Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

honger - (behoefte aan voedsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

honger zn. ‘behoefte aan voedsel’
Onl. hunger ‘behoefte aan voedsel’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hunger ‘id.’ [1240; Bern.], meestal honger [1265-70; CG II, Lut.K].
Os. hungar (mnd. hunger(e)); ohd. hungar (nhd. Hunger); ofri. hunger (nfri. hûnger); oe. hungor (ne. hunger); on. hungr (nzw. hunger); < pgm. *hung-ra-. Zonder grammatische wisseling got. hūhrus < *hunhrus.
Er is wellicht verband met Litouws kenkti ‘beschadigen, tot last zijn’; hiervoor pleit het bestaan van het Oudnoordse werkwoord ‘kwellen’ (nno. ) < *hanhōn- (zonder grammatische wisseling). Andere vergelijkingen met woorden uit Indo-Europese talen die traditioneel worden gemaakt (Sanskrit kānkṣati ‘wensen’, Grieks kánkanos ‘droog’, kénkei ‘dorsten’) zijn formeel of semantisch problematisch en dus twijfelachtig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

honger* [eetlust] {oudnederlands hunger 901-1000, middelnederlands honger} oudfries hunger, oudsaksisch, oudhoogduits hungar, oudengels hungor, oudnoors hungr, gotisch huhrus; buiten het germ. grieks kagkanos [dor], litouws kenkti [schaden], kanka [het lijden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

honger znw. m., mnl. hongher, onfrank. hunger, os. ohd. hungar, ofri. hunger, oe. hungor, on. hungr; daarnaast met gramm. wiss. got. hūhrus (< *hunhru-). — Dit woord hangt samen met het germ. *hanhōn ‘plagen, kwellen’, vgl. on. , nijsl. ‘plagen’, nnoorw. haa ‘honen’. — gr. kégkei ‘hongert, kwelt’, kágkanos ‘dor’, oi. kañkāla- ‘geraamte’, kāñkṣati ‘begeerte’, kákatē ‘heeft dorst’, lit. kankà ‘kwelling, smart’, kankìnti ‘pijnigen’ (S. Bugge, BB 3, 1879, 102; IEW 565).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

honger znw., mnl. hongher m. = onfr. hunger, ohd. hungar (nhd. hunger), os. hungar, ofri. hunger, ags. hungor (eng. hunger), on. hungr m. “honger”. Met gramm. wechsel got. hûhrus m. “id.” uit *χuŋχru-. Met ablaut on. “kwellen” (*χaŋχanan). Buiten’t Germ. zijn verwant: gr. kénkei peinā, kakithḗs; átrophos ámpelos, kakithés; limērés (Hes.), lit. keñkti “pijn doen”, misschien ook gr. kánkanos “droog, dor”; dan zou de basis “droog zijn” hebben beteekend, en ook oi. kaŋkâla- “ribben, geraamte” zou ervan kunnen komen; ook oi. kā́ŋkṣati “hij verlangt, verwacht” hierbij?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

honger 1 m. (faim), Mnl. id., Onfra. hunger + Ohd. hungar (Mhd. en Nhd. hunger), Ags. hungor (Eng. hunger), Ofri. hunger, On. hungr (Zw. en De. hunger), Go. hûhrus (d.i. huŋhrus, met weggevallen n vóór h) nevens huggrjan = honger hebben + Gr. kénkei = heeft honger, Lit. keñkti = kwellen. Van hier hunkeren.

honger 2 v. (plant), vergel. Hgd. hungerblume: zij groeit in dorren grond.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hoonger (zn.) honger; Aajdnederlands hunger <901-1000>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Honger snw. Segsw.: So honger hê dat jy ‘n spiker se kop kan afbyt. – By Tuinman I, 97, en nog by Joos 453: “Ik zou ‘nen nagel den kop afbijten, heb zeer grooten honger.” Vgl. ook Ndl. Wdb. IX 1491 vir ’n sitaat uit moderne Vlaamse bron.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

honger ‘eetlust’ -> Indonesisch honger ‘eetlust’; Javaans dialect honger ‘eten’; Berbice-Nederlands hungru ‘eetlust; hongerig’; Skepi-Nederlands hungər ‘hongerig’; Sranantongo angri (ouder: hangri) ‘eetlust, verlangen, hunkering’; Saramakkaans hángi, ángi ‘eetlust’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

honger* eetlust 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

936. Honger is een scherp zwaard,

eene gedachte, die bij Flavius Josephus staat opgeteekend in zijn Bellum Judaicum, lib. V, cap. 10 § 3 en bij Menander, Monost. 320: Αιμος μεγιστον αλγος ανθρωποις εφυ. Het spreekwoord vindt men in onze taal het eerst in de Prov. Comm. 390: Honger is een scerp sweert, poenalis gladius est magna fames et acutus; bij Servilius, 92: Den honger is een scherp sweert. Zie verder De Brune, 193: Gheen scherper mes als hongher es; Tuinman I, 97; Harreb. I, 324 a; Wander II, 909; Bebel no. 501; Waasch Idiot. 294 a: honger is een kwade beest of een scherp zweerd; Teirl. II, 57: honger es 'n ka beeste, honger maakt de beste mensch kwaad en onmenschelijk; Rutten, 95 b: honger is een scherp wapen (of zweerd).

937. Honger maakt rauwe boonen zoet

d.w.z. honger doet iets, dat anders niet heel smakelijk is, toch lekker vinden en met smaak eten (mlat. delicias panis non querit venter inanis), of zooals Poirters in de voorrede van Mask. zegt: den hongher doet honigh uyt een korstjen broots suygen, of zooals wij ook zeggen: honger is de beste saus (of de beste kok); lat. optimum cibi condimentum fames. Vgl. in het laat-mnl. hongher maeckt roo boonen soet; in de Prov. Comm. 389: honger maect rouwe boenen soete; Goedthals, 31: den hongher doet rauwe boonen suker smaken; Campen, 19: die honger is die beste Kock (hd. Hunger ist der beste Koch; fr. l'appétit est la meilleure sauce; il n'est sauce que d'appétit; eng. hunger is the best or the strongest sauce) en bij Idinau, 165:

Hongher is de beste sausse, t'is klaer;
Want die gheeft smake tot alle spijse.

Vgl. fri. hûnger hjit makket rie beanne swiet; Erasmus, CLXIV; Bebel, 202; 500; Volkskunde XVII, 74; Tuinman I, 97: honger maakt raauwe boonen zoet. Honger ziet struif voor taart aan; Harrebomee I, 324 a; Wander II, 914: Hunger macht rohe Bohnen (oder Saubohnen) süsz oder zu Mandeln; in der Not friszt der Teufel Fliegen; eng. hungry dogs will eat dirty puddings; hunger makes hard beans sweet (or soft). (Aanv.) Dr. D.C. Hesseling had de vriendelijkheid mij mede te deelen, dat rauwe, in water geweekte boonen het gewone voedsel waren der anachoreten en monniken, die streng vastten. Nog heden worden ze in den vastentijd door vele Grieksche kloosterlingen gebruikt. Dit zelfde gebruik zal ook wel in de kloosters van het Westen bekend geweest zijn.,

2685. Zwart van den honger zijn (of zien),

d.w.z. uitgeteerd en mager er uitzien; een groezelige, vale, bleeke gelaatskleur hebben (vgl. Franc. 9540). Het adj. zwart komt in de middeleeuwen ook met bleek en vaal verbonden voor o.a. bij Maerlant, die van Andromache (Troyen, vs. 5749) zegt:

 Andromaca weende ende versuchte
 Om die sake die sy vruchte.
 Dat rode blie (gelaatskleur), dat haer stont wale,
 Wert swert, bleec ende vale.

De uitdrukking dagteekent reeds uit de Middeleeuwen, blijkens Scaecspel, 47: Die een was van groten ellendighen hongher temael verzwertZie ook Mnl. Wdb. VII, 2499.. V. Moerk. 102: Daer is te eten, noch te breecken, sy sijn zwart van honger; Hooft, Ged. II, 335; Vondel, Sofomp. vs. 678; Olipodrigo, 79: Om haer wou hy honger lijden dat hy zwart wierd; Harreb. I, 323: Hij lijdt honger dat hij zwart wordt; II, 50 b: Hij is zwart van magerheid; Nest, 55: Reken er op, dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt; afrik. vaal van die honger wees; Rutten, 295: zwart van colereVgl. Schuermans, 897 b: hij werd zwart en blauw van gramschap; het hd. vor ärger schwarz werden (Grimm IX, 2303); en in het mhd.: si wart (van schrik) noch grüener danne ein gras., van dorst, van honger, van koude, fel gestoord zijn, grooten dorst hebben, enz.Is het toeval, dat men vroeger den zwarten doek, waarmede in de vasten het schilderwerk van het altaar bedekt wordt, den hongerdoek noemde?; Antw. Idiot. 1509: zwart zien van de kou, van honger, van magerheid. Vgl. fri.: swart fen meagerens wêze; eng. black fasting en het syn. scheel van (den) honger zien; Tuerlinckx, 273: grauw van honger zijn; Waasch Idiot. 121: blauw zien van honger.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut