Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hond - (huisdier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hond zn. ‘huisdier van de familie der Canidae
Onl. hunda (mv.) ‘honden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hont, hond ‘id.’ in het verkleinwoord hondekin [1276-1300; CG II, Rein.E].
Os. hund (mnd. hunt, hont); ohd. hunt (nhd. Hund); ofri. hund (nfri. hûn); oe. hund (ne. hound alleen nog ‘jachthond’); on. hundr (nzw. hund); got. hunds; < pgm. *hunda-.
Met dentaalachtervoegsel is alleen verwant: Lets suntene ‘grote hond’; < pie. *ḱun-to-, uit de nultrap van de wortel *ḱŭōn-, waarbij Latijn canis (met onverklaard vocalisme; Frans chien, zie ook → kennel); Grieks kúōn (genitief kunós, zie → kynologie); Sanskrit śvā (genitief śúnas); Avestisch spā (Perzisch sag); Litouws šuo (genitief šuns), Lets suns, Oudpruisisch sunis; Oudiers ; Armeens šun; Albanees qen; Tochaars A/B ku (IEW 633).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hond1* [huisdier] {oudnederlands hund 901-1000, middelnederlands hont} oudsaksisch hund, oudhoogduits hunt, oudfries, oudengels hund (engels hound), oudnoors hundr, gotisch hunds; buiten het germ. latijn canis, grieks kuōn (2e nv. kunos), oudiers , litouws šuo [hond], oudindisch śvā (2e nv. śunas) [hond]. In de uitdrukking bekend als de bonte hond [algemeen ongunstig bekend] is mogelijk de duivel bedoeld: middelnederlands die helsche hont [de duivel]. Voor de uitdrukking de hond in de pot vinden [thuiskomen als de hond bezig is de pot uit te likken] vgl. middelnederlands de hont is in der scapraden [in de etenskast voor kliekjes]. Ook in de uitdrukking hij heeft er een hond zien geselen [hij heeft daar iets vreselijks gezien] betekent hond mogelijk ‘duivel’. De uitdrukking van 't hondje gebeten zijn [trots zijn] is ontleend aan het bijten van dolle honden, waardoor iem. uitzinnig werd, een elliptische uitdrukking; in de 19e eeuw luidde zij hij is van 't hondje Laatdunken gebeten. Voor de uitdrukking de gebeten hond zijngebeten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hond 1 znw. m. ‘dier’, mnl. hont, onfrank. hund, os. hund, ohd. hunt, ofri. oe. hund (ne. hound), on. hundr, got. hunds. — lett. suntana ‘grote hond’, arm. skund (< *ku̯ontā) ‘kleine hond’. Dentaal-afl. van lat. canis, gr. kúōn, oi. śva (gen. s. sunas), arm. šun, lit. šuõ, lett. suns, opr. sunis, oiers , toch. B (IEW 633).

De verbinding met de idg. wt. *ḱeu in oi. śúci- ‘stralend, glanzend’, śoka ‘licht, vlam’, zodat de hond naar zijn lichte kleur zou zijn genoemd (zo Specht, Idg. Dekl. 422) is hoogst onzeker. — De idg. wt. is *ḱu̯ōn-, ḱun-.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hond I znw. (dier), mnl. hont(d) m. = onfr. hund, ohd. hunt (nhd. hund), os. ofri. ags. hund (eng. hound), on. hundr, got. hunds m. “hond”. De stam van ’t idg. znw. voor “hond” is *k(u)wen-, *ḱun-, blijkens ier. , gen. con, gr. kúōn, gen. kunós, lit. szů̃, gen. szuñs, arm. šun, gen. šan, oi. çvā́, gen. çúnaḥ “hond”. In de d van ’t germ. woord heeft men wel een idg. t willen zien, ’t woord combineerend met lett. suntana “groote hond”, arm. skund “hondje”. Veeleer echter is de germ. vorm eerst in ’t Germ. naar een of andere analogie uit *χun- ontstaan evenals wellicht lat. canis “hond” naar catulus “jong van een dier, van een hond” is vervormd. Uit ’t Slav. vgl. nog russ. súka “teef” (*ḱou-qâ). Alle combinaties hoogerop van idg. *ḱun-, oorspr. wsch.*kewene-, zijn niet voldoende gemotiveerd, allerminst die met vee: *(u)wen- uit *pk(u)wen-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hond 1 m., Mnl. hont, Onfra. en Os. hund + Ohd. hunt (Mhd. id., Nhd. hund), Ags. hund (Eng. hound), Ofri. hund, On. hundr (Zw. en De. hund), Go. hunds: Ug. *hundaz, met -d- suffix van Idg. *kun-: Skr. çun-as genit. van çvā, Gr. kunós gen. van kúōn, Lat. can-is (d.i. kvan-is), Ier. , Ru. suka, Lith. szů.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hoond (zn.) hond; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) hond, Aajdnederlands hunda <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hond: bek. huisdier (Canis familiaris, fam. Canidae); Ndl. hond (Mnl. hont), Hd. hund, Eng. hound, verb. m. Lat. canis, Gr. kuōn (gen. kunos), “hond”.

honna: – honne/honta – , dim. honnie/hontie; troetelaansprv. v. hond (ekv.), oor vorme op -a v. -a, vgl. Ndl. honnig/honsig as byv. vleiwoord by hond(je).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Hond snw. Tot kinders wat enkel met ja of nee antwoord, word gesê ja hond, nee hond om hul te leer om te sê ja vader, nee vader (of moeder, ens., soos die geval mag wees). – Eweso Molema 165, Corn. en Vervl. 569, Rutten 94.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hond: mesjoggene –, onbetrouwbare –, ondankbare –, ongelovige –, rooie –, stomme hond: gemeen, onbetrouwbaar en ongemanierd iemand. Een indiaan of roodhuid wordt in westerns en stripverhalen vaak voor rooie hond uitgescholden.

… ik zal jou tonen, dat ik op de muren van ons huisselyk Sion geen stommen hond ben; myn geblaf zal je doen zien, dat ik geen Indringer, geen Bemoeiäl ben, maar dat ik eene wettelyke Roeping heb. (Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, 1782)
Ik zou wel eens willen weten, wie op de dwaze gedachte gekomen is het woord ‘hond’ als scheldwoord te gebruiken. (De Groene Amsterdammer, 14/07/1912)
‘Wat een brutale hond,’ zei Arjen. (Simon Vestdijk, Het verboden bacchanaal, 1969)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Een hond keert terug tot zijn eigen braaksel, men vervalt weer in zijn oude zonden.

Dit beeld wordt het eerst als vergelijking genoemd in Spreuken 26:11, 'Zoals een hond terugkeert naar zijn eigen braaksel, / zo herkauwt een dwaas zijn dwaasheid' (NBV). Petrus verwijst naar dit spreekwoord dat volgens hem 'volledig van toepassing is' in zijn tweede brief, 2:22, in een passage over dwaalleraars, en laat hem volgen door een parallelle vergelijking: 'Een gewassen zeug rolt al snel weer door de modder' (NBV). Deze tweede verbinding is niet bekend bij ons; de eerste wordt overigens ook niet frequent gebruikt.

Statenvertaling (1637), 2 Petrus 2:22. De hondt is weder-keert tot sijn eygen uytbraecksel: ende, De gewasschene seuge tot de wentelinge in het slijck.
[Gesprek in een café:] 'Wat dat wij hier missen in dit land, is de geest, de geest!' Waarop Felix de Kat meesmuilerig zegt: 'Hoe groter geest, hoe groter beest.' Frans de Hollander die Felix de Kat háát, zegt lijzig: 'En de kleinste honden keffen het meest.' Felix de Kat snauwt: 'Een Hollandse hond keert terug naar zijn eigen braaksel.' Enfin, ge voelt het, de geest waait in den Eenhoorn. (H. Claus, Het verlangen, 1978, p. 8)
[Schrijver leest liever niet in zijn eerdere werk als hij aan een boek bezig is:] Je bent al schrijvende toch al een hond die naar z$n eigen braaksel terugkeert. (Trouw, 4-5-1996)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hond, hongd. In een zeventiende-eeuws toneelspel, genaamd Ouden ende Jonghen Hillebrand [1639] van de hand van M. Voskuyl, komt de bastaardvloek by gantsch honde ‘bij de hond van God’ voor. Ook hier weer een vloek waar met een van Gods schepselen gevloekt werd. Bij Bredero en Hooft komen wij gans hongden tegen voor (bij) Gods wonden. Mogelijk zijn al deze veronderstellingen niet juist en moeten wij uitgaan van een verbastering van bij Gods genade! Honden zal dan waarschijnlijk uit onde ‘genade’ misvormd zijn. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen loop naar de hond zijn kloten!, een verwensing die op woede en minachting duidt en die weergegeven kan worden met ‘sodemieter op’. In Noord-Brabant kent men volgens Sanders en Tempelaars (1998) ga je hond likken! De emotionele betekenis ervan duidt vooral op minachting en kan het best weergegeven worden door ‘donder op’. In mijn enquêtemateriaal komt de verwensing helemaal niet voor. Dat zou op veroudering of thuistaal kunnen wijzen. → bok, das, gans (1), haas, hart, kat, kieviet, koe, koekoek, konijn, muis, slak, varken, vink, wolf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hond ‘hondachtige’ -> Negerhollands hond, hon, hont, hun ‘hondachtige’; Berbice-Nederlands hondo ‘hondachtige’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † hont ‘hondachtige’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Een leeuw is eigenlijk iemand, die bang is voor niemand [dichtregel] (1850). De Schoolmeester (Gerrit van de Linde, 1808-1858) publiceerde in 1850 zijn gedicht ‘De leeuw’, met de beginregels “Een leeuw is eigentlijk iemand, / Die bang is voor niemand”. Van de Linde en enkele tijdgenoten legden zich toe op het schrijven van humoristische gedichten waarin gespeeld wordt met de taal.
Een andere bekende regel van De Schoolmeester is: “Een hond is vermaard / Om zijn gezellige aard”. Er wordt wel gedacht dat hij ook de dichtregels “Hier ligt Poot. / Hij is dood” schreef, maar die zijn van de hand van zijn vriend Aart Veder.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hond* hondachtige 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

919. Als twee honden vechten om een been, gaat er de derde mede heen,

d.w.z. als twee personen om iets kijven of kibbelen, raakt vaak een derde in het bezit er van. Een sedert de 17de eeuw zeer bekend spreekwoord; zie Cats, I, 422; Mergh, 58; Tuinman I, 226; II, 196; Harreb. I, 38 b en vgl. de klucht v.d. Pasquilmaecker, 24:

Daer twee honden vechten om een schinckel te kluyven,
Gaet een derde gemenelijck me hene schuyven.

In het latere mnl. was wel bekend: Daer twee honden knaegen an een been, die draegen sich selden overeen (zoo ook bij Wander II, 871; 878; Schuerm. Bijv. 125; Teirl. II, 55: twie honden an één been, twee personen die hetzelfde willen bezitten en met elkander strijden of twisten). Vgl. nog Kippenv. II, 15: Het is bij verkiezingen wel meer gebeurd dat de derde hond met het been wegliep. (Aanv.) In mlat. aufert os canibus canis unus sepe duobus.

920. Bekend (of gezien) als de bonte hond,

d.w.z. algemeen bekend; ook: ongunstig bekend. Wellicht is bonte hond een der vele benamingen voor den duivel; zie Niermeyer, 60Vgl. Kiliaen, 917: Bonte hond, schimmel, stricte: quasi maculosa et punctis interstincta’. Hier is waarschijnlijk een appelschimmel bedoeld, en onmogelijk is het geenszins, dat we aan dit dier, het vale paard van Wodan (Sewel, 705 verklaart schimmel door vaal paard) moeten denken; vgl. de mnl. uitdr. met valen mennen. Dat de duivel ook de gedaante van een hond aannam, bewijst de Grieksche Cerberus, de helhond, die ook bij de Germanen bekend was. Zie V.d. Vet, Het Biënboec van Thomas van Cantimpré, 141. en let op het lidw. van bepaaldheid. In de 16de eeuw staat deze zegswijze opgeteekend bij Campen, 103: Hy is bekent als een bont Hont; verder bij Spaan, 24; 186. Later is zij verlengd met het toevoegsel: met den blauwenDonkerblauw is onheilspellend, soms om van te schrikken (Leuv. Bijdr. X, 81). staart; en zoo vinden we haar in Brederoo's berijming van den Schijnheilig (vgl. ook Hooft's Brieven III, 401):

Hij is soo bekent en vermaart
Gelijck de bonte hond is met de blauwe staart.

Een variant van dezen bonten hond is de blauwe hond, dien we aantreffen in De Brune's Emblemata, 269 (en die aldaar gelijk gesteld wordt met een witte kraai, dus iets heel ongewoons), en de blauwe duivel bij Rusting, 235. Misschien mag hier het Vlaamsche blauwhonds, iets dat allerzeldzaamst is, mede vergeleken worden (Schuerm. Bijv. 39), en het eng. to blush like a black (or blue) dog, niet blozen, onbeschaamd zijn. In het hd. is bekannt wie ein bunter (scheckiger) Hund (oder Pudel) zeer gewoon; vgl. voor het nd. Taalgids IV, 249; het fri.: hy is bikind as de bûnte houn; in het fr. être connu comme le loup gris (- blanc); de. saa bekjendt, som en broget Hund. Synoniem zijn de Zuidnederlandsche uitdrukkingen: gekend als de slechte stuivers, de kwade penningen, kwade munt, de blinde oordjes (Joos, 17; Rutten, 126 a; De Cock1, 296; Antw. Idiot. 202) en het Gron. bekend als de kwade dubbeltjes (Taalgids VII, 211; eng. to be as well known as a bad shilling). Vgl. ook Halma, 85: Hij is bekend als de bonte hond of als de bonte os, il est connu par-tout; 177: Hij is een gespikkelde vogel, of een mensch die bij elk bekend is; Sewel, 131; Harreb. I, 319; Nest, 81; Jong. 33; Noord en Zuid XIX, 23-24; Rutten, 126 a: Gezien worden gelijk een kwade hond (evenzoo bij Tuerlinckx, 352).

921. Blaffende honden bijten niet,

d.w.z. zij die een groot woord hebben, die dreigen, zijn gewoonlijk niet sterk in de daad, zijn niet te vreezen. Ook de Romeinen zeiden: canis timidus vehementius latrat quam mordet (Otto, 70); mlat.: nemo canem timeat qui non ledit nisi latrat; canes qui plurimum latrant perraro mordentZeitschrift für D. Philologie, XXXVI, 133.. In onze taal vindt men het spreekw. in de 16de eeuw opgeteekend bij Sartorius III, 8, 78: blaffende honden bijten niet; Servilius, 120*: bassende honden biten selden; Winschooten, 336: de meeste blaffers de regte bijters niet en sijn. Zij is algemeen in gebruik gebleven, zooals blijkt uit Suringar, Erasmus, XXXIV; Bebel, 72 en eveneens in het Duitsch algemeen bekend; zie Wander II, 847: Hund, die viel bellen, beissen selten; Hunde, die viel bellen, beissen nit (p. 848); bellende Hunde beiszen nicht; enz. In het Fransch zegt men ook: chien qui aboie ne mord pas; in het eng. barking dogs never bite. Zie verder Sewel, 2: aanbassende honden bijten niet; Harrebomée III, 226; Waasch Idiot. 93 a; Teirl. 163: nen hond die bast en bijt niet of nen hond die bijt en bast niet en vgl. groote blaffers bijten niet ('t Daghet XII, 112.In anderen zin komt het spreekwoord voor bij Falkl. VI, 86: Je gelukkigste huwelijken waren kalmpjes in 't engagement. Blaffende honden bijten niet; vuren met veel vlammen geven niet de minste warmte.)

922. Den hond in den pot vinden,

d.w.z. thuiskomen en alles, het middagmaal, op vinden, terwijl de hond reeds bezig is den pot uit te likken.Ovl. Lied. 429, 89: Ghelievet u, heere, spise ende dranc was al bereit, eer dhondekine quamen. In 't mnl. de hont is in der scapraden (de etenskast, om de kliekjes op te eten); bij Goedthals, 30: Den hont in den pot vinden, le loup au plat; Sartorius, I, 10, 23; III 9, 46: Ex Telemachi olla edes. Ghy sult de hont in de pot vinden; Servilius, 272: Ghi hebt den hont in den pot gevonden; Tijdschr. XIV, 126: Die kat sit int scapra, ende die hont lickt die pot hier (16de eeuw); Huygens VI, 190; De Brune, Bank. I, 374 en Idinau, 15:

De sulcke den hont in den huts-pot vinden,
Die van andere worden onder-kropen,
In t' geen dat sy sochten ende beminden:
T' gheschiet valt anders, dan 't verhopen,
T' is tijdt te trecken, als men siet nopen.

Halma, 222: Den hond in den pot vinden, venir trop tard pour diner, être obligé de diner par coeur; Sewel, 340; Tuinman I, 109; Harreb. I, 307; Landl. 184; Het Volk, 30 Jan. 1914, p. 2 k. 1; Sjof. 216: D'r viel nog al 's een centje af as-'t-ie lapwerk thuis bracht. Tegenwoordig is dat ook uit, overal de hond in den pot. De Vlamingen zeggen hiervoor ook: de hond is over de tafel gesprongen (Joos, 80; Waasch Idiot. 641 b); in het Haspengouwsch en Hagelandsch: de kat in den ketel vinden (Rutten, 107 b en Tuerlinckx, 306); in Limburg, volgens 't Daghet XII, 188: den hond (de kat) in den pot vinden; in Antwerpen: de hond heeft in den pot gekeken naast over den pot springen, komen om te eten als er niets meer is (Antw. Idiot. 992; Waasch Idiot. 533). In het Oostfri.: de hund in de pot finden; in Duitsche dialecten: er findet den Hund im Topf; der Hund ist in dem Potte; in de Rijnprovincie: en Katt in de Pott kriegen; in het fri.: hy fynt de houn yn 'e pot.

923. Een hondje.

Vooral dames spreken (spraken?) van een hondje van een hoedje (eng. a love of a hat), - van een katje, - van een horloge en bedoelen daarmede een lief hoedje, katje, horloge, omdat een hondje voor hen iets liefs is. In de middeleeuwen kende men dergelijke zegswijzen reeds, zooals blijkt uit Froissart, 97, die spreekt van: een leeuw van een man. Zie verder Justus v. Effen in zijn Spect. IX, 114, die vertelt, dat de dames nu en dan het gesprek vermeesteren, en plotseling vallen op 't een of 't ander allerliefst kantje of op een inzoet hondje van een kindje; zie ook Spect. XII, 58; C. Wildsch. V, 66, waar sprake is van een hondje van een huisje; die leelijke aap van een jongen; uw ondeugend vel van een wijf; een klos van een jongen (C. Wildsch. V, 253; 267; 308; 269); een lummel van een doet-oor (C. Wildsch. VI, 154); in Brieven van Betje Wolff en Aagtje Deken, 266: een kalf van een stalhond; 262: wat heb je daar een hondje van een samaartje aan; Harreb. III, LXXXVII citeert: het is een hondje van een kostje (= zeer lekker); in Amst. 82: wat een hondje van een jongetje. De uitdr. is te vergelijken met andere als: een snolletje van een jongen (Amsterdamsch), een dot, een snoes, een snoep van een kind, een kleuter van een jongen, een kokkerd van een neus, een jantje van een appel (vgl. 17de eeuw: een oorveeg die Hans heet), een beest, een smeerlap van een vent, een kreng van een kerel, een kanjer van een wijf een nest van een meid; in het Westvlaamsch: een mokertje van een hoedje, van een paard, van een jongen of ook: een kapoen van een jongen (De Bo, 707 en 492), een bugger van een jongen (De Bo, 194); in Groningen: 't is een béla van 'n maid (een knappe meid); 'n Kenau van 'n maid; 'n kloet van 'n maid (eene dikke, stevige meid); vgl. ook een hecht van een meid (17de eeuw; en nu nog in Zuid-Nederland); De Brune, Bank. I, 139: een diamant van een dochter wert wel een glas van een vrouwe; een klouwer (kalfaathamer) van een pastei (Halma, 271); een hooischuur van een mensch, een grof, onbeschoft mensch (Halma, 226); een koning van een visch; een snee van een meid, een oude zorg van een meid (Langendijk); een wijf van een man (Brederoo); een jeugdje van een meisje (P.C. Hooft; Potgieter); een mormelVolksetymologische verbastering van lat. murem montis (of montanum), bergmuis; fr. marmotte. van een hond; 'n mirakel van een vent (Falkl. IV, 225); wat een gazzer (zwijn) van een meid (Dsch. 70); jij, dier van 'n beest (Falkl. VI, 34); een zoet-slokkie van een man (Jord. 190); een tiet van een kerel (Jord. 176); die malle trekpot van een Dien (Jord. 360); wat een janusseNdl. Wdb. VII, 866. van beeste (= olifanten; Lev. B. 8); wat een kanker van 'n vuilik (Diamst. 140), enz. enz. Ook in het hd. kan men zeggen: du Hund von einem Menschen, von einem Esel, etc.; fr. un chien de temps (hondeweer), de garçon; une chienne de musique; ce fripon d'enfant; cet animal de garçon; quelle peste de femme (Brunot, La pensée et la langue, 675), etc. Voor het Engelsch zie Prick2, 41-42.

924. Er zijn meer hondjes die blom heeten.

Men bezigt deze uitdrukking, wanneer men, verleid door de gelijkheid van naam, iemand die geen schuld heeft, of in geenerlei betrekking tot iets staat, van iets beschuldigt. Vgl. R. Visscher, Brabb. 107: Om datter meer als een Hondt lodder hiet, heeft hy de rechtschuldige gemist; het fri. der binne mear hounen dy 't Blom (of Blafferf) hjitte; Harreb. I, 124: er zijn meer hondjes die Del (= Fidel) heetenTaalk. Magazijn III, 105.; elders (o.a. te Zandvoort): er zijn meer hondjes die Fik heeten; vgl. verder Antw. Idiot. 245; Waasch Idiot. 120; Schuerm. 270 a en Joos, 97: daar is al meer aan eene koe die blaar heet; Teirl. II, 24: er es meer as een koe die Bles (of Blaar) heet; hd.: es giebt mehr Hunde, die Pudel heissen; nd.: et giewt mehr bunte Hunne (Köppe) as einen (Eckart, 223); fr.: il y a plus d'un âne à la foire qui s'appelle Martin.

925. Hij heeft er een hond(je) zien geeselen,

d.i. ‘hij heeft daar iets verschrikkelijks gezien, dat hem die plaats doet mijden. Inzonderheid in vragenden vorm gebezigd, als een schertsend verwijt, dat iemand aan een ander doet, die hem in lang niet bezocht heeft’; Ndl. Wdb. IV, 700; II, 869. Ook, evenals deze zegswijze, in de 18de eeuw: hij heeft er een begijn of een zwijn zien geeselen (zie nog C. Wildsch. IV, 234; 311; Waasch Idiot. 87 a). Vgl. V. Schothorst, 132; Molema, 124 a: hij het doar 'n hondje gieseln zijn; neders. he het daar enen hund stupen seen; Eckart, 224: da hett he en Hund ûtstuppen sên; fri.: hy het dêr in houn giseljen sjoen; De Cock1, 85 en Boekenoogen, 610 in denzelfden zin: hij heeft er 'n zwart mantje (of de zwarte katDat duivels de gedaante van katten aannamen geloofde men al in de Middeleeuwen; zie Mnl. Wdb. IV, 1239; Volkskunde, XXII, 36 en vgl de uitdr. daar is een zwarte kat tusschen gekomen, er is iets tusschenbeide gekomen; ergens de zwarte kat gezien hebben, de plaats vermijden, er nooit komen. Zie Ndl. Wdb. VII, 1782. gezien. In Twente: hee hev doar de dûvel zeen gisselen. Ook in onze uitdrukking zal met den hond wel de duivel bedoeld zijn. Zie no. 920.

926. Komt men over den hond, dan komt men ook over den staart,

d.w.z. wanneer men de grootste moeilijkheid te boven is, dan zijn ook de andere, meer gemakkelijke, te overwinnen (18de eeuw). Vgl. Sewel, 619; Halma, 484: Kom ik over den hond, ik kom wel over den staert, kom ik 't grootste over, zoo kom ik ook wel 't minste over. In het hd. eveneens: kommt mann über den Hund (oder Fuchs), so kommt mann auch über den Schwanz. Juist door dit voorkomen in vele Duitsche dialecten (zie Wander II, 852; Eckart, 223 en Taalgids IV, 287) is het onmogelijk bij hond te denken aan den Scheldearm van dien naam, zooals Harrebomée I, 325 doet en men ook leest in Taalgids VIII, 117. In Zuid-Nederland zegt men: als men over den kop kan, kan men over den steert (Schuermans, 278 a); die over den hond kan, moet over den steert kunnen (Waasch Idiot. 293), dat ook doet vermoeden, dat we bij hond aan een dier moeten denken, waarin wij nog versterkt worden door de fransche spreekwijze: quand on a avalé un boeuf, il ne faut pas s'arrêter à la queue. In het Friesch: kom ik oer 'e houn, den kom ik oer 'e stirt naast dy 't oer in balke springt moat oer in strie net stroffelje. De oorsprong is tot nu toe onzeker. Dr. D.C. Hesseling, wijzende op de fr. spreekwijze, denkt, dat de naam van het dier niet de hoofdzaak is, welke meening bevestigd wordt door de Grieksche spreekwijzen: iemand at een os op, maar bij den staart gaf hij 't op; hij heeft den geheelen ezel opgegeten, en bij den staart gaf hij 't op. De ezel komt hier, evenals de os, voor om het zware werk nog moeilijker voor te stellen. ‘Aan eene dergelijke neiging om te vergrooten, heeft men vermoedelijk in ons spreekwoord 't woord hond te danken. Hiermee in overeenstemming is 't Russische spreekwoord: ‘Den hond at hij op, maar in den staart stikte hij.’ ‘Ik veronderstel,’ aldus gaat Dr. Hesseling voort, ‘dat al deze gezegden hun oorsprong danken aan 't verhaal van iemand die een Herculestaak had te vervullen en ondervond dat de laatste loodjes het zwaarst wegen. Wij hebben de optimistische opvatting van 't geval in spreekwoord gebracht’ (Gids, Oct. 1902, bl. 101Zie ook Taal en Letteren XIV, 171; Krumbacher, Eine Sammlung byzantinischer Sprichwörter, München, 1887, bl. 48.).

927. Men moet geen slapende honden wakker maken,

d.w.z. een sluw (of oneerlijk) mensch moet men niet waarschuwen; men moet geen moeilijkheden, die men mijden kan, veroorzaken. In het middeleeuwsch Latijn lezen we:

Irritare canem noli dormire volentem
Nec moveas iram post tempora longa latentem

dat in het Middelnederlandsch (Van Zeden, vs. 375) aldus nagevolgd is:

Wilt niet tanenKil.: tanen, tenen. Fland. irritare. Thans nog in West-Vlaanderen: tanen = tergen, kwellen, plagen. Zie Mnl. Wdb. VIII, 66. den slapenden hont,
Maer twist laet slapen talre stont:
Dat leden es, wilstuut ontwecken,
Men mocht te diere onneeren vertrecken.

Zie Sp. Hist.5, 24, 203; Bouc v. Seden, bl. 90; Van Zeden, bl. 59-60; Plantijn: Een slapenden hondt wecken, irritare crabrones en Tijdschrift X, 118-123. De bet. is hier: het onaangename, dat voorbij is, moet men niet weer oprakelen; lett. den nijdigen hofhond, die slaapt, moet men niet weer wakker maken; eene waarschuwing, die men in de middeleeuwen ook uitdrukte door: laet dat catkijn ronken. In de 18de eeuw had dit spreekwoord nog deze beteekenis (zie Halma), doch bij Weiland wordt het reeds verklaard als: ‘eene moeijelijkheid, welke men mijden kan, (niet) veroorzaken’. Algemeen is het spreekwoord in gebruik geweest, zooals blijkt uit Campen, 57: Slapende honden sal men niet wecken, laet hem in syn vrede; Servilius, 167; Harreb. I, 321; Het Volk, 13 Mrt. 1914, p. 7 k. 2: En gedachtig aan het woord dat men geen slapende honden wakker schudden moet, hielden de autoriteiten zich maar van den domme. Daarnaast in 't mnl. slapende wolven wecken, kabaal doen ontstaan; nu nog in Vlaanderen: slaepende wolven wacker maecken (Adag. 57; Joos, 108; 147). In de andere talen vinden we haar ook; in het Fransch: il ne faut pas réveiller le chat qui dort; eng.: to let a sleeping dog lie; to wake a sleeping dog; hd.: schlafende Hunde soll man nicht aufwecken; zie Wander II, 839; 858-859, waar het spreekwoord nog in vele andere talen wordt aangewezen. In het Friesch: Men moat gjin sliepende hounen wekker meitsje.

928. Met onwillige honden is 't kwaad hazen vangen.

Met onwilligen komt men niet verder. ‘Dat zegt men van die aan eenig werk tegen hun zin en wil gestelt worden’ (Tuinman I, 244). In de Prov. Comm. 511: Met onwillighe honden eest quaet iaghen, impromptis canibus nil venator capit ullus. Ook Plautus zegt al in Stich. 139: Stultitia est, pater, venatum ducere invitas canes. De spreekwijze, zooals ze thans luidt, vinden we o.a. bij Hooft, Brieven, 183: Met onwillige honden quaadt haaze vangen is. Zie verder Spieghel, 286; Cats I, 431; Brederoo I, 247, 119; De Brune, 432 en Idinau, 26:

T' is quaedt met onghewillighe honden
Ter iaght te gaen, om iet te vanghen.
Noyt en heeft hem iemandt wel bevonden,
Met knechten diemen tot dienst moest pranghen.
Onghewillighe dienaers sijn quade stranghen.

Vgl. ook Ons Volksleven V, 145; De Bo, 437 a; Bebel, 284; Erasmus, CII; Wander II, 857; Eckart, 223: met unwellige Hongen es net god Hâse fange. Syn. was in 't mnl. mit onwillighen paerden ist quaet ploeghen inder aerden (Mloep II, 3771); 17de eeuw: met onwillige peerden ist quaet rijden (o.a. Sart I, 8, 33); t'es quaet huyshouwen met onwillighe knechten (Houwaert, Milenus Cl. 28).

929. Twee kwade honden bijten elkander niet,

d.w.z. 't is dief en diefjes maat, twee kraaien pikken elkâar de oogen niet uit (lat. cornix cornice oculos non effodit; Macrob. 7, 5. 2) of zooals in de middeleeuwen gezegd werd: de een wulf den anderen niet misbiet (zie Spiegel d. Sonden, 14295) of die een wolf en bitet den anderen niet (Stemmen, 19). Vgl. gri. κυων κυνος ουχ απτεταιZie Otto, 70 en vooral Journal, 22.; lat. canis caninam non est; Goedthals, 71: twee quade honden en byten malcanderen niet, corbeau a corbeau ne creve iamais les yeux; Sartorius II, 4, 37: die een boef weet hoe d'ander om sijn hert is; twee quade honden bijten malcanderen niet; ook I, 2, 67; Spieghel, 283; Van de Venne, 265 heeft hiervoor: grimmende honden vreesen malkander; zie Huygens VI, 51; Gew. Weuw. 3, 17: Twee kwaaje honden zitten elkander niet licht in 't hair; Harrebomée III, 228-229; Waasch Idiot. 749: De wolven bijten malkander niet dood, de boozen verbroederen als er tegen de goeden te strijden valt (Antw. Idiot. 2164); Wander II, 1564: eine Krähe hackt der anderen die Augen nicht aus; fr. les loups ne se mangent pas; eng. dogs do not eat dogs; hawks will not pick hawk's eyes out; nd. eene Krägge hackt der annern keen Auge ut (Jahrb. 38, 159) en vgl. fri.: twa kwea hounen bite elkoar net; vl. razende honden bijten malkander niet.

930. Van het hondje gebeten zijn,

d.w.z. trotsch, aanmatigend, ingebeeld zijn. Te recht merkt Tuinman I, 348 op: 't Spreekwoord is volkomen: Hy is van 't hondje Laatdunken gebeten. Dan is de zin klaar. 't Schijnt ontleend te zyn van 't bijten der dolle honden, waar door ymand uitzinnig word.’ Dat Tuinman gelijk heeft, bewijst eene plaats uit W.D. Hooft's Cluchtich-spel Andrea de Pierre, anno 1634, bl. 12: O vaer! 't honckje van laet-dunckentheyd het jou al me ebeten; en een uit Poirters, Mask. 91: Van dat hondeken Trotske Laetduncken gebeten; 193: Ick segh dan datter dat Hondeken van Laetduncken vry al veel heeft ghebeten, die meynen dat sy den hemel draghen, ende en peysen niet eens dat-se met hun voeten gaen op de aerde’; Ndl. Wdb. VI, 898; Amst. 62; P.K. 45: Ze heeft een beetje talent, maar ze is erg van 't hondje gebeten, nogal over 't paard getild; Nkr. VIII, 17 Jan. p. 6; Schoolm. 101; 292; ook in het Friesch: hy is fen 't hountsje biten; Molema, 165 a: van 't hondje beten wezen. In Antw. van 't zwart hondeken gebeten zijn, trotsch zijn; het Hagelandsch van 't hönke gebete zijn, dronken zijn, waarmede men vergelijke die van den hond gebeten is, moet van hetzelfde haar er op leggenZie Tijdschrift XII, 251 vlgg.; Ndl. Wdb V, 1416; VI, 900; A de Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 3'o; Volkskunde XXVI, 40; Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XXIX, 44; Chomel II, 1432; fri.: it hier fen de houn genêst it gat, dat er biten het., of dat men kan houden voor een verkorting van van des brouwers hont gebeten zyn, de eo qui cerevisia bene potus est (Smetius, 48) of van den stokershond gebeten zijn (Schuermans, 683 b; Waasch Idiot. 631 b; De Bo, 437 a); Teirl. II, 55: Van de stoker (of de brauwer) zijnen hond gebeten zijn, gaarne en veel jenever, bier drinken; 17de eeuw: van den Delftschen hond (bier) gebeten zijn, dronken zijn. Thans ook: Van 't roode hondje gebeten zijn, socialist zijn (in Nkr. VIII, 14 Maart p. 2).

931. Veel honden zijn der hazen dood,

d.w.z. voor overmacht moet men wijken; in het mnl. hets een ghemeen spreken, dat die meneghe die borghe breken. Bij Campen, 125: Voele Honden is der Haesen doot; Servilius, 42: Veel honden zyn der hasen doot; H. De Luyere, 35: Veel honden is ghemeenlyck der Hasen doot; Brederoo III, 49; Huygens, Korenbl. II, 41: Veel' honden, seitmen, is der hasen dood; Paffenr. 2; Idinau, 32:

Men seght, veel honden, is der hasen doodt,
Alsser hem vele teghen eenen stellen.

Tuinman I, 244: Veel honden is der haazen dood, dat wil zeggen, de menigte maakt de overmagt; Harreb. I, 146. Voor de duitsche dialecten zie de groote menigte spreekwijzen bij Wander II, 860; ook Dirksen I, 356; Bresemann, 230; Bebel, no. 540; Ons Volksleven V, 144; het Friesch: folle wynhounen dogge de hazze de dead; hd. viele Hunde sind des Hasen Tod. Het vreemde meervoud ‘der hazen’ vindt men niet in Adagia, 64: Veel honden is den Haes sijn doodt.

932. Wie een hond wil slaan, vindt licht een stok,

d.w.z. wanneer men iemand kwaad wil doen, vindt men altijd wel een voorwendsel; vgl. lat. male facere qui vult, numquam non causam invenit (Otto, 206); qui catulum caedit, corium, fert ipso, comedit; zie Goedthals, 58: die den hond smijten wilt, vindt lichte eenen stock; zoo ook bij Sartorius II, 2, 42; Servilius, 245*: men heeft haest eenen stoc gevonden die den hont smijten wil; Winschooten, 325: als men een hond wil slaen, soo kan men licht een stok vinden; Coster, 503, vs. 176; Brederoo, III, 312: Die een hont wil smyten die vint wel haest een stock. Varianten hiervan zijn Campen, 103: als men den Hont hangen wil soo heft hy leer gegeten of soo krijcht men wel haast en zeel of zo tijtmen hem tverwoede an (zie Spieghel, 286); vgl. het fr. qui son chien veut tuer la rage lui met sus (ou qui veut frapper un chien facilement trouve un bâtonLe Roux de Lincy I, 170.. Zie Suringar, Erasmus, CLV; Bebel, no. 22; Wander II, 823 en 862 vlgg.; Eckart, 222; Taalgids IV, 258; Harreb. I, 317; Joos, 206 en het fri.: men fynt sêft in stok om in houn to slaen; dy in houn smite wol kin altyd wol in stien fine; hd. wenn man den Hund prügeln will, findet men leicht den Stock; eng. it is an easy matter to find a staff to beat a dog; give a dog a bad name and hang him.

933. Iemand uitmaken, dat de honden er geen brood van zouden eten,

< d.w.z. iemand uitschelden voor ‘al wat vuil en leelijk is’. Sedert de 17de eeuw is deze zegswijze bekend, doch in eenigszins anderen vorm; vgl. Winschooten, 146: Iemand uitlugten, dat de honden geen Brood van hem souden willen eeten; bl. 335: Ik heb hem ingeluid, dat de honden geen brood van hem sullen eeten; Brederoo II, 190, vs. 1114: Dirck het Elsje sulcke ontyghe stucken verweten, ick segje dat, een hongt en souwer niet of eten; Tuinman I, 198: Ymand uitmaken, zo dat'er de honden geen brood van zouden willen eeten. Dit drukt uit, ymand op een zeer afschuwelyke en smaadelyke wyze afschilderen, zo dat hy daar door in de uiterste verachting word gebragt, en wel zo verre, dat zelf geen hond hem verwaardigen zoude een stuk broods uit zyne hand te ontfangen. Hier aan is gelyk: Ymand uitmaken voor al dat lelyk is.’ Eenigszins gewijzigd in Haagsche Post 25 Dec. 1920 p. 2113 k. 4: Op de laatste vergadering kreeg de directeur een standje, waar de honden geen brood van eten. Zie Harrebomée III, 145; Ndl. Wdb. III, 1543; VI, 897 en vgl. hd. einen ausmachen, es hätte kein Hund ein Stück Brots von ihm nehmen wollen.

934. Kommandeer je hond en blaf zelf.

Dit zegt men tot iemand, wiens bevelen men niet wenscht af te wachten. De zegswijze is in Noord- en Zuid-Nederland bekend; vgl. Harreb. I, 316; Kmz. 102; Mgdh. 193; Nest, 75: Kommandeer je honden en blaf zelf; blz. 133: Kommandeer je honden of blaf zelf; S.M. 5: Wel ja, inrukken? Kommedeer je hond en blaf zelf; Groningen IV, 196; Draaijer, 17: Kommandeer î de hond en blaf zelf, zegt men tot iemand, die ons iets bestelt, dat hij heel goed zelf kan doen, die ons voor knecht wil gebruiken; Molema, 217: komdijr dien hond en blaf zulf; fri. kommandearje dyn hounen en blaf sels; Antw. Idiot. 1629: Commandeert uwen hond en bast zelf, zegt men tot iemand wiens bevel men niet wil uitvoeren.

1096. Van de kat (of den hond) of van den kater gebeten worden,

gewoonlijk of men van de kat of den kater (of van den hond) gebeten wordt, is hetzelfde, d.w.z. of men door het eene kwaad of door het andere geplaagd wordt, dat is hetzelfde, ‘als men toch het slachtoffer wordt, is het onverschillig hoe en waardoor’. Zie Harrebomée I, 321; Van Eijk II, nal. bl. 26; Het Volk, 3 Febr. 1913, p. 5 k. 1:

't Kan me niet schelen al word ik geen kiezer,
'k Heb aan die drukte nou eenmaal het land;
'k Word door de kat of den kater gebeten,
Mooie beloften verstuiven als zand!

De Telegraaf, 17 April 1914 (ochtendbl.), p. 1 k. 5: Wat maalt Sijmen Betaal er ten slotte om, hoe het ding heet, waarvoor hij betalen moet? Of hij van de kat of van den kater gebeten wordt? Het Volk, 27 Maart 1914, p. 8 k. 1: Lood om oud ijzer! Of men nu van den hond of den kater gebeten wordt - wat maakt dat uit? Handelsblad, 13 Mei 1914, p. 1 k. 3 (ochtendbl.): De vraag of de belastingschuldigen zullen worden gebeten door den hond of door de kat. Door de registratie of door de directe belastingen. Vgl. het fr. il vaut autant être mordu d'un chien que d'une chienne.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut