Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

homo - (homoseksuele persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

homoseksueel bn. ‘seksueel gericht op personen van hetzelfde geslacht; betreffende zulke gerichtheid’; zn. ‘homoseksueel persoon’
Nnl. homosexueel ‘seksueel gericht op personen van hetzelfde geslacht’ [1892; Kunst/Schutte 1991], homosexueele geslachtsdaden [1933; WNT Aanv.], gebruikt als zn. in wij allen - hetero- en homosexueelen - [1905; WNT Aanv.].
Internationaal neologisme, als homosexual in het Duits geïntroduceerd in 1869, toen nog anoniem, door de Hongaars/Oostenrijkse journalist en homorechtenvoorvechter Karl-Maria Kertbeny (oorspr. Bernkert, 1824-1882) en in een breder perspectief en internationaal bekend geworden door het invloedrijke werk Psychopathia Sexualis uit 1886 van de Duitse sexuoloog Richard von Krafft-Ebing (1840-1902). Daarna verschijnen bijv.: Frans homosexuel bn. [1894; Rey], zn. [1891; Rey], Engels homosexual bn. [1892; Rey], zn. [1912; OED].
Kertbeny vormde dit woord uit het Griekse element → homo- ‘zelf, eigen’ en Duits sexual in de betekenis ‘betreffende het geslachtleven’, zie seksueel bij → seks. De analyse dat homosexual gevormd zou zijn uit Grieks homo- en het Latijnse bn. sexuālis ‘tot het geslacht behorend’, bij het zn. sexus ‘geslacht’ (zie → sekse), is niet juist; dat zou een betekenis ‘tot hetzelfde geslacht behorend’ moeten geven. Op grond van deze onjuiste analyse werd het woord door wetenschappers echter aanvankelijk verguisd, omdat zo'n combinatie indruist tegen de gewoonte om wetenschappelijke neologismes uit slechts één van de klassieke talen te vormen en niet uit beide.
Als gevolg van de taboesfeer rondom homoseksualiteit zijn diverse spreektalige en meestal pejoratieve synoniemen ontstaan om homoseksuelen te benoemen, voor mannen bijv.nicht 2, → poot 2, → flikker 2, → homofiel, homo (zie hieronder), → gay, en voor vrouwen bijv.pot 2, lesbienne en lesbo (zie → lesbisch), waarvan sommige ook als geuzennaam gebruikt worden, maar die ieder een eigen specifieke gebruikssfeer hebben. Verdwenen synoniemen zijn bijv. geïnverteerden, sodomieten (zie → sodomie), uraniërs. Sinds de homoseksuele emancipatie in Nederland in de jaren 1970 is homoseksueel de neutraalste term geworden.
heteroseksueel bn. ‘seksueel gericht op personen van het andere geslacht’; zn. ‘heteroseksueel persoon’. Nnl. heterosexueel (bn.) ‘betrekking hebbend of gericht op het andere geslacht’ in op heterosexueel gebied [1909; Groene Amsterdammer], de heterosexueel (zn.) [1922; Vaderland]. Internationaal neologisme, in 1869 tegelijk met homosexual als heterosexual geïntroduceerd in het Duits, met een eerste lid → hetero-. Wrsch. doordat heteroseksualiteit historisch-maatschappelijk en statistisch de norm is, bestaan er van dit woord, in tegenstelling tot homoseksueel, nauwelijks synoniemen. ♦ homo zn. en bn. ‘homoseksueel’. Nnl. homo ‘id.’ [1933; WNT Aanv.]. Verkorting van homoseksueel in dezelfde betekenis. Zo ook Engels homo [1929; OED]. ♦ hetero zn. ‘heteroseksuele man of vrouw’. Nnl. hetero ‘id.’ [1967; WNT Aanv.]. Als antoniem gevormd naar analogie van homo. Hierbij aansluitend is later ook lesbo gevormd uit lesbienne, zie → lesbisch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

homo2 [persoon met seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht] {na 1950} verkorting van homoseksueel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

homo b.nw., s.nw. (geselstaal)
Homoseksueel, of homoseksuele persoon.
Uit Eng. homo (1929 as s.nw., 1933 as b.nw.).
Eng. homo is 'n verkorting van homosexual (1892 as b.nw., 1912 as s.nw.).
D. Homo, Ndl. homo (ná 1950).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

homo, homofiel: (vaak voorafgegaan door vuile of vieze) homoseksueel. Homofiel werd in 1954 geïntroduceerd door het COC (de belangenvereniging van Nederlandse homofielen) om het kwalijke woord ‘seks’ te vermijden. In januari 2004 stelde de Hoge Raad der Nederlanden vast dat het beledigend is om iemand uit te maken voor homoseksueel of homofiel. Hierdoor kwam een einde aan een slepende zaak die begon in 2001, toen een wildplasser in Heerenveen de politieman die hem wilde bekeuren uitschold voor homofiel. De advocaat van de tegenpartij stelde dat homofiel een onschuldige verwijzing was naar een geaardheid die niets onbehoorlijks of strafbaars heeft. De rechtbank vond dat onzin en de Hoge Raad bevestigde dat oordeel.

Blijf van me af, vieze homo. (Maarten ’t Hart, Stenen voor een ransuil, 1971)
Ik liep door de aula en een jongen schreeuwde keihard ‘vieze, vuile homo!’ (Vrij Nederland, 15/01/2005)
Dit zijn de wedstrijden van Van Bommel; dit is zijn favoriete decor waarin Ajax-supporters voortdurend de aanvechting voelen hem te beledigen. ‘Van Bommel is homofiel’, zongen zij constant. (Algemeen Dagblad, 21/03/2005)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

homo ‘persoon met seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht’ -> Indonesisch homo ‘persoon met seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

homo persoon met seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht 1933 [Aanv WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut