Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hond - (landmaat van 100 roeden)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hond2* [landmaat van 100 roeden] {hont 1130-1161} van honderd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hond 2 znw. o. ‘landmaat ter grootte van 100 roeden is eig. het woord voor ‘honderd’, vgl. os. hund, ohd. hunt, oe. got. hund. — lat. centum, gr. hekatón, oiers cēt, oi. śata-, osl. sŭto, lit. šim̃tas, toch. A känt, B känte. Idg. grondvorm *kṃtom, dat waarsch. < *(d)ḱṃtom ontstaan is en dan een afleiding van *deḱṃ ‘tien’. Dus een ‘tiental van tien’. (IEW 192). — Zie ook: honderd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

honderd telw., mnl. hondert(d), evenals nnl. honderd ook znw. o. = mhd. hundert o. (nhd. hundert), os. hunderod o., ofri. hundred, hunderd o., ags. (eng.) hundred o., on. hundrað o. Het tweede lid, germ. *raða-, hoort bij got. (ga)raþjan “tellen” enz.: zie rede. Het eerste lid is germ. *χunða- o., got. hund (alleen mv.), ohd. hunt, os. ags. hund o. “honderd”, dat in ’t Ndl. nog bestaat als naam van een vlaktemaat: hond o., mnl. hont(d) o. Germ. *χunða- > idg. *kemtó- *ḱmtó-), waaruit ook ier. cêt, lat. centum, gr. he-katón, obg. sŭto (wsch. geen Iraansch leenwoord), lit. szim̃tas, oi. çatá- “ honderd”. Deze idg. vorm gaat op *dḱemtó-terug, is verwant met *deḱm (zie tien) en beteekent oorspr. “tiental (van tientallen)”. Voor den anlaut vgl. gr. triā́-konta “dertig”. In het vóór-christelijke On. beteekende hundrað alleen “120”, later onderscheidde men tusschen tolfrø̂tt hundrað “120” en tîrø̂tt hundrað “100”. Got. taíhuntehund, ohd. zëhanzug, zëhanzo, ags. hundtêontig, die evenals on. tîu tigir “100” beteekenen, wijzen er op, dat reeds oergerm. *χunða- = “120” en niet “100” was. De idg. bet. van *emtó- was echter “honderd”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hond 2 o. (maat), is het hond besproken bij honderd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hond ‘landmaat van 100 roeden’ -> Duits dialect Hund ‘landmaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hond* landmaat van 100 roeden 1130-1161 [Slicher]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut