Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoeven - (moeten, nodig zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hoeven ww. ‘moeten, nodig zijn’
Vnnl. hoeuen, behoeuen ‘nodig hebben’ [1588; Kil.], hoeven ‘nodig hebben’ in hier hoeft hy grote vlijt [ca. 1610; WNT], ‘nodig zijn’ (eventueel met datief) in rust hoeft oock den stercken mannen [1618; WNT], niet hoeven ‘niet moeten doen’ in men hoeft den hont geen broot te geven [1632; WNT]; vnnl. ‘niet nodig zijn’ in dat hoeft niet [1723; WNT].
Hoeven is de spreektalige nevenvorm van het synoniem → behoeven, dat alleen nog in verheven, meestal schriftelijk taalgebruik voorkomt. Het is dan ook pas drie eeuwen later geattesteerd; helaas is daardoor ook de etymologische relatie tussen beide woorden niet zeker. Bij de meeste Middelnederlandse werkwoordparen met en zonder be- is het simplex primair, en dus zou men dat ook voor (be)hoeven mogen verwachten. Uit de oude West-Germaanse talen zijn echter alleen vormen met voorvoegsel bekend, de oudste zonder voorvoegsel is pas Middelnederduits hōven ‘nodig hebben’. Hoeven zou dus secundair kunnen zijn, als terugvorming bij behoeven; analoge gevallen daarvan zijn echter niet bekend. De waarschijnlijkste hypothese is wellicht dat hoeven in de standaardtaal is doorgedrongen onder noordoostelijke, d.w.z. Nederduitse en/of Friese invloed, dus uit een gebied waar voorvoegsels voor werkwoorden minder voorkwamen, zo beginnen Friese verleden deelwoorden niet met ge-. Deze hypothese wordt gesteund door het feit dat hoeven in de Zuid-Nederlandse dialecten onbekend is.
Algemeen wordt aangenomen dat behoeven samenhangt met → heffen, maar de details van deze samenhang zijn uit de oudste Germaanse taalfasen al niet meer te achterhalen. De klinker in de stam van (be)hoeven is die van de verleden tijd enkelvoud van heffen, een werkwoord van klasse 6: mnl. hoef (hief is jonger); ook o.a. os. hōf bij heffian en oe. hōf bij hebban. Behoeven zou een oude causatief kunnen zijn, met een betekenisontwikkeling ‘doen heffen’ > ‘doen nemen’ > ‘nodig zijn’.
De Middelnederlandse situatie, waarin behoeven zowel ‘nodig hebben’ als ‘nodig zijn’ kan betekenen, bleef nog tot in de Vroegnieuwnederlandse periode bestaan en gold ook voor het synonieme hoeven. Daarna vond geleidelijk differentiatie plaats, die leidde tot de huidige situatie. Behoeven betekent nu alleen nog ‘nodig hebben’, zowel met onpersoonlijk onderwerp (dat behoeft uitleg) als met persoonlijk onderwerp en in dat laatste geval alleen in verheven taalgebruik, afgezien van de afleiding → behoefte ‘het nodig hebben, nood’ en het bn. hulpbehoevend ‘hulp nodig hebbend’. Hoeven kan alleen nog ontkennend gebruikt worden, en dan met onpersoonlijk onderwerp als ‘niet nodig zijn, niet moeten gebeuren’ en met persoonlijk onderwerp als ‘niet nodig hebben, niet moeten doen’. Ook impliciete ontkenning d.m.v. partikels als slechts of maar is mogelijk, zoals in ik hoef er maar twee = ‘ik heb er niet méér nodig dan twee’.
In het BN is hoeven weliswaar bekend vanuit het NN, maar is het niet gebruikelijk, ten gunste van → moeten: ik moet er maar twee.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hoeven* [nodig hebben, zijn] {1588} fries hoeve, verkorting van behoeven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoeven ww., eerst Kiliaen noemt hoeven naast behoeven, vgl. mnd. hōven ‘nodig hebben’, fri. hoeve behoeven’. Gewoonlijk echter behoeven, mnl. behoeven ‘behoeftig zijn, nodig hebben, moeten, betamen’, mnd. behōven ‘behoeven, nodig hebben’, ofri. bihōvia, oe. behōfian ‘behoeven, betamen’. Daarnaast behoef, mnl. behoef o. v. ‘behoefte, gebrek, noodzakelijkheid, nut, levensbehoeften’, mnd. behōf ‘(levens)behoeften’, mhd. behuof m. ‘het nodige, nuttige, voordeel, nut, handwerk’, ofri. behōf ‘behoefte’, oe. behōf ‘behoefte, nut, gebrek’ (ne. behoof). De vormen zonder voorvoegsel zijn jonger; ook on. hōf ‘de rechte maat, het passende’ zal wel oorspr. een voorvoegsel gehad hebben. — Formeel te vergelijken gr. kṓpē ‘handgreep’, lit. kuopa ‘schaar, losgeld’. Behoort tot de groep van heffen.

De betekenis van behoeven is niet rechtstreeks uit die van heffen af te leiden. J. Trier, ZfdPh 70, 1949, 344 betrekt zowel de begrippen van ‘het gepaste gedrag’ en ‘behoefte’ als die van lit. ‘losgeld voor verpand vee’ op de functies in de dinggemeenschap.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoeven ww., sedert Kil., die hoeven als synoniem van behoeven vermeldt. = mnd. hôven “behoeven, noodig hebben”, fri. hoeve “hoeven, behoeven”. Behoeven, mnl. behoeven (pers. en onpers.) “behoeftig zijn, noodig hebben, moeten, betamen” = mnd. behôven “behoeven, noodig hebben”, ofri. bihôvia “id.”, ags. behôfian (ook onpers.) “id., betamen”; het o. znw. behoef, mnl. behoef o. v. “behoefte, gebrek, noodzakelijkheid, nut, levensbehoeften” = mhd. (md.) behuof m. “het noodige, nuttige, nut, voordeel, doel, handwerk” (nhd. behuf), mnd. behôf o. v. “behoefte, levensbehoeften”, ofri. bihôf (m. o.?) “behoefte”, ags. behôf o. “behoefte, nut, gebrek” (eng. behoof). De ndl.-ndd.-fri. vormen zonder be- zijn de relatief jongere. Uit het On. hierbij hôf o. “juiste maat of verhouding”, hø̂fa “passen, betamen”. Van de bij heffen besproken basis. Voor de bet. vgl. on. henta “dienstig zijn”: ags. (ge)hentan “grijpen” en de bij genieten besproken woorden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hoeven o.w., Mnl. id. en behoeven, afgel. van behoef + Mhd. behuof (Nhd. behuf), Ags. behóf (Eng. behoof), Ofri. behóf, Zw. behof: met ablaut (als voer, varen) van *bihafjan = wegnemen, ontberen, een compos. met be- en heffen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hove (ww.) hoeven; Nuinederlands hoeuen <1588>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hoef II: ww. naas afl. behoef, “nodig hê/wees, moet”; Ndl. hoeven (sedert Kil wat hoeven = behoeven aangee, hoewel s.nw. behoef, “behoefte”, reeds in Mnl. voorkom, asook ww. behoeven, maar nie sonder be- nie), Hd. alleen s.nw. behuf, terwyl Eng. sowel die s.nw. behoof as die ww. behoove/behove het; die vorme sonder be- blb. jonger, mntl. verb. m. Gr. kōpê, “handgreep, handvatsel”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hoeven ‘nodig hebben of zijn’ -> Javindo hoef ‘nodig hebben of zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hoeven* nodig hebben of zijn 1588 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut