Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

honderd - (100)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

honderd telw. ‘100’
Mnl. hundert ‘honderd’ [1240; Bern.], meestal hondert [1254; CG I, 67].
Oude samenstelling met de betekenis ‘honderd-tal’. Het eerste lid daarvan, namelijk pgm. *hunda-, duidde oorspr. wrsch. niet een vast aantal aan, maar slechts ‘een flinke hoeveelheid’ (Reuter 1933, 65, noot 2). Afhankelijk van het gehanteerde rekensysteem kon dat in de praktijk ‘100’ of ‘120’ zijn, dat laatste (traditioneel ook wel groothonderd genoemd) met name in het Oudnoords. De vorm *hunda-rada- kreeg op den duur de vaste waarde ‘100’.
Os. hunderod (mnd. hundert); mhd. hundert (nhd. hundert); ofri. hundred, hunderd; oe. hundred (ne. hundred); on. hundrað (nzw. hundra); < pgm. *hunda-rada-, gevormd uit *hunda- ‘100, 120’ en *rada- ‘(aan)tal’. Bij pgm. *hunda- horen: onl. chunna ‘100’ (geassimileerd uit *chunda) [8e eeuw; LS]; mnl. hond ‘landmaateenheid van 100 voet’ (ook nnl. nog hond als oude landmaat); os. hund (mnd., hunt); ohd. hunt (mhd. hunt); on. hund; got. hunda.
Pgm. *hunda- is verwant met: Latijn centum (zie → cent); Grieks hekatón; Sanskrit śatām; Avestisch satəm; Litouws šimtas; Oudkerkslavisch sŭto (Russisch sto, Tsjechisch sto); Oudiers cēt; Tochaars A/B känt(e); uit pie. *ḱmtóm ‘honderd’; oorspr. betekende dit wrsch. ‘tien tientallen’, als verkorting van *(d)ḱmtóm déḱmt letterlijk ‘tiende tien’, bij pie. *(dé)ḱmt- ‘tien’ zoals dat verschijnt in: Latijn -gintī, -gintā in de namen voor tientallen vīgintī ‘20’, trīgintā ‘30’ etc.; Grieks -konta in triā́konta ‘30’ etc.; en de Indo-Europese woorden voor ‘10’, zoals Latijn decem en pgm. *tehun, zie → tien.
Bij *rada- hoort in de eerste plaats got. raþjō ‘getal’ en garaþjan ‘tellen’; in de andere Germaanse talen heeft dezelfde stam geleid tot betekenissen die met ‘spreken, redeneren’ te maken hebben, zie → rede. Buiten het Germaans is o.a. Latijn ratio ‘berekening’ verwant, zie → ratio.
Lit.: Menninger 1958; O.S. Reuter (1933), ‘Zur Bedeutungsgeschichte des hundrađ im Altwestnordischen’, in: Arkiv för nordisk filologi 49, 36-67

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

honderd* [telwoord] {hondert 1236} oudsaksisch hund(erod), oudhoogduits hundert, oudfries, oudengels hundred, oudnoors hundrað, samenstelling van oudsaksisch, oudengels, gotisch hund, oudhoogduits hunt, buiten het germ. latijn centum (vgl. cent) + een tweede lid gotisch raþjo [rekening] (vgl. rede1). In de uitdrukking in het honderd werpen [in het wilde gooien] staat honderd voor een onbepaald groot aantal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

honderd mnl. hondert, os. hunderod, mhd. hunterit, hundert, ofri. oe. hundred, on. hundrað is een samenstelling van het onder hond 2 genoemde telwoord met een 2de element *raða, dat bij got. garaþjan’tellen’behoort (zie ook: rede).

Opmerkelijk is dat ondanks de idg. bet. 10 x 10, in het oudgerm. honderd 120 betekent, zoals in on. hundrað; daarom onderscheidde men naderhand een tīrætt hundrað = 100 van een tolfrætt hundrað = 120. Ook elders bestond de behoefte het getal 100 uitdrukkelijk aan te duiden, vgl. got. taihuntehund, ohd. zehanzug, zehanzo, oe. hundteontig, on. tīu tigir. ( vgl. Frings, Fryske Studzjes 1960, 7-39).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

honderd telw., mnl. hondert(d), evenals nnl. honderd ook znw. o. = mhd. hundert o. (nhd. hundert), os. hunderod o., ofri. hundred, hunderd o., ags. (eng.) hundred o., on. hundrað o. Het tweede lid, germ. *raða-, hoort bij got. (ga)raþjan “tellen” enz.: zie rede. Het eerste lid is germ. *χunða- o., got. hund (alleen mv.), ohd. hunt, os. ags. hund o. “honderd”, dat in ’t Ndl. nog bestaat als naam van een vlaktemaat: hond o., mnl. hont(d) o. Germ. *χunða- > idg. *kemtó- *ḱmtó-), waaruit ook ier. cêt, lat. centum, gr. he-katón, obg. sŭto (wsch. geen Iraansch leenwoord), lit. szim̃tas, oi. çatá- “ honderd”. Deze idg. vorm gaat op *dḱemtó-terug, is verwant met *deḱm (zie tien) en beteekent oorspr. “tiental (van tientallen)”. Voor den anlaut vgl. gr. triā́-konta “dertig”. In het vóór-christelijke On. beteekende hundrað alleen “120”, later onderscheidde men tusschen tolfrø̂tt hundrað “120” en tîrø̂tt hundrað “100”. Got. taíhuntehund, ohd. zëhanzug, zëhanzo, ags. hundtêontig, die evenals on. tîu tigir “100” beteekenen, wijzen er op, dat reeds oergerm. *χunða- = “120” en niet “100” was. De idg. bet. van *emtó- was echter “honderd”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

honderd, hond als landmaat reeds oudgents (hund: Mansion Oudg. Naamk. 190).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

honderd o. en bijv., Mnl. hondert, Os. hunderod + Ohd. hundert (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hundred (Eng. id.), Ofri. hundred, On. hundrađ: van Os. hund, Ohd. hunt, Ags. hund, Go. hund + Skr. çatam, Zend satǝm, Gr. he-katón Lat. centum, Oier. cét, Osl. sŭto, Lit. szim͂tas: Idg. *ḱṃtóm, verkort uit dḱṃtom = tiental (nl. van tienheden: z. tien). Germ. hund werd alleen gebruikt van 200 af; voor 100 had het Ohd., Ags., On. en Go. een vorming van tien, gelijk aan die van negen voor 90. De betrekking van honderd tot hund is niet duidelijk: voor de meesten is het een samenstelling van hund met *raþ = getal, reeks (van den wortel van rede); voor anderen is het een afleiding: hund = honderd — (Ohd.) hundari = afdeeling van honderd — *hunderod = honderdtal: vergel. Lat. centum — centuria — *centuriatum.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hoonderd (telw.) honderd; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) hondert, Vreugmiddelnederlands hundert <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

honderd: 100 (Arab.) of C (Rom.); Ndl. honderd (Mnl. hondert), Hd. hundert, Eng. hundred, eerste lid beantw. aan Oeng. en Got. hund en aan Lat. centum, Gr. (h)ekaton en Oind. satem (v. centumtale en satemtale), tweede lid hou verb. m. Got. (ga)raþjan, “tel”; vgl. verder WAT i.s. man/perd honderd, ens.; v. ook raad.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

honderd. In de verbinding bij gans honderd is honderd mogelijk een vervorming van wonden. Is zulks het geval, dan mogen wij er een bastaardvloek in zien van Gods heilige lijdenswonden. Op het moment dat men in honderd geen verbastering meer ziet van wond, maar er een telwoord in herkent, krijgt dat telwoord een soort versterkende functie dat een verdere uitbreiding kon ondergaan, zoals wij zien in gans guts hondert en twintigh. Andere bastaardvloeken met telwoorden zijn: gans honderden, pots honderd slapprementen; pots honderd twyntig luyster; wat honderd guldelingen. In deze laatste uitroepen, die niet verder reiken dan de 17de eeuw, heeft honderd uitsluitend een verhullende betekenis. Door zijn donkere klank kan honderd fungeren om op hol geslagen emoties beheersbaar te maken. Honderd doet ook dienst als versterker van duizend in de volgende bastaardvloeken c.q. uitroepen: honderd duizend schanden; honderd duizend duitsche duikers; honderd duizend françoysen. Honderd zoekt ook het gezelschap van geld: wat honderd guldelingen; bij honderd duizenden stuiveren. Als honderd echt als telwoord gebruikt wordt in vloeken, dient het om kenbaar te maken hoe vaak de vloek geldt. In het zuiden van ons taalgebied komt de bastaardvloek honderd zakken gort voor de nonnen voor, dat een omcirkelend substituut is voor godverdomme. In het hedendaags Nederlands (Van Eijk 1978: 80) komt als verwensing voor ik hoop dat je honderd wordt, maar dan vannacht nog! Deze hatelijkheid wordt in woede gebruikt en heeft de intentie om het slachtoffer van de verwensing duidelijk te maken dat hij geminacht wordt en zo snel mogelijk moet ophoepelen. → duizend, guldeling, stuiver, suiker.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Honderd (Os. hunderod, Oudnoorsch hundrath) is een samengesteld woord uit hond, dat op zich zelf reeds 100 bet., terwijl ’t tweede lid een afl. is van een w.w., dat tellen bet. (Got. rathjan), zoodat honderd feitelijk bet.: 100-tal. In onze taal is hond nog: 100 vierk. roeden, bijv. vijf hond haver; een hond land; polder: de Hond.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

honderd ‘telwoord’ -> Petjoh (kamer) nummer honderd ‘de wc’; Negerhollands hondert, honderd ‘telwoord’; Berbice-Nederlands hondrutu ‘telwoord’; Sranantongo hondro, hondru ‘telwoord’; Aucaans ondoo ‘telwoord’; Arowaks hundred ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

honderd* telwoord 1236 [CG I1, 25]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1658. Nummer honderd,

benaming van het heimelijk gemak, omdat dit in hotels op de deur veelal met het cijfer 100 gemerkt is; vertaling van het fr. numéro cent, le no. 100, waarin cent een woordspel is met den werkwoordsvorm sent van het ww. sentir, ruiken. Zie verder Tante Meijer .

935. In het honderd (- jagen, - sturen, - werpen),

d.w.z. in het wilde, in wanorde. Honderd is hier genomen in den zin van een groot aantal, een massa, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen in den grooten hoop jagen, enz. Werpt men iets in den grooten hoop, zonder een bepaalden persoon op het oog te hebben, dien men wil treffen, dan gooit men in het ruwe, in het wilde maar weg, zooals bij A. Bijns, Refr. 49: ‘Knaecht mijn beenken, die wilt; ic werpt int hondert al; diet aengaet, macht in sijn tessce steken’, dat te vergelijken is met Nieuwe Refr. 32: Dit werp ic int hoopken, deylet te samen; Leuv. Bijdr. IV, 330: Een beenken, dat ic int hoopken slingere; zie verder Hooft, Ned. Hist. 289: Men schiet of, plompverlooren in 't hondert; Winschooten, 294; Sart. II, 5, 7; Vondel's Roskam, 167:

'k Heb, ô doorluchtig Hoofd der Hollandsche poëeten!
Een kneppel onder een hoop hoenderen gesmeten;
'k Heb wetens niemant in 't bijzonder aangerand.

Leeuwendalers, vs. 861:

Maer nu komt Goverts knecht zoo wijt,
Dat hy moedtwillighlijck een' eicken kneppel smijt
In 't hondert, in den hoop, daer al de hoenders picken
De boeckweite op mijn werf.

Zoo kon in 't honderd ook bij andere werkwoorden gebruikt worden in den zin van in het wilde, als bijv. iets in 't honderd sturen, jagen; zoo kan ook iets in 't honderd loopen syn. van in de gort loopen en kan men in 't honderd schermen, praten, beweren, d.i. in de lucht, in den wind, in het wilde schermen (Harreb. III, 229 b). Vgl. nog Ndl. Wdb. VI, 911-912; Ons Volksleven VIII, 229; Antw. Idiot. 570: in 't honderd laten loopen, in 't wild laten loopen, er niet naar omzien, niet verzorgen; hd. ins wilde Hundert streichen (Wander II, 902); fri. in 't hounderd stjure.

2482. Vrienden in den nood, honderd in een lood

d.w.z. in den nood zijn de vrienden meestal van weinig gewicht, van weinig waarde; goede vrienden zijn dan zeldzaam. Vgl. Ovidius, Tristia I, 9, 5: Donec eris felix, multos numerabis amicos, tempora si fuerint nubila, solus eris; Scaecspel, 74: Tempore felici multi numerantur amici, dum fortuna perit nullus amicus erit. Het spreekwoord komt voor bij Cats I, 507: Vrienden in der noot vier-en-twintigh in een loot; De Brune, 36: Goede vrienden in de noot, vierendertigh in een loot; 38: Vrienden in der vrienden nood, vier en twintigh in een loot; Tuinman II, 216; Harrebomée II, 35; Ndl. Wdb. VIII, 2712; Wander I, 1184: Freunde in der Noth gehen fünff und zwentzig (fünffzig) auf ein loth; ital. borsa serrata, amico non si trova. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1406: vrinden in den nood, vijf en zestig in één lood. Dit laatste woord biedt zich van zelf aan door het rijm.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

1. ar*, themat. (a)re-, schwere Basis arǝ-, rē- und i-Basis (a)rī̆-, rēi- ‘fügen, passen’, mehrfach und vielleicht ältest vom planmäßigen Aufeinanderlegen beim Holzbau (auch Steinbau?? Meringer IF. 17, 124) und vom Aufstapeln von Hölzern, aber auch vielfach auf geistiges Zurechtlegen, Berechnen übertragen. Ausführlich bes. Persson Beitr. 632 f., 666, 741 f., 856. (entweder aus dem i̯o-Präs. *(a)rē-i̯ō entwickelt oder ursprünglich, so daß *(a)rē- vorkonsonantische Entwicklung daraus)
1) E.-M. 74 will wegen arm. eri ‘Bug, Schulter von Tieren’, y-eriurel ‘anpassen’ eine Grundform *er- postulieren. Aber arm. eri geht nach Liden Mél. Pedersen 88 f. auf idg. *rēito-, *rēiti zurück! Vgl. Trautmann 242.

Av. arānte ‘sie setzen sich fest, bleiben stecken’, ai. ará-ḥ ‘Radspeiche’, aram, álam Adv. (áraṃkar-, alaṃkar ‘zurechtmachen’ und ‘dienen’, wozu wohl аrа-tí- ‘Diener’ und rā-tí- ‘bereitwillig’, av. rāiti ‘dienstwillig, Diener’) ‘passend, genug’, av. arǝm ‘passend, entsprechend’ (arǝ̄m-piθwā ‘Mittag’ = ‘die zum Mahle passende Zeit’, woneben ra-piθwā ds. mit schwundstufigem ra- neben *ara-, wovon arǝm Adv., Bartholomae Airan. Wb. 189, 1509), ratu- m., ‘Richter, Schiedsrichter’ und ‘Zeitraum’ (gemeinsame Grundbedeutung etwa ‘Zurechtlegung’, woraus ‘Zurechtlegung des Rechts’ und ‘richtiger Zeitpunkt’); ai. ar-p-áyati ‘steckt hinein, befestigt’; über hett. ḫar-ap- (ḫarp-) ‘hinstellen’? vgl. Couvreur Ḫ 114 f.;
arm. aṙnem ‘mache’, y-ar ‘consentaneo, congiunto, contiguo, appresso’ (arar ‘hat gemacht’ = gr. ἄραρε), wovon yarem ‘aggiungere, congiungere’ (Bugge KZ. 32, 21), č̣ar ‘schlecht’ mit negativem č̣ [= oč̣] ‘nicht passend’ (Bugge aaO. 23);
gr. ἀραρίσκω, Perf. ἄρᾱρα ‘füge zusammen’, ἄρμενος ‘angefügt, passend’, ὄαρ ‘Gattin’ (wohl nach Brugmann IF. 28, 293, Schwyzer Gr. Gr. I 434 hierher mit Präf. *o-, kaum zur Wz.*ser- oder Wz. *u̯er-, ἀ-ϝείρω); dazu ὀαρίζω ‘habe vertrauten Umgang’; auch ‘plaudere vertraulich’; χαλκο-άρας ‘erzgefügt, gepanzert’, auch χερι-άρας τέκτων Pind., ἄρ-θρον ‘Glied, Geleuk’, ἀρθμός ‘Verbindung, Freundschaft’, ἄρθμιος ‘vereint’; mit t-Suffixen homer. δάμ-αρ-τ- ‘Hausfrau’ (‘die des Hauses Waltende’), äol. δόμορτις Hes.; πυλάρτης ‘Hades als Verschließer des Unterweltstores’ (Schwyzer Gr. Gr. I 451, 5); ἀρε- in ἀρέσκω ‘gleiche aus, mache gut, befriedige’, ἀρέσκει μοι ‘es paßt, gefällt mir’, ἀρέσκεσθαι, ἀρέσσασθαι ‘sich verständigen, einig werden mit jemandem; sich geneigt machen, versöhnen’, ἀρετή ‘Tüchtigkeit’, ἀρείων ‘besser’ (in Beziehung steht wohl ἀρι- ‘sehr’ in Kompositis, womit Reuter KZ. 31, 594a 1 auch ai. ari-gūrtá-, -ṣ̌tutá- als ‘eifrig gepriesen’ vergleichen möchte; unsicher wegen gr. ἐρι- ‘sehr’ s. Boisacq s. v., oben S. 24 Anm.); ἄριστος ‘besser, best’, ἀριστερός ‘links’.
Mit Dehnung θυμ-ήρης ‘wohlgefällig’, ὅμηρος ‘Gatte; Geisel, Unterpfand’, ὁμηρέω ‘treffezusammen’; nach Birt Philol. 87, 376 f. wäre ῎Ομηρος eigentl. ‘Begleiter, der Blinde, der mit seinem Führer geht’.
Aus dem Slav. vielleicht poln. ko-jarzyć ‘knüpfen, verbinden, vereinigen’ (z. B. Miklosich EWb. 100, Berneker 31, 532).
Über das vielleicht verwandte gr. ἄρα, lit. ir̃ s. 4. ar ‘nun, also’.
Toch. A ārwar, В ārwer, ārwar ‘bereit’, А аräm, В ere ‘Gesicht’ (vgl. lat. figura). Van Windekens BSL. 41, 56, Duchesne-Guillemin ebenda 173.
t-Bildungen: r̥t-, art- ‘zusammengefügt’.
Ai. r̥tá- n. ‘passend, recht’, r̥tám n. ‘wohlgefügte, heilige Ordnung’ (zur Bed. s. Oldenberg GGN. 1915, 167-180; nicht ‘Opfer’), r̥tēna ‘rite’, av. arǝta-, ǝrǝta- n., apers. arta- (in Kompos.) ‘Gesetz, Recht, heiliges Recht’, av. aša- u., ‘was recht, wahr ist’, ai. r̥tāvan(t)- ‘ordnungsgemäß, gerecht’, av. ašā̆van/t/-; ai. r̥tú-ḥ ‘bestimmte Zeit, Ordnung, Regel’, r̥tí-ḥ f. ‘Art, Weise’ (zu unserer Wz. nach Kluge PBrB. 9, 193; s. auch Meringer IF. 17, 125, B. Geiger WZKM. 41, 107), av. aipi-ǝrǝta- ‘bestimmt, fest zugewiesen’;
arm. ard, Gen. -u (= gr. ἀρτύς, lat. artus, -ūs, vgl. auch oben ai. r̥tú-ḥ) ‘struttura, costruzione, ornamento’ (Hübschmann Arm. Gr. I 423, Bugge KZ. 32, 3), z-ard ‘apparatus, ornatus’; ard ‘soeben, jetzt’ (= gr. ἄρτι) (Bartholomae Stud. II 23, Bugge aaO., Meillet Esquisse 36), ardar ‘gerecht’ (Hübschmann Arm. St. I 21, Arm. Gr. I 423; PerssonBeitr. 636 a 2 erwägt dafür auch idg. dh; vgl. av. arǝdra- ‘getreu, zuverlässig, glaubenstreu, fromm’ und die anderen unten genannten dh-Ableitungen), ardiun ‘struttura (Pedersen KZ. 40, 210);
gr. ἁμαρτή ‘gleichzeitig’ (Instr. eines *ἁμ-αρτός ‘zusammengefügt, zusammentreffend’), ὁμ-αρτέω ‘schließe mich an jemanden an, begleite’ (auf Grund eines *ὅμ-αρτος); ti-St. in ἀρτι-ϝεπής (‘des Wortgefüges kundig’), ἀρτί-πο(υ)ς ‘mit gesunden Füßen’, ἀρτί-φρων ‘mit fest(gefügt)em Verstande’ (vermutlich auch in ἄρταμος ‘Schlächter; Mörder’, wovon ἀρταμέω ‘schlachte, zerstückle’, nach J. Schmidt Krit. 83 f. aus *ἀρτι- oder allenfalls *ἀρτοταμος ‘kunstgerecht zerschneidend’, vgl. ai. r̥ta-nī- ‘richtig führend’, r̥ta-yuj ‘richtig eingeschirrt’); wohl auch ἀρτεμής ‘frisch und gesund’, vеrmutlich dissimiliert aus *ἀρτι-δεμής zu δέμας ‘mit wohlgefügtem Körper’; ἄρτι ‘eben, gerade’ von der Gegenwart oder nächsten Vergangenheit (vgl. oben arm. ard ‘soeben, jetzt’ und ard-a-cin ‘neugeboren’ wie gr. ἀρτι-γενής; morphologisch noch nicht ganz klar, vielleicht Lokativ); ἀπ-αρτί ‘genau, gerade’, ἄρτιος ‘angemessen, gerade, vollkommen’, ἀρτιάζω ‘spiele gerade oder ungerade’, ἀρτίζω ‘mache fertig, bereite’, ἄρσιον· δίκαιον Hes., ἀνάρσιος ‘feindlich’, ἐπαρτής ‘gerüstet’;
ἀρτύν· φιλίαν καὶ σύμβασιν, ἀρτύς· σύνταξις (= lat. artus) Hes., ἀρτύω, ἀρτύνω ‘füge zusammen, bereite’, ἀρτύ̄νας, ἄρτῡνος, ἀρτῡτήρ Beamtentitel von Argos, Epidauros, Thera.
Lat. artus ‘eng in Raum und Zeit, straff’ (Adv. artē, ursprüngl. Instrumental wie ἁμαρτή); ars, -tis ‘die Geschicklichkeit, Kunst, Art und Weise’ (eigentlich ‘Zusammenfügung, Gabe richtig zusammenzufügen’ = mhd. art), dazu die Komposita in-ers ‘kunstlos, träge’, soll-ers ‘geschickt’, allers, alers ‘gelehrt’; artiō, -ire ‘fest zusammenfügen, zusammenpressen’ (jünger artāre); artus, -ūs ‘Gelenk, Glied’, articulus ‘ds.; Augenblick, Wendepunkt’;
lit. artì ‘nahe’ (Lok. des ti-St.);
mhd. art f. ‘Art und Weise’, anord. ein-arđr ‘einfach, aufrichtig’, einǫrd ‘Zuverlässigkeit’;
toch. В ar(t)kye ‘reich, wertvoll’ (?).
m-Bildungen:
A. Von der leichten Basis ar-.
Arm. y-armar ‘passend, angemessen’ (Bugge KZ. 32, 21);
gr. ἁρμός ‘Fuge, Zusammenfügung, Gelenk’, ἁρμοῖ ‘eben, jüngst’ (ἁρμόζω ‘verbinde, füge zusammen, passe an, ordne’, ἁρμονία ‘Verbindung, Bund, Ebenmaß, Einklang’), ἅρμα ‘Wagen’ (über den ‘ dieser Worte s. Sommer Gr. Lautst. 133, Meillet BSL. 28, c.-r. 21 f. [*arsmo-?], Schwyzer Gr. Gr. I 306; weitere Lit. bei Boisacq 79), ἁρμαλιά ‘zugeteilte Nahrung, Proviant’;
lat. arma, -ōrum ‘Gerätschaften, Rüstzeug, Waffen’, armentum ‘Rudel von Pferden oder Rindern’.
Darau klingt an anord. jǫrmuni ‘Rind, Pferd’ und die PN got. *Aírmana-reiks, ags. Eormenrīc, aisl. Jǫrmunrekr, mhd. Ermenrīch; dasselbe erste Glied zur Bezeichnung von etwas großem auch z. B. in Ermunduri ‘Großthüringer’, anord. jǫrmungrund ‘die weite Erde’ = ags. eormengrund, ahd. irmindeot, as. Irmin-sūl, und in der Kurzform Herminones. Doch bestreitet Brückner KZ. 45, 107 mit Recht, daß ‘Großvieh’ die ursprüngliche und ‘groß’ die daraus abgeleitete Bed. sei und entscheidet sich umgekehrt für ‘groß, erhaben’ als Ausgangspunkt wegen slav. raměnъ ‘gewaltig, stark, heftig, plötzlich’ (ob hierher lit. er̃mas ‘Ungeheuer’, lett. ęr̃ms ‘Affe, Possenreißer, wunderliche Erscheinung’?), das als ‘emporgeschossen’ zu *er-, *or- (orior usw.; vgl. formell ὄρμενος), nicht als ‘festgefügt, massiv’ zu *ar- ‘fügen’ gehört.
Aksl. jarьmъ ‘Joch’ (z. B. Miklosich EWb. 100, Berneker 31), sloven. jérmen ‘Jochriemen, Riemen’; mit schwundstufigem Anlaut und themat. Vokal: aksl. remenь, serb. rȅmēn usw. ‘Riemen’; Specht Dekl. 149 f.
Toch. В yarm, AB yärm ‘Maß’.
В. Von der schweren Basis аrǝ-mo-: r̥̄-mo- ‘Arm’.
Ai. īrmá-ḥ ‘Arm, Vorderbug’ (ursprüngl. ‘Achselgelenk’, vgl. ἄρθρον, lat. artus) = av. аrǝmа- ‘Аrm’, osset. ärm ‘hohle Hand’, älm-ärịn, ärm-ärịn ‘Ellenbogen’, lat. armus ‘der oberste Teil des Oberarms, Schulterblatt, bei Tieren der Vorderbug’ (aus *ar/ǝ/mos), gall. aramō ‘Gabelung’, *aramones ‘Schеrenarme der Deichsel’ (Wartburg I 119, Jud bei Howald-Меуеr Röm. Schweiz 374 ff.), apr. irmo f. ‘Arm’, lit. ìrmėdė (‘Armfraß’, d. i.:) ‘Gicht in den Gelenken’, irm-liga ‘Gicht’ (s. Trautmann Apr. 347); hochstufig lit. žem. Pl. tant. armaĩ ‘Vorderarm am Wagen’ (ibd.), aksl. ramo, ramę, serb. rȁme ‘Schulter’, got. arms, ahd. usw. arm ‘Аrm’, аrm. armukn ‘Ellenbogen’ (Hübschmann Arm. Stud. I 21).
Wzf. rē-, rǝ-:
Lat. reor, rērī ‘berechnen, meinen, dafürhalten’ (das primitivste Zählen wird vom Aufeinanderlegen oder -schichten der zu zählenden Stücke begleitet), Partiz. ratus ‘in der Meinung’, aber auch ‘berechnet, bestimmt, gültig, rechtskräftig’, ratiō ‘Berechnung, Erwägung, Vernunft, Beweggrund, Grund’; nach EM. 793 hierher (prō)portiō aus portiōne =prō ratiōne;
got. *garaþjan (nur Partiz. garaþana) ‘zählen’, an. hundrađ, nhd. Hundert (*rađa n. ‘Zahl’ = lat. rătum; s. Fick III4 336); ahd. girad ‘gerad (nur von Zahlen)’, nhd. gerad (nur von durch 2 teilbaren Zahlen; verschieden von gerad = geradeaus), mit neuem Ablaut anord. tī-rø̄đr eigentlich ‘nach Zehnern gezählt’ (Fick III4 336); got. raþjō ‘Zahl, Rechnung, Rechenschaft’, as. rethia ‘Rechenschaft’, ahd. radja, redea ‘Rechenschaft, Rede und Antwort, Rede, Erzählung’, afries. birethia ‘anklagen’, as. rethiōn, ahd. red(i)ōn ‘reden’ (die genaue Übereinstimmung von raþjō mit lat. ratio bestimmt z. B. Kluge11 s. v. ‘Rede’ zur Annahme von Entlehnung des germ. Wortes unter Einfluß von garaþian; richtiger scheint mir Falk-Torp 886 raþjō als primäre -i̯ōn-Ableitung von der germ. Wz. *raþ-[garaþjan] zu bestimmen).
Ob hierher auch anord. rǫđ ‘Reihe, bes. dem Strande entlang ziehende Erhöhung’, mnd. rat f. ‘Reihe’? (Fick III4 337; ‘Reihe’ als ‘aneinander Gefügtes, Geschichtetes’?).
Ahd. rāmen ‘nach etwas trachten, streben, zielen’, as. rōmon ‘streben’, mhd. mnd. rām ‘Ziel’ kann als ‘geistig zurechtlegen, berechnen’ unserem *rē- zugehören, wenn auch dabei das (erst jünger belegte) Subst. rām als Bildung mit Formans -mo- der Ausgangspunkt gewesen sein muß.
dh-Erweiterung rē-dh-, rō-dh-, rǝ-dh-:
Ai. rādhnṓti, rā́dhyati ‘macht (passend) zurecht, bringt zustande; gerät, gelingt, hat Glück womit; befriedigt, gewinnt jemanden’, rādhayati ‘bringt zustande, befriedigt’, rādha-ḥ m., rādhaḥ n. ‘Segen, Gelingen, Wohltat, Gabe, Freigebigkeit’, av. rāδaiti ‘macht bereit’, rāδa- m. ‘Fürsorger’, rādah- n. ‘Sichbereitstellen, Bereitwilligkeit (in religiöser Hinsicht)’, apers. rādiy (Lok. Sg.) ‘wegen’ (vgl. aksl. radi s. unten), npers. ārāyad, ārāstan ‘schmücken’; air. imm-rādim ‘überlege, überdenke’, аcуmr. amraud ‘mens’, ncymr. amrawdd ‘Gespräch’ mit ders. Bed. wie air. no-rāidiu, no-rādim ‘sage’, mcymr. adrawd ‘erzählen’ und got. rōdjan, anord. rø̄đa ‘reden’ (vgl. auch oben nhd. Rede, reden; no-rāidiu und rōdjan setzen, wie sl. raditi, ein kaus.-iter. *rōdhei̯ō fort); got. garēdan ‘worauf bedacht sein, Vorsorge treffen’, urrēdan ‘urteilen, bestimmen’ (vgl. zur Bed. bes. lat. rērī), undrēdan ‘besorgen, gewähren’, ahd. rātan ‘raten, beratschlagen, worauf sinnen, anstiften, deuten (Rätsel), auffordern, wofür sorgen, verschaffen’, as. rādan, anord. rāđa, ags. rǣdan (letzteres auch ‘lesen’, engl. read), Subst. ahd. rāt m. ‘vorhandene Mittel, Rat, Ratschlag, Überlegung, Entschluß, Absicht, Vorsorge, Vorrat’, ähnlich as. rād, anord. rād, ags. rǣd; aksl. raditi ‘sorgen’ (serb. rȃdȋm, ráditi ‘arbeiten, trachten’, rad ‘Geschäft, Arbeit’; s. Uhlenbeck KZ. 40, 558 f.), radi ‘wegen’, woneben *rǝdh- in aksl. nerodъ ‘Vernachlässigung’, sloven. rǫ́dim, rǫ́diti ‘sorgen, sich kümmern’.
Wzf. (a)rī̆-, rēi- (s. Person Wzerw. 102, 162, 232; Beitr. 741):
Gr. ἀραρίσκω (wenn nicht Neubildung, s. oben S. 56), ἀριθμός ‘Zahl’, νήριτος ‘ungezählt’, arkad. ἐπάριτος ‘ἐπίλεκτος, auserlesen’, ἀριμάζει· ἁρμόζει Hes.; lat. rītus, -ūs ‘hergebrachte Art der Religionsübung, Gebrauch, Sitte, Gewohnheit, Art’, rīte ‘in passender Art, nach dem rechten religiösen Gebrauch’ (Lok. eines neben rī-tu-s liegenden kons. St. *rī-t-); air. rīm ‘Zahl’, āram (*ad-ri-mā) ds., do-rīmu ‘zähle’, cymr. rhif ‘Zahl’, anord. rīm n. ‘Rechnung, Berechnung’, as. unrīm ‘Unzahl’, ags. rīm n. ‘Zahl’, ahd. rīm m. ‘Reihe, Reihenfolge, Zahl’ (die Bed. ‘Vers, Reim’ von anord. und mhd. rīm wohl nach Kluge10 s. v. Reim aus frz. rime, das aus rythmus herzuleiten ist).
Vielleicht ist auch *rēi- ‘Sache’ (lat. rēs usw.) nach Wood ax 226 anzureihen als Wznomen der Bed. ‘aufgestapeltes Hab und Gut’.
Dazu wahrscheinlich als dh-Erweiterung rēi-dh- (vgl. oben rē-dh- neben rē-):
Got. garaiþs ‘angeordnet, bestimmt’, raidjan, garaidjan ‘verordnen, bestimmen’, anord. g-reiđr ‘bereit, leicht, klar’, greiđa ‘auseinanderwickeln, ordnen, zurechtlegen, zustande bringen, entrichten, zahlen’, mhd. reiten ‘zurüsten, bereiten, zählen, rechnen, berechnen, bezahlen’, reite, gereite, bereite, ahd. bireiti ‘bereit’, antreitī ‘series, ordo’, lett. riedu, rizt ‘ordnen’, raids ‘bereit, fertig’, ridi, ridas ‘Gerät, Kram’.
Ganz fraglich ist die von Persson aaO. erwogene Zugehörigkeit von aksl. orądije ‘apparatus, instrumentum’ (nicht aus ahd. ārunti ‘Botschaft’ entlehnt, s. Pedersen KZ. 38, 310), rędъ ‘Ordnung’, lit. rínda ‘Reihe’, lett. riñda ‘Reihe, Zahl’. Unter der Voraussetzung, daß diese idg. d, nicht dh fortsetzen (*re-n-d-), reiht man (z. B. Fick I4 527, Pedersen aaO., s. auchEM. 711) auch die folgende Sippe an: ὀρδέω ‘lege ein Gewebe an’, ὀρδικόν· τὸν χιτωνίσκον. Πάριοι, ὄρδημα· ἡ τολύπη τῶν ἐρίων Hes., lat. ōrdior, -īrī, ōrsus sum (aus der Webersprache, Bréal MSL. 5, 440) ‘anzetteln, anreihen, anfangen, beginnen’, exōrdior ‘zettle ein Gewebe an’, redōrdior ‘hasple ab’, ōrdo, -inis ‘Reihe, Ordnung’ (auch umbr. urnasier scheint = ordinariis zu sein, Linde Glotta 3, 170 f.; anders Gl. 5, 316), Trifft der Zusammenhang mit ar- ‘fügen’, das dann auch von der Weberei gebraucht gewesen wäre, zu (Persson Wzerw. 26, Thurneysen Thes. unter artus, -ūs), so wäre der Vokal von *or-d-ei̯ō als Kausativ-Iterativ-Vokalismus zu rechtfertigen.
Noch fraglicher ist, ob nach Reichelt KZ. 46, 318 als k-Erweiterungen der Basen arǝ-, ar- mit derselben Anwendung auf die Weberei auch anzureihen seien:
Gr. ἀράχνη ‘Spinne’, lat. arāneus ‘zur Spinne gehörig’, arānea, -eus ‘Spinne’ (*arǝ-k-snā; der Wortausgang zu *snē- ‘nere’ als ‘Netzspinnerin’?); angeblich dazu (Walter KZ. 12, 377, Curtius KZ. 13, 398) gr. ἄρκυς ‘Netz’, ἀρκάνη· τὸ ῥάμμα ᾡ τὸν στήμονα ἐγκαταπλέκουσιναἱ διαζόμεναι Hes. (s. auch Boisacq 79), wozu nach Bezzenberger BB. 21, 295 lett. er’kuls ‘Spindel; Wickel von Heede zum Spinnen’ (das für *arkuls stehen kann). Lidén IF. 18, 507 f. stellt besser ἄρκυς zu slav. *orkyta, serb. ràkita ‘Rotweide’ und lett. ẽrcis, gr. ἄρκευθος ‘Wacholder’ als Sträuchern mit zum Flechten verwendbaren Zweigen.

WP. I 69 ff., WH. I 69, 70, Trautmann 13 f.S. unten arqu- und erk-.

dek̑m̥, dek̑m̥-t, dek̑u- ‘zehn’, Ordinale dek̑emo-s, dek̑m̥to-s

Ai. dáśa, av. dasa; arm. tasn (nach Meillet Esquisse 42 aus *dek̑-, wie russ. (tri)dcatь ‘30’ aus (tri-)dьseti), gr. δέκα, lat. decem (dēnī ‘je zehn’ aus *dek-noi; PN Decius = osk. Dekis, Gen. Dekkieis), osk. deketasiúí, Nom. Pl. degetasiús ‘curatores decimarum’ (*deken-tāsio-), umbr. desen-(duf) ‘duo-decim’, air. deich, cymr. deg, corn. bret. dek, got. taíhun (-n wie in sibun, niun), an. tiu, ags. tien, tyn, as. tehan, ahd. zehan (a wohl aus den Kompositis, Brugmann II 2, 18), toch. A śäk, B śak; finn. deksan ‘10’ ist nach Jokl Pr. ling. Baudouin de Courtenay 104 aus dem Idg. entlehnt).
Auf das Zahlsubstantiv dek̑m̥-t(i), eigentl. ‘Dekade’, gehen zurück:
ai. daśat-, daśati- f. ‘Dekade’, alb. djetë, gr. δεκάς, -άδος (zum α s. Schwyzer Gr. Gr. I 498, 597), got. táihun-tēhund ‘hundert’ (eigentlich ‘zehn Dekaden’), anord. tiund f. ds., apreuß. dessīmpts ‘zehn’, lit. dẽšimt, alt dẽšimtis, lett. alt desimt, metath. desmit, alt desmits (vgl. desmite m. f. ‘Zehner’); aksl. desętь (kons. Stamm auf -t, Meillet Slave comm.2 428);
dek̑u- wohl in lat. decuria ‘Zehntschaft’ (daraus entlehnt nhd. Decher ü.. ‘zehn Stück’; spätlat. *teguria wird durch schweiz. Ziger ‘zehn Pfund Milch’ vorausgesetzt; wohl mit mhd. ziger ‘Quark’ identisch) = umbr. dequrier, tekuries ‘decuriis, Fest der Dekurien’; vgl. osk.-umbr. dekvia- in osk. (vía) Dekkviarim ‘(viam) Decurialem’, umbr. tekvias ‘decuvias’; dazu wohl germ. *tigu- ‘Dekade’ in got. fidwor-tigjus ‘40’, aisl. fjōrer-tiger, ags. fēower-tig, ahd. fior-zugds. Ältere Erklärungen bei WH. I 327 f. und Feist 150. S. auch unten unter centuria u. Kluge11 unter Decher.
Ablautendes (d)k̑m̥t- (Dual), (d)k̑ō̆mt- (Plur.) in den Zehnerzahlen (nur die Bildungen bis 50 sind als idg. nachweisbar), z. B. ai. triṃśát ‘30’, av. θrisąs, arm. ere-sun, griech. τριά̄κοντα (aus *-κωντα; Näheres bei Schwyzer Gr. Gr. I 592), lat. tri-gintā (mit unerklärtem g), gallo-lat. Abl. Pl. TRICONTIS, air. trīcho (mit ī nach trī ‘3’), bret. tregont (*tri-k̑omt-es), acymr.trimuceint (in der Endung nach uceint ‘20’); s. auch unter u̯ī̆-k̑m̥tī̆ ‘20’.
Ordinale dek̑emo-s und dek̑m̥-to-s:
dek̑emo-s in ai. daśamá-ḥ, av. dasǝma-, osset. däsäm; lat. decimus, davon decumānus ‘zum Zehnten gehörig’, später ‘ansehnlich’, osk. Dekm-anniúís*Decumaniis’, vgl. auch EN Decumius, daraus entl. etr. tecumnal, rücklatinisiert Decumenus; gall. decametos, air. dechmad, mcymr.decvet, corn. degves.
dek̑m̥-to-s in gr. δέκατος (s. auch Schwyzer Gr. Gr. I 595); got. taíhunda, anord. tīunda, ahd. zehanto, zehendo, ags. teogeða; apreuß. dessīmts, lit. dešim̃tas, lett. desmitais, älter desimtaiš; aksl. desętь; toch. A śkänt, B śkante, śkañce (einzelsprachlich arm. tasn-erord, alb. i-dhjetë);
Hierher k̑m̥tóm ‘hundert’ aus *(d)km̥tóm ‘(Zehner)dekade’:
ai. śatám, av. satǝm (daraus finn. sata, krimgot. sada);
gr. ἑκατόν, ark. ἑκοτόν (aus dissimil. *sém k̑m̥tom ‘ein Hundert’? Vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 592 f.), ein kürzeres *κατον in *τετρά-κατον usw. (in τετρακάτιοι τετρακόσιοι, 400’, ‘400heitliche’);
lat. centum (dazu ducentum, ducentī ‘200’, vgl. ai. dvi-śatam aus *du̯i-k̑mtóm; trecentī ‘300’, quadringentī ‘400’, usw.; centēsimus ‘der hundertste’ nach vīcēsimus, trīcēsimus aus*u̯ei-, *trī-k̑m̥t-temo-s);
air. cēt, cymr. cant, bret. kant, corn. cans;
got. as. ags. hund, ahd. hund ‘100’ (in Kompositis von 200 ab), aber an. hund-rað (zu got. raþian ‘zählen’) ‘Großhundert’ (‘120’), daraus ags. hundred; mhd. nhd. hundert aus as. hunderod;
lit. šim̃tas, lett. sìmts;
aksl. usw. sъto ist kaum iran. Lw. (Meillet Slave commun.2 63);
toch. A känt, B känte.
Dazu eine r-Ableitung in lat. centuria f. ‘Hundertschaft’ (wie decuria), an. hundari, ahd. huntari n. ‘Hundertschaft, Gau’, abg. sъtorica ds., lit. šimteriópas ‘undertartig’, šimtér-gis ‘hundertjährig’.

WP. I 785 f., WH. I 200 f., 327 ff., 859, Feist 150, 471 f., Trautmann 53, 305.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal