1419:

En waer men d'oogen keert, daer schynt een wis bederf,
En boven 't hooft een buy en donkre wolck te hangen.

Halma, 116: Daar hangt een donkere wolk over de stad, la ville est menaçée d'un grand malheur. In de 17de en 18de eeuw werd het ook in gunstigen zin gezegd, bijv. in Huygens, Voorhout, vs. 608, waar sprake is van eene erfenis; zoo ook bij Sewel, 315. In het Friesch kent men: der hinget ús hwet oer 'e holle, wij hebben iets van belang te verwachten. Vgl. Ndl. Wdb. VI, 942; XI, 1582; het eng. to impend, hang over.

940. Iemand over (of boven) het hoofd groeien,

d.w.z. langer worden dan hij; overdr. de baas worden; ook in kennis of wijsheid overtreffen; vgl. ontgroeien, ontwassen. Voor het overdr. gebruik van deze zegsw. in de 16de eeuw zie Sart. III, 6, 1: Een discipel wast sijn meester wel over 't hooft; IV, 12: Officere luminibus. Over 't hooft wassen, de eo, qui alterius gloriam obscurat. Zie verder Hooft, Ged. II, 365: Nu schijnt de minst des volx mij over 't hooft te wassen; Ned. Hist. 57: De welke zoo groot een aanzien en gezagh bejoegh, dat hy zynen stoelbroederen oover de kruin wies; Vondel, Salomon, vs. 1394; Lucifer, 465; De Brune, 471; Tuinman I, 90: Kinderen die boven 't hoofd zyn gewassen, zyn buiten bedwang. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 83; Waasch Idiot. 294 b: boven iemands hoofd gegroeid of gewassen zijn, iemands gezag niet meer erkennen; Teirl. II, 173: boven iemand zijne kop gegroeid zijn; Antw. Idiot. 2242: boven iemands kop gewassen zijn, diens gezag niet meer erkennen; hd. einem über den Kopf wachsen; fri. immen oer 'e holle (of boppe de holle) groeie.

941. Iemand (of iets) over het hoofd zien,

d.w.z. op iemand of iets geen acht slaan; eig. over iemand heen zien en hem daardoor niet opmerken; zie de kantteekening op Spreucken, 30, 34: Hooveerdige menschen, die veel gevoelen van haer selven, een yeder verachten ende over 't hooft sien willen. Vgl. gri. υπεροπτος, hoogmoedig, en zie verder Hooft, Granida, vs. 313: 't Lustsoeckend Hof ontvliên de lusten daer 't om slooft; ghy vollicht de natuyr, wy sien haer over 't hooft; Pers, 710 b; Bank. II, 324; Halma, 479: Over 't hoofd zien, négliger, ne pas faire attention; Harreb. I, 328; Rutten, 95: iemand over het hoofd zien, miskennen; hd. übersehen; eng. to look over.

942. Iemand zijn hoofd (of zijn neus) tusschen twee ooren zetten.

‘Eene grappige bedreiging welke men ondeugende kinderen toevoegt waarop deze antwoorden, als ze met de grap bekend zijn (in Zuid-Nederland althans): ze staan er al’; Ndl. Wdb. XI, 45. In de 16de eeuw bekend bij Marnix; zie ook Idinau, 206:

Men sal u hooft tusschen twee ooren stellen.
Och wat een dreyghement is dat!
So vervaren hem somtijds de blauw ghesellen
Niet wetende waerom, noch hoe, noch wat.
Het dreyghen des Heeren neme in ons herte stadt.

Zie verder Kluchtspel II, 146; Tuinman I, nal. 19; Halma 451; Harrebomée I, 328 a; Antw. Idiot. 854: iemands neus tusschen twee ooren zetten; hd. ich will dir den Kopf zurecht setzenHet hd. er nimmt den Kopf zwischen die Ohren beteekent: hij gaat er vandoor; vgl. onze 17de-eeuwsche uitdr. zyn aars onder zijn arm nemen, opstaan; thans zijn beenen onder den arm nemen. en dial. muess i de 'n Kopf zwisch'n d' Ohr'n setz'n (Wander II, 1533).

943. Het hoofd bieden,

d.w.z. tegenstand bieden, weerstand bieden; het is een beeld ontleend aan de bewegingen van een stier of een bok. In de middeleeuwen komt de uitdr. voor in Maerlant's Alex. VI, 1244: Hi was ghereet te biedene thooft welctijt dat si hem wouden slaen. Bij Casteleyn, Lied. 6 v: den krop bieden; bij V.d. Noot: den baert bieden; in de 17de eeuw ook: iemand het voorhoofd (of het aangezicht) bieden (Vondel's Hymnus over de Scheepvaart, vs. 160; 176); Bank. II, 257; Pers, 467 b; 704 a. Vgl. het fr. donner tête baissée dans une affaire; tenir tête à qqn. ; hd. einem den Kopf, die Stirn bieten; eng. to make head against a person. Zie no. 584; 962 en Ndl. Wdb. II, 2537; VI, 941.

944. Zich het hoofd breken,

d.w.z. zich inspannen, zijne hersenen (= hoofd) afmatten; vgl. Kil.: Hoofdbrekinghe, cerebri turbatio. In de 16de eeuw is de uitdr. al vrij gewoon, zooals blijkt uit Sartorius I, 8, 39: Daer is te deghen 't hooft over gebroken: dicitur de re summo studio lucubrata, et in qua exquisita cura singula pensitata sunt. Zie voor bewijsplaatsen Tijdschrift V, 161 en 166; Marnix' Byenc. 51 v; Harreb. I, 326 b; Ndl. Wdb. III, 1235; Falkl. V, 230: Breek 'r je kop niet over vent; vgl. fr. se casser la tête; hd. sich den Kopf (zer)brechen; eng. to break one's head or to cudgel one's brains, eig. zijne hersenen knuppelen (Taal en Letteren IX, 211); fri. hol(le)brekken, znw.

945. Het hoofd in den schoot leggen,

d.w.z. in iets berusten, zich overgeven. Oorspronkelijk zeide men enen (iemand, nl. dengene, door wien men zich overwonnen erkent) dat hovet in den schoot legghen, zooals blijkt uit Profijt. Liedeb. 114, 4: Dies legghe ic nu met rouwe mijn hooft in uwen schoot. Reeds vroeg werd de datief van den persoon, wien men het hoofd in den schoot lei, tot wiens beschikking men zijn hoofd, d.i. zich zelf stelde, weggelaten, zooals blijkt uit Despars I, 303: Eedelinghe die van Brugghe ende van Ghendt leyden thooft in schoot ende deden sconincx begeerte. Zie voor vele andere plaatsen het Mnl. Wdb. III, 693; Ndl. Wdb. VI, 941; VIII, 1417; Anna Bijns, Nieuwe Refr. 59; 93 en 111; Sart. I, 10, 50; Coster, 308 vs. 114; Paffenr. 6; Tuinman I, 4; Halma, 223; enz.; vgl. voor Zuid-Nederland Joos, 103; Schuermans, 192 b: hooken in schoo(t)ken leggen, toegeven, zich onderwerpen; Antw. Idiot. 753: den kop in den schoot leggen; Waasch Idiot. 393 a: het hoofd in den schoot leggen; fri. de kop in 'e skutte lizze.

946. Het hoofd opsteken,

d.w.z. zich verheffen, in verzet komen; vooral van eene onderdrukte partij gezegd, die zich weer verheft; dus het tegengestelde van zich buigen. In de middeleeuwen: dat hovet uytsteken; 16de eeuw: sijn hoot opheffen tegen. De uitdr. zooals ze thans luidt, komt in de 17de eeuw o.a. voor in Het Interest, 193; Pers, 651 b; Camphuyzen, Psalm, 2, 5, enz. Zie Ndl. Wdb. VI, 941; XI, 1253; hd. den Kopf heben, aufrichten. Hiernaast den (of zijn) kop opsteken in De Arbeid, 1 Mei 1915 p. 2 k. 1: Steeds driester steekt het kapitalisme zijn kop op; Het Volk 27 Aug. 1915 p. 1: De militaristische ijveraars zijn voor 't oogenblik wat overdonderd en steken nog niet brutaal den kop weer op.

947. Het hoofd stooten,

d.w.z. in zijne pogingen schipbreuk lijden, afgeslagen of afgewezen worden (vgl. Vondel's Maeghden, vs. 97; 1375; Hooft, Ned. Hist. 274; Pers, 468 b; 645 b); vervolgens: eene weigering ontvangen; zie Tuinman I, nal. 19; Sewel, 341: Zijn hoofd stooten (afgeslagen worden), to meet with a repulse. Vgl. hiermede zijn neus stooten (fr. se casser le nez à la porte de qqn), een blauwtje loopen (no. 250), met het hoofd tegen den muur loopen (no. 949) en dergelijke. Vandaar dat iemand voor het hoofd stooten beteekent: ‘hem bruskelyk afwyzen’ (Tuinman I, 250), onaangenaam bejegenen, terugstootend behandelen; vgl. Poirters, Hof v. Theod. 37: Om de Keyserinne niet teene mael voor het hooft te stooten, noch haer versoeck plotselyck af te wysen; Sewel, 341: Iemand voor 't hoofd stooten, to deny one a favour; Halma, 223: Iemand voor 't hoofd stooten, iemand zijne gunst ontzeggen; hd. einen vor den Kopf stoszen, ihn beleidigen (Eckart, 284; Wander II, 1525); fri. immen foar de holle stjitte. In de Kempen: zijn kop stooten, niet slagen.

948. Het hoofd loopt me om,

d.w.z. het hoofd, mijn gedachte, schijnt me als in een kring om te loopen, rond te draaien (eng. to reel); ‘uitdrukking van het gevoel van vermoeienis bij overgroote drukte van allerlei zaken, die tegelijk de aandacht vorderen, zoodat de geest onophoudelijk van het een op het ander moet overgaan.’ Vgl. Winschooten, 313: Mijn hoofd draaid mij, als een tol; Vondel, Sprookje van Reintje de Vos, 85: En zijn kop liep als een tol. In de 17de eeuw komt deze zegswijze voor bij Huygens, Hofw. 999: Ick wierd' er koortsigh af, en waer ick quam te wenden, daer draeyde my het hoofd; Vondel VIII, 492:

Zijn hooft liep om van zorge en nadocht, en de zinnen
Aen 't maelen, zwierden heene en weder.

Bij Hooft, Brieven, 355: U.E. zeidt wel de waarheidt daar aan, dat de tijdingen zulks zwindelen, en hassebassen, met elkandre te heeten liegen, dat'er eenen 't hoofd af ommeloopen zouw; Paffenr. 81: De kop loopt me om; Halma, 390; Tuinman I, 227: 't Hoofd loopt hem om, dat is, zyn herssens geraken aan 't draayen en maalen; Molema, 219 b: t lopt hom om kop, hij maalt; fri. de holle rint my om; de plasse mealt him; Ndl. Wdb. X, 398-399. In Zuid-Nederland: mijn kop draait (fr. la tête me tourne); hd. der Kopf schwindelt mir; nd. 't geit mi in'n Kopp rümm as'n Müllerad (Eckart, 285); eng. my head swims. In Twente: 'n 'kop löp mij oaver. Vgl. in ongeveer denzelfden zin: zijn hoofd verliezen; fr. perdre la tête; eng. to lose one's head.

949. Met het hoofd tegen den muur loopen,

d.w.z. iets ondoenlijks willen uitvoeren en niet slagen; iets onmogelijks willen ten uitvoer brengen; eig. met zijn hoofd door een muur willen loopen, en dan zich bezeeren.Eene voorstelling hiervan vindt men bij Breughel no. 21. In de middeleeuwen in Grimb. I, 1808: Die met syn hooft wil dor den muer heeft dicke aventure suer; Mloep II, 2382: Wie lopen wil teghen die muyer mitten hoofde, die machet breken. Vgl. ook Goedthals, 54: Met den hoofde tegen den muur loopen, huerter la teste à la paroy; Winschooten, 356; Idinau, 16:

Hy loopt metten hoofde teghen den muer
Die hem tegen d'overste, of maghtigher stelt.
Hy en wint niet anders dan schade seer suer.
Rust liever u hooft, en spaert u gheldt.
De saechtmoedighe behouden ten eynden het veldt.

Hooft gebruikt naar analogie van deze uitdr. in zijne Ned. Hist. 494: Met het hooft teegens den heekel loopen. Hoe algemeen de uitdrukking bekend geweest is, blijkt uit de vele bewijsplaatsen bij Harrebomée I, 327 b. Volgens Schuermans, 278 a, zegt men in Limburg: al met den kof tegen den stijl loopen of alleen: tegen de stijlen loopen, waarvoor wij ook zeggen: ergens leelijk tegen aanloopen; zie ook Ons Volksleven V, 181; Teirl. II, 173; Waasch Idiot. 364: met uwen (of den) kop tegen den muur loopen; Antw. Idiot. 1909: met den kop tegen den muur willen, tegen het heil in, iets onmogelijks willen doen. In het Friesch: mei de kop tsjin 'e mûrre oan rinne; fr. donner de la tête contre un mur; se cogner la tête contre un mur; hd. mit dem Kopfe durch die Wand rennen wollen (Wander II, 1529); eng. to beat one's head against the wall.

950. Voor het hoofd geslagen staan,

d.w.z. beteuterd, verlegen, bedremmeld staan, voor den kop geloopen zijn (Rutten, 120 b). Vgl. Hooft, Ned. Hist. 128: Breederoode en de zynen, hoewel voor 't hooft geslaaghen met deeze weyghering, veerdigden een smeekschrift af; Huygens II, 99: Klaes Boer stond voor sijn hoofd geslagen als een Oss. In de 18de eeuw leest men deze zegswijze dikwijls bij Justus van Effen, Spect. III, 164; IV, 42: Wy stonden als voor 't hooft geslagen, en zelfs als van een donderslag getroffen; VIII, 162; XI, 204; V, 95: De algemeene kamerdienaar stond of hy voor de kop geslagen was. Vgl. ook Sewel, 341: Hy stond als voor 't hoofd geslagen, he stood thunder-strucket. Wij zeggen ook nog wel: het was alsof ik een klap (of een slag) in mijn gezicht (Spect. V, 188: voor de ooren) kreeg. Vgl. Waasch Idiot. 348 a: ik meende dat ik een klets in mijn wezen kreeg, het verwonderde mij zeer; in Antw. Idiot. 529: hij stond als van den hamer geslagen (vgl. fr. avoir un coup de marteau (onnoozel, getikt zijn). (Aanv.) Voor den kop geloopen zijn beteekent in Zuid-Limburg meer: gekrenkt zijn.

951. Zooveel hoofden, zooveel zinnen,

d.w.z. zooveel menschen als bij elkander zijn, zooveel verschillende meeningen heerschen er. In het Latijn: quot homines tot sententiae (Otto, 166; Journal, 140; Archiv XIII, 385); dezelfde gedachte vinden we ook reeds bij Homerus. In onze taal is zij eveneens al zeer oud. Vgl. Sp. Hist. I5, 51, 47: Alse menech hovet, alse menege sede ende also menech zin daer mede; Sp. der Sonden, 12462; Dirk Potter's der Minnen Loep IV, 1556: So menech mensche, so menech sin of also menighen wech, alsoo menich hoot (Brab. Yeest. V, 4491); Matth. 56, 27: So menich mensch so menigherhande verstant ende sin; Goedthals, 25: Hoe veel liens, soo veel sinnen, daer vele hoofden syn is differentie, tant de gens, tant de sens; zoo ook in de Prov. Comm. 46: Also menich hooft so menighen sin; Vierl. 93; Idinau, 181:

Daer veel hoofden zijn, daer zijn veel sinnen,
Want elck heefter vijf, of daer-omtrent:
Dit dient de sulcke, die twist beminnen,
Want, daer toont elck sijn bollement.
Een beest met veel hoofden, is t' kettersch serpent.

Zie Suringar, Erasmus, CXCIII; Bebel, no. 380; Harreb. I, 329; Taalgids V, 177 en vgl. het fr. autant de têtes, autant d'avis; hd. viel Köpfe, viel Sinne; eng. (so) many men, (so) many minds; so many dogs, so many kinds; het ital. quanti capi, tanti cervelli; enz. Zie Wander II, 1512; Eckart, 283 en vgl. nog het Friesch: folle hollen, folle zinnen.

1237. Vurige kolen op iemands hoofd hoopen (of stapelen),

ontleend aan den Bijbel, n.l. aan Spreuken XXV, 22: Want ghy sult vyerige kolen op sijn hooft hoopen: ende de Heere sal 't u vergelden; met de kantteekening: ghy sult hem daer toe dryven, dat hy de vyantschap, die hy tegens u heeft, haest van hem werpe; gelijck yemant die gloeyende kolen op 't hooft gelecht souden werden, de selve terstont soude afschudden. Ofte, ghy sult sijn herte vermorwen, ende gedweech maken, dat hy van sijn ongelijck overtuycht sal sijn, gelijck de Smeden het yser met gloeyende kolen vermorwen. Vgl. ook Rom. XII, 20: Indien dan uwen vyandt hongert soo spijsight hem: indien hem dorst soo geeft hem te drincken. Want dat doende sult ghy colen vyers op sijn hooft hoopen. De beteekenis van deze woorden is, volgens Zeeman, 329 ‘door een edelmoedig betoon van barmhartigheid zijnen vijand van schaamte en leedwezen doen gloeien’. Van der Palm verklaart deze uitdrukking aldus, dat men daardoor zijnen vijand aandoet, wat hem het ondragelijkst moet vallen, en strenge wraak aan hem oefent, die hem al zijn ongelijk smartelijk zal doen gevoelen en dus het beste middel tot zijne verbetering wezen zal.In de Leidsche Bijbelvertaling wordt als toelichting gegeven: Dit is een voor den beweldadigde pijnlijk gevolg van des anders grootmoedigheid; de drijfveer houdt niet meer in dan: zoo neemt gij de gevoeligste wraak.... Dat de pijnlijke gewaarwordingen den beweldadigde tot berouw over zijn vijandschap nopen, wordt er licht bij gedacht, maar ligt er eigenlijk niet in. Zie ook Germ.-Rom. Monatschr. II, 248; 679; III, 246. Vgl. Sp. der Sonden, vs. 14633:

Scrifture maket ons vroet
Dat doeghet, diemen den viant doet,
Gelijct den colen, die schone gloyen,
Die met hare hette verbroyen
Gramschap, die daer is geploen,
Die minne weder ontsteken doen.

Zie veider Huygens, Korenbl. II, 104 (no 5); fr. amasser des charbons ardents sur la tête de qqn; hd. einem glühende (oder feurige) Kohlen aufs Haupt sammeln; eng. to heap (cast, gather) coals of fire on a p.'s head; Afrik. vurige kole op iemand se hoof hoop.Jord. 43 (Trui, Bet, Daatje, stemden gretig in, stapelden kolen op 't hoofd van 't stookwijf Jongeneel) in den zin van kwaad spreken van iemand.

1262. Met de kous op het hoofd (of op den kop) thuiskomen,

d.w.z. van eene vergeefsche reis thuiskomen, niet geslaagd zijn: thans veelal gezegd van een examen of een huwelijksaanzoek. De uitdr. is in de 17de eeuw zeer gewoon; vgl. o.a. Winschooten, 123: Met de kous op het hoofd 't huis koomen, is een bekend spreekwoord onder de Seeluiden: het welk bij haar oneigendlijk beteekend een verloore reis: als wanneer iemand soo naakt en berooid uitgeschud is, dat hij geen Muts of Hoed op sijn hoofd heeft: maar in plaats van dien, een kous setten moet. Dezelfde verklaring geeft ook Tuinman I, 152. Zie ook Halma, 285: Met de kous op het hoofd te huis koomen, s'en revenir la queue entre les jambes, ou sans avoir réussi dans son entreprise; Potgieter, Proza, bl. 427: Hij heeft drie preken op beroep gedaan, en hij is driemaal met de kous op den kop weêrom gekomen; Schuermans, 284; Antw. Idiot. 704; Jongeneel, 95; V. Schothorst, 157; Villiers, 68; Nkr. VI, 7 Sept. p. 4; VII, 13 Dec. p. 2; De Arbeid, 14 Jan. 1914, p. 1 k. 4; Het Volk, 3 Maart 1914, p. 6, k. 1; De Telegraaf, 20 Dec. 1913 (ochtendbl.), p. 1 k. 5, enz.Andere plaatsen, waar de uitdr. voorkomt zijn Smetius, 42; Huygens VI, 280: met de Cous op 't hoofd naer huys te keeren; Coster, 526, vs. 957: met de kous op 't hoofd t'huis komen; W.D. Hooft, Verl. Soon, 24 r; Six v. Chandelier, Poësy, 416: met de kousse op 't hoofd; Langendijk, Quincampoix, 69 (Panthéon); Boerekrakeel, 53; C. Wildsch. II, 140; Brieven v.B. Wolff, 185: hy is met de kous op den kop afgezet (weggestuurd); Sewel 415; V. Janus, 328; Allerz. 107; enz. In het Engelsch der 16de eeuw werd to wear one's hose upon one's head, gebezigd voor iets averechts (Prick, bl. 61).Let men op synonieme zegswijzen als den bout op het hoofd krijgen, d.i. zijn geding verliezen, de kosten moeten dragen, de schuld van iets krijgenNdl. Wdb. III, 755; Winschooten, 36: de bout op 't hoofd krijgen, dat is, de klop krijgen; Westerbaen, Ged. II, 453; Halma, 89; Sewel, 137; Lev. B. 91: Die 't breekt, krijgt de bout op zijn kop.; de byl of de bout op den kop krygen, to lose cause, to be obliged to submit (Sewel, 137); hij krijgt den bal op den kop t' huis (Harreb. I, 29 a); hij zal den bal vatten (Joos, 73), en vergelijkt men uitdrukkingen als den bot schudden, den bons krijgen, een blauwtje loopen, het deksel op zijn neus krijgen, wellicht ook het Antw. de kalk in de(n) neus of in de keel krijgen, gezegd van iemand, die wegens gebrek aan geld den bouw van een huis moet staken (Antw. Idiot. 613), het mnl. iet becraken, 17de-eeuwsch op iemands kap druipen, dan is het mogelijk, dat we aan kous de beteekenis moeten toekennen van ijzeren ring in een strop, om het doorslijten van het touw te voorkomen, een rond ijzer aan de schiethoorn; hd. Kausch (Winschooten, 123; Kluge, Seemansspr. 435Een andere beteekenis heeft de door Tuinman I, 152 vermelde zegswijze een kous varen, waarmede ‘een zeereize met verlies’ wordt bedoeld, en dat te vergelijken is met het Zaansche hij is kous, hij heeft niets gevangen, komt met een ledige schuit terug (Boekenoogen, 503). Met dat kous zal wel bedoeld zijn de kous, waarin men zijn spaargeld bewaarde; zie o.a. Teirl. II, 177; fr. un bas de laine, spaarpot; Zondagsblad van het Volk 1905, p. 350: De paar ton, die ik in mijn Indische kous heb meegebracht, 5 Maart 1915 p. 1 k. 2: De boeren hebben een kous gemaakt. De arbeidersklasse heeft van den oorlog niet anders ondervonden dan ellende. H. Beckering Vinckers (Tijdschrift 39, 146) brengt de uitdr. met dit kous in verband en onderstelt, dat werkelijk de matrozen met de kous op het hoofd aan wal kwamen, om aan te geven dat ze op hun reis niets overgespaard hadden.). Haalt men zulk een takel omhoog en schiet die los, dan kan men de kous op het hoofd krijgen en slaagt men derhalve niet in zijne poging, bereikt men zijn doel niet. Dezelfde beteekenisontwikkeling nemen we hier waar als bij den bout of de bijl op het hoofd krijgen, daar in het stadsfri. de kous op den kop krijgen ook de beteekenis heeft van de schuld krijgen van iets, iets moeten ontgelden; vgl. ook de vroeger algemeen bekende zegswijze hij heeft tegen de maan gepist (zoodat hem dus de urine in het gezicht valt), hij is er ongelukkig afgekomen (Harreb. II, 47 a); fr. il a craché en l'air.

Toen op het laatst der 17de eeuw de uitdr. niet meer begrepen werd, zeide men ook ‘met de broek op 't hoofd thuis komen’ (Harreb. I, 93; Ndl. Wdb. III, 1468), dat in het Groningsch nog luidt: mit boksem om kop thoes komen (Molema, 505 bBij Harrebomée 1, 329 staat nog vermeld met de koek op 't hoofd thuis komen, als gebruikelijk in Zuid-Beveland. Men bedenke hierbij, dat het in Zeeland de gewoonte is (of was) bij een huwelijksaanzoek de uitverkorene een koek aan te bieden. Wordt (of werd) dit verzoek geweigerd, dan komt men met de koek op 't hoofd thuis; vgl. voor deze gewoonte De Roever, Van Vrijen en van Trouwen, bl. 115; Volkskunde XVI, 59; De Cock2, 137.).

1536. Met den mond vol tanden staan (of zitten),

d.w.z. niets zeggen ter verdediging, geen woord kunnen uitbrengen, beteuterd zijn; syn. voor snot en vuile boter staanN. Taalgids XIV, 250.; eig. alleen tanden en geen tong hebben. Sedert de 17de eeuw bekend; o.a. te vinden in Com. Vet. 85: Daer staen wy dan en kijcken met een mondt vol tanden; Smetius, 243: Daer stond hy met den mond vol tanden; De Brune, Bank. II, 286; Menschen, die zoo tael-blood zijn, dat ze met de mond vol tanden, maer zonder tonge staen en kijcken; en vgl. P.C. Hooft, Warenar, vs. 1011, het komische: O die kan immers kallen ofser tangt vol mongden hadt. Zie verder Van Moerk. 240; Tuinman I, 312, waar als synoniemen worden opgegeven hy staat, als of hy een een lap in den mond had; als of hy den mond vol bry had; Halma, 263: Met zijnen mond vol tanden staan kijken, être tout honteux, n'oser lever les yeux; Harreb. II, 99; Villiers, 81; M. de Br. 66; Prikk. V, 11; Ndl. Wdb. IX, 1059; het oostfri. hê steid mit 'un mund ful tanden; het Friesch: hy sit mei de mûle fol tosken; Jongeneel, 94; De Bo, 1132: met zijnen mond (of zijne toote) vol tanden staan; Antw. Idiot. 1220; 1905; Waasch Idiot. 443 b; 721 b. Bij Ogier, 8: Die staet en siet met het Backhuys vol tanden.

1576. Muizennesten in het hoofd hebben,

d.w.z. over allerlei dingen, kleinigheden, mijmeren, peinzen; fri. mûzenêsten yn 'e holle ha; mûzenêsten siikje, uitvluchten zoeken, spijkers op laag water zoeken. Deze uitdr. is geen verbastering van ‘muizenissen in het hoofd hebben’, zooals is aangetoond in Noord en Zuid XIX, 62-65. Plantijn vermeldt: Muysenesten int hooft hebben, avoir des nids de sourris à la teste, songer creux, avoir la puce à l'aureille, exputare, in cerebro aliquid evolvere, excogitare, somniare vigilans; zie verder Servilius, 169: Hi heeft vele muysen in 't hooft; bij Sartorius II, 2, 77: Lusciniae nugis insidentis met de vertaling trepelaers die veel musenesten int hooft hebben; Mellema: Muysennesten in 't hooft hebben, songer, songer creux, avoir la puce à l'oreille; vgl. ook Kluchtspel I, 208; II, 70; Marnix, Byenc. 146 v; Poirters, Mask. 212; Coster, 43, vs. 1007; Pers, 539 a; Bank. II, 376: Hy (een koning) heeft zijn hooft altijd vol byen, of muyze-nesten, die altijds hommelen en ritzelen; Idinau, 135; Sewel, 501; Halma, 363; C. Wildsch. III, 271; V, 283; Noord en Zuid XXII, 307; Ndl. Wdb. IX, 1226; B.B. 355; Kmz. 285; Villiers, 84; enz. In het Duitsch kwam voor bij Sebastiaan Francken (1541) II, 40: er hat vil hummeln, mucken (ndl. muggen in 't hoofd hebben (17de eeuw), tauben, meusz, meusznester oder grillen im Kopf; Wander III, 550 citeert: he hett Müsenester im Koppe; 545: er hät Müs im Kopf; Eckart, 354: he hebt Müs in den Kopp; Schrader, 189: er hat Mäuse im Kopfe; nd. du hes wol'n sirs, du bist wohl verrückt (sirs = heimchenZeitschr. f.d. D. Altert. LIII, 133: Die genannten tiere sind erscheinungsformen von elben und dämonen; ihrer gestalt bedienen sich kobolde und hexen, deren üblem einfluss ein gut teil der krankheiten, namentlich gemütsstörungen, zugeschrieben wird - dass man an das vorhandensein derartiger schmarotzen im menschlichen leibe glaubte, dafür zeugen die beschwörungen, die man vornahm, bis schlieslich der ‘teufel’ in gestalt etwa einer mücke den körper verliess. Vgl. ook Leuv. Bijdr X, 245.). In het Fransch zegt men o.a. (zie Nyrop IV, § 397): avoir des trichines au plafond; avoir une écrevisse dans la tourte (ou dans le vol-au-vent); avoir des rats en tête (westvl. eene ratte in den kop hebben; De Bo, 914 b); avoir des papillons noirs en tête; avoir une araignée dans le plafond (17de eeuw: poppen (of wespen) in 't hoofd hebben; Tuinman II, 16: hij heeft zijn hoofd vol spinnewebben; Zuidnederl. een spinnekop in de hersens hebben naast geen spinnekopnetten in den bol hebben, verstandig zijn; Huygens I, 206: Al dit coppe-spin te verdryven uyt je sin; eng. to have cobwebs (or maggots, bugs, wheels, a bee) in one's brain); zie verder De Bo, 719; Waasch Idiot. 448 a; Antw. Idiot. 839; Schuermans, 397 b: hij zit met muizennesten in zijn hoofd, hij brengt allerlei uitvluchten tot zijne verschooning bijIn de Brieven van Abr. Bl. II, 215 lezen we: Te denken en te muizenesten, d.i. zich allerlei muizennesten in het hoofd te halen, te peinzen..

1577. Muizenissen in het hoofd hebben,

d.w.z. peinzen, mijmeren, tobben; meestal over allerlei kleinigheden. Zie Kiliaen: Muysenisse int hooft, imaginatio phantasia. Het is eene afleiding van het mnl. wkw. musen (eng. to muse; ofr. muser), dat Kiliaen als muysen (cogitare) vermeldt. Vgl. Six van Chandelier, Poesy 486:

 Och! dorst ik schelden, hoe zou Baldus, hoe zou Bartel
 Aanhouden, die uw hoofd vol muissenisse broên?

Weiland: ‘Muizen, in stilte nadenken, peinzen. Van hier muizenis, gepeins, waarvoor men kwalijk zegt muizenest’; Harreb. II, 327; De Jager, Frequ. II, 395; Ndl. Wdb. IX, 1225 en zie no. 1576.

2123. Den spijker (of den nagel) op den kop (of het hoofd) slaan (of tikken),

d.w.z. de zaak juist treffen, juist zeggen waar het op aankomt, het juiste middel aangeven. In de 16de eeuw lezen we bij Campen, 122: ghy hebt den naegel lijck opt thoeft gheraeckt; bij Servilius, 11: ghi hebbet iuyst op zyn hooft gheraect; Sart. II, 1, 1: de spijcker op 't hooft slaen, scopum attingere; 5, 68: rem acu tetigisti, ghy hebt de nagel op 't hooft geslagen; Marnix, Byenc. 40 r: den spyker op 't hooft geslagen; Vondel, Rommelpot, str. 34: Marten, die het al gelooft, en de spijker raekt op 't hooft; Hooft, Brieven, 261; Ned. Hist. 123; Spaan, 168; Poirters, Mask. 166; Willem Leevend II, 229; V, 208; Haagsche reize, 190; Sewel, 745: Den spyker op 't hoofd slaan, to hit the nail on the head; to hit the mark; Adagia, 26: gy hebt den nagel op 't hooft geslaegen, rem acu tetigisti; enz. Zie Harrebomée I, 438 a; III, 265 b; 266 a; Afrik. hy slaat die spijker op die kop; Antw. Idiot. 1836: den nagel op den kop slagen, een doeltreffend antwoord geven; Joos, 105; Waasch Idiot. 364 en De Bo, 729 b. Vandaar ook op den kop (fri. op 'e kop ôf), in den zin van precies: een spijker moet net op den kop getroffen worden, wil hij ‘pakken’; Ndl. Wdb. XI, 246; Campen, 122: op den kop geraden; in het Overt. Praatje, 74: Sy raakt het effen op zijn kopje; Kluchtsp. 3, 230; zuidndl. op de kop, juist het getal, het bedrag (Teirl. II, 174; Antw. Idiot. 695); hd. den Nagel auf den Kopf treffen, vroeger ook den Keil auf den Kopf schlagenWander II, 1237; III, 863.; nederd. den Nagel up 'n Kopp drêpen (Eckart, 380); eng. to hit the nail on the head. In het Friesch: hy slacht de spiker op 'e kop.

2525. Boven water zijn,

d.w.z. uit den nood, uit de moeilijkheid zijn; eig. gezegd van iemand, die in het water is gevallen en het hoofd weer boven weet te krijgen; vgl. ook het hoofd boven (water) houdenVgl. Poirters, Hof v. Theod. 34: Op dat de verdruckte Christenen eens mochten verquicken, en het hooft boven krygen; Pers, 535 a; 911 a: het hoofd boven houden; De Brune, Bank. I, 395; II, 52: de kin boven water houden; Ndl. Wdb. III, 813; Harreb. I, 327; De Telegraaf, 2 Dec. 1914 (avondbl.) p. 9 k. 2: Cor Ruys, die zijn kop boven water weet te houden, tegen al de beroerdigheid in; Handelsblad 2 Maart 1915 (avondbl.) p. 9 k. 3: Steeds had zij, zeide ze, gesloofd en geploeterd om het hoofd boven water te houden; De Arbeid, 27 Maart 1915 p. 1 k. 3: Hebben in normale tijden de arbeiders moeite om het hoofd boven water te houden, in dezen tijd is het met den stoffelijken nood der arbeiders meer dan treurig gesteld; Het Volk, 9 Aug. 1915 p. 6. k. 2; hd. sich überm Wasser halten; eng. to keep (or hold) one's head above water., zich weten staande te houden; het fr. revenir sur l'eau, échapper à la ruine; hd. wieder über Wasser kommen; eng. to be above water. Zie Winschooten, 348: Booven Water syn, geen vrees hebben voor schaade; Halma, 768: Boven water zijn, behouden zijn, niet te vreezen hebben, être en sureté, n'avoir rien à craindre; Sewel, 138: Boven water zyn, to be save, out of the scrape; Ten Doornk. Koolm. III, 521 a: wër bafen water kamen od. wesen, wieder über Wasser kommen, nicht mehr in Gefahr sein. De uitdr. (weer) boven water zijn (of komen) wordt ook gebezigd van iemand, die een tijd onder water (weg, ziek of aan het zwieren) is geweest en weer te voorschijn komt; zie no. 2526; vgl. Sjof. 217: Die knul was altijd ziek of onderweg en als ze dan om vijf uur 's morgens beginnen mosten, lag die jongen op z'n nest. En as-t-ie eindelijk boven water kwam, was-t-ie nog te lam om een poot uit te steken; bl. 219: Na twee dagen kwam-d-ie boven water, met één gulden en tien cente in zijn zak; Persl. 97: 't Is ook 'n manier van die zwabber in drie dagen niet boven water te komen zonder 'n woord te zeggen of te schrijven; fri. boppe wetter wêze.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal