Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hondenlul - (penis van een hond)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hondenlul: onbekwaam, verachtelijk persoon. Dit scheldwoord is vooral populair in de voetbalsport. Beslissingen van de scheidsrechter worden door supporters vaak onthaald op de kreet hi ha hondenlul. In de tweede helft van de vorige eeuw werd dit nog als asociaal ervaren. Piet Romeijn, de rechtsback van Feyenoord, zou volgens sommige bronnen de eerste geweest zijn die een scheidsrechter hondenlul noemde, nl. op 7 december 1969, tijdens de wedstrijd Feyenoord-FC Twente. Romeijn verdedigde zich door te zeggen dat hij ‘onbenul’ had geroepen. Een boete van 350 gulden was echter zijn deel. Toch zetten oudere vindplaatsen van dit scheldwoord die stelling op losse schroeven. Mogelijk is hondenlul afkomstig uit Delftse studentenkringen. Een vergelijkbaar invectief is hondenpiemel*. In de jeugdtaal van de jaren tachtig is ook afgelikte hondenlul niet ongewoon (vermeld door o.a. Laps).

De klucht in Delft moet voor NBB toch eindelijk een reden worden, overal voor neutrale jurering te zorgen. En ook de scheidsrechters dienen meer beschermd te worden. Het gaat te ver, zoals veel in Delft gebeurt, dat de arbiters de weinig academische gescandeerde kreet ‘scheidsrechter hondelul’ moeten aanhoren. Voor de scheidsrechters is een wedstrijd in Delft op de Technische Hogeschool dan ook weinig aantrekkelijk. (NRC Handelsblad, 06/10/1969)
‘Hondelul!’ riep een jongen, maar toen we naar hem omkeken, dook hij weg. (Simon Carmiggelt: Brood voor de vogeltjes, 1974)
En ook de tyfus, kale neet, he kankerlijer lik me reet, langharig tuig, stuk onbenul, subtiele slijmerd, hondelul. (Robert Long, Beschaafde Tango, 1977)
Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

hondenlul, klootzak. Dit slang-scheldwoord is vooral populair in de voetbalsport. Supporters bedenken de scheidsrechter vaak met de kreet hi ha hondenlul. Piet Romeijn, de Feyenoord-back, was de eerste die een scheidsrechter hondenlul noemde.

Langharig tuig, stuk onbenul, syfilislijder, hondelul. (Robert Long: Beschaafde Tango, 1977)
Als je moe bent, schuifel je maar naar huis; hondelullen zat. (Boudewijn Büch: Links, 1986)
Het zou chic van De Waal zijn geweest wanneer hij de weigering gehonoreerd zou hebben. Dat deed de hondelul niet... (Nieuwe Revu, 02/11/89)
In 1981, tijdens de wedstrijd Utrecht-Twente, keurde Van Swieten een doelpunt van de thuisclub af wegens buitenspel en werd hij door het publiek uitgemaakt voor ‘hondelul’ — een verademing. (HP/De Tijd, 13/05/94)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal