Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

homo- - (zelf-, eigen-)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

homo- voorv. ‘zelf-, eigen-’
Oorspr. is dit het Griekse voorvoegsel homo- ‘gelijk, eender; gemeenschappelijk’, dat al in het klassieke Grieks in vele woorden voorkomt, op basis van het bn. homós ‘id.’, verwant met → samen.
Sommige van de Griekse woorden zijn rechtstreeks in het Latijn ontleend en al dan niet via het Latijn soms ook al vroeg in de moderne talen, zie bijv.homogeen en → homoniem. Als productief element in vele wetenschappelijke, meestal zeer vakspecifieke neologismes bestaat het echter pas sinds de 19e eeuw. In de regel is het tweede lid in zo'n woord ook van Griekse oorsprong, maar zie → homoseksueel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

homo- (Grieks homo-)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Homo- (Gr. ὁμός (homós) = identiek of ὅμοιος (hómoios) = gelijk). Eerste lid in samenstellingen met de genoemde betekenissen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal