Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

honing - (geelachtige zoete stof uit bloemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

honing zn. ‘geelachtige zoete stof uit bloemen’
Onl. honog ‘honing’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. honech [1240; Bern.], van honighe [1280; CG I, 501], met honinghe [1400-20; MNW-R].
Traditioneel wordt dit woord verbonden met een Proto-Indo-Europese wortel met de grondbetekenis ‘geelkleurig, bruinkleurig’; vanzelfsprekend is deze semantische vergelijking echter niet en de verschillende Germaanse vormen blijven onverklaard. Bovendien bestaat er een Proto-Indo-Europese wortel met grondbetekenis ‘honing, mede’, zie → mede 2 en → meeldauw. Boutkan 1998 veronderstelt dan ook dat die in het Germaanse taalgebied vervangen is door een inheems, voor-Indo-Europees woord voor ‘wilde honing’, waarbij hij ook de verschillende vormen verklaart.
Met -ng: ohd. honang en on. hunang (nzw. honung); < pgm. *hunang-; daarnaast met -g: os. honeg, huneg (mnd. hōnich, honnich, hönich); ohd. honag (mhd. honic, honec, hönic, hünic, nhd. Honig); ofri. hunig (nfri. hunich, huning); oe. hunig (ne. honey); < pgm. *hunag-, *hunig-. Als dit vormen uit een substraattaal zijn, was volgens Boutkan de variatie *-ag- /*-ig- oorspr. paradigmatisch en later uitgekristalliseerd als twee verschillende achtervoegsels, wat ook de schijnbaar onsamenhangende af- c.q. aanwezigheid van umlaut in de eerste lettergreep kan verklaren; de vormen op -ing/-ang schrijft hij toe aan latere substitutie door een achtervoegsel dat veel in andere woorden voorkomt.
Pgm. *hunag-, *hunig- wordt traditioneel teruggevoerd op pie. *knh2-ko ‘geel/bruinkleurig’ (IEW 564), waarbij Grieks knēkós ‘geelachtig’ (Dorisch knākós) en Sanskrit kāñcana- ‘gouden’. De wortel van → mede 2 is pie. *medh- ‘honing, mede’.
De spelling met -ng- verschijnt al in de 15e eeuw; voor de uitspraak /ŋ/ zal dus minstens hetzelfde gelden. Over de verbreiding door de eeuwen heen van deze vorm valt weinig te zeggen; de spelling honig blijft echter nog tot ver in de 19e eeuw de overhand houden en wordt ook door WL 1995 nog steeds erkend.
Lit.: Boutkan 1998, par. 2.8

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

honing* [stof door bijen uit bloemvocht bereid] {oudnederlands honog 901-1000, middelnederlands honich, honinc(h)} oudsaksisch honeg, huneg, oudhoogduits honag, oudfries hunig, middelengels honi, oudnoors hunang; buiten het germ. grieks knèkos, knakos [geelachtig], knèkos [wilde saffraan], knèkis [geelbleke wolk], oudindisch kāñcana- [goud] (> maleis kencana [goud]); de benaming berust dus op de kleur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

honig, honing znw. m., mnl. hōnich, hōninc, huenic, onfrank. honog, os. honeg, huneg m. o.?, ohd. honag, honang o., oe. hunig o. (ne. honey), on. hunang. — Genoemd naar de goudgele kleur vgl. gr. dor. knakós ‘geelachtig’, oi. kāñcaná-, kánaka- ‘goud’, opr. cucan ‘bruin’ (IEW 564).

De vorm honing is jonger en ontstaan door substitutie van een ander en meer gewoon suffix. — Het idg. woord voor ‘honing’ is *melit (gen. melnés vgl. IEW: 723), vgl. got. miliþ ‘honig’, oe. milisc ‘honigzoet’, zie daarvoor: meeldauw. — Een taalkaart voor dit woord tekende Verstegen, Taalatlas afl. 3, 9, waaruit blijkt, dat zeem het gewone woord in Vlaanderen is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

honing, honig znw., mnl. hōnich (ook hȫnich) o. (ook reeds m.?), waarnaast laat-mnl. met formans-substitutie hōninc. = onfr. honog, ohd. honag (ook honang) o. (nhd. honig m.), os. honeg, huneg (m. o.?), mnd. honnich o., ags. hunig o. (eng. honey), on. hunang o., ozw. hunagh, honagh o., honagher m. “honig”. Oorspr. bet. “het gele”; verwant zijn gr. knẽkos “wilde saffraan”, knēkós, dor. knākós, “geelachtig”, oi. kánaka-, kâñcaná- “goud”. Een ouder woord voor “honig” is got. miliþ o. (vgl. ags. milisc “honingzoet”): ier. mil, lat. mel, gr. méli (stam mélit-), alb. mjaľ, arm. mełr “honig”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] honig. Dubieuze verdere combinatie: opr. cucan, lees cūcan d. i. cuncan “bruin”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

honig. Adde: ofri. hunig (m.?). Dial. (saks. diall., Goeree, Antw.) met umlautsvocaal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

honig, honing m., Mnl. honech, honinc, Onfra. honog, Os. honeg + Ohd. honag (Mhd. honic, Nhd. honig), Ags. hunig (Eng. honey), Ofri. hunig, On. hunang (Zw. honing, De. honning) + Skr. kāñcanam = goud, Gr. knēkós = geelachig, knḗkos = wilde saffraan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

heuning s.nw. Ook soms, geselstaal, hinning en hunning.
1. Dik, soet, ligbruin stroop wat bye maak uit die sap wat hulle uit blomme en vrugte suig, en in die selle van heuningkoeke berg as voedsel vir hulle en hul larwes. 2. Blomsap deur bye gebruik om heuning (heuning 1) van te maak. 3. Iets wat soet en lieflik is.
Uit Ndl. honig, honing (Mnl. honich, honinc, heunic). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. Honig, Eng. honey.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

honing ‘stof door bijen uit bloemvocht bereid’ -> Zuid-Afrikaans-Engels heuning ‘stof door bijen uit bloemvocht bereid’ ; Negerhollands henig, honing ‘stof door bijen uit bloemvocht bereid’; Papiaments † honing (ouder: heinik) ‘stof door bijen uit bloemvocht bereid’; Sranantongo oni ‘stof door bijen uit bloemvocht bereid’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans oniki ‘stof door bijen uit bloemvocht bereid’; Saramakkaans honi ‘bij’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

honing* stof door bijen uit bloemvocht bereid 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

938. Iemand honig om den mond smeren,

d.w.z. iemand vleien; hem lieve, zoete woordjes zeggen; gron. iemand lekkeris op de doeme smeren (Molema, 240); mnl. enen smeren, syn. van enen lecken of leckenbaerden, licken omtrent den baert, iemand likken (vgl. no. 604 en mlat. cui barbam movit linguendo catus bene novit (Werner, 14). Hiernaast in de 17de eeuw en thans nog in dialect (o.a. Molema, 386) een bijv. nw. smerig, vleiend. Vgl. A. Bijns, Refr. 64: Het honich sij om den mont al strijcken den armen, den rijcken; H. de Luyere, 31: Hy ghinck den Cock om den mont vast smouten; Hooft, Ned. Hist. 484; Brederoo, Moortje, 742; Idinau, 221:

Men strijckt hem honingh aen den mondt,
Die men met soete woorden aen-gaet.

Sewel, 341: Iemand honig om de mond smeeren, to flatter, to cajole one. In Kortrijk noemt men een vleier een smouter; Kiliaen vertaalt smoutpotten ook door adulari, assentari, syn. van seemstrijcken, blandiri, adulari; zie Schuermans, 635; vgl. Antw. Idiot. 172: iemand pap (of siroop) aan den baard smeren, hem paaien met bedrieglijke beloften; Teirl. 91: sarope of zeem an iemand zijnen baard doen, wrijven, strijken of smeren, iemand vleien en streelen; 201: zoete boter strijken, streelen en schoonspreken, om iets te bekomen of iemand zachter te stemmen (De Bo, 173; Schuermans, 71); fri. immen sjerp (of huning) om 'e mûle strike, en onze uitdr. met den strooppot omgaan (fri. mei de sjerpkanne omgean), loopen (17de eeuw met den smeerpot loopen), stroop-smeren; vgl. Sjof. 169: Een luie sallepatter, maar die goed met de strooppot kan loopen; P.K. 191: Die 't meest met den strooppot loopt, komt 't snelst vooruit; P.K. 191: O mijnheer, wanneer u eerst slechts begrijpen kunt, hoe ver men met stroopsmeren komt; Amst. 75: Ik kan niet stroop smeren; Het Volk, 21 Oct. 1913, p. 6 k. 1: Maar den vrijzinnig-democratischen heer F. liepen ze met de stroopkwast achterna; Nkr. I, 20 Juli, p. 6: Dan werkte ik met de stroopkwast zoet teemend; Stroopsmeerderij in De Arbeid, 12 Sept. 1914 p. 2 k. 4; 20 Mei 1914 p. 4 k. 1. Vgl. hd. einem Honig ums Maul schmieren; oostfri. ên hönnig um 't mûl smeren (Dirksen I, 61); nd. he schmêrt em Honig um den Bart (Eckart, 217); fr. emmieller qqn; pommader qqn; eng. to honey, to butter, to soft-soap a p; fri. mei de hunichkwast omgean; mei sjerp strike; mei de sjerpkwast rinne.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut