Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoek van camper - (bepaalde schedelverhouding)

Thematische woordenboeken

T. Beijer en C.G.L. Apeldoorn (1996), Woordenboek van medische eponiemen, Houten

Camper, hoek van: gelaatshoek gevormd door de auriculonasale lijn (lijn van Camper) en de lijn tussen ophryon (middelpunt van het voorhoofdsvlak) en subnasale (punt waar het neustussenschot in de bovenlip overgaat). Andere eponiemen die afgeleid zijn van dezelfde naam zijn chiasma tendinum Camperi: kruising van de pezen van de musculus flexor digitorum superficialis en profundus en ligamentum Camperi: diaphragma urogenitale.
In het welgestelde gezin van dominee Florentinus Camper zag Petrus Camper 11 mei 1722 te Leiden het levenslicht. Nog voor zijn twaalfde jaar stond hij als student aan de Leidse universiteit ingeschreven. Behalve geneeskunde studeerde hij wiskunde en filosofie. Pas in 1746 promoveerde hij, op dezelfde dag, tot doctor in de geneeskunde en in de filosofie op proefschriften over het zien en over sommige delen van het oog (Dissertatio optico de visu en Dissertatio physiologica de quibusdam oculi). De voor die tijd vrij lange studieduur heeft hij nuttig besteed. Naast wetenschappelijke studie nam hij teken- en schilderlessen, die hem later bij de illustratie van zijn omvangrijke oeuvre goed van pas kwamen en verder bekwaamde hij zich in timmeren en het vervaardigen van instrumenten. Door deze ambachtelijke vaardigheden kon hij als arts zelf tourniquets en breukbanden smeden. Twee jaar had hij een praktijk in zijn geboortestad en beoefende hij actief de heelkunde. Hij verrichtte mamma-amputaties en herniotomieën en legde zich toe op fractuurbehandeling en amputaties van ledematen. Cornelis Trioen (1686-1746), chirurgijn en vroedmeester te Leiden, onderrichtte hem in de verloskunde. Van hem leerde hij de ‘kering op de voet’ (Baumann). Als welgesteld man kon hij zonder bezwaar studiereizen maken. In 1748 vertrok hij naar Engeland, waar hij onder meer de vermaarde John Hunter (1728-’93) en John Pringle (1707-’82), lijfarts van de Engelse koning, bezocht. Bij de Londense vroedmeester William Smellie (1697-1763) volgde hij een paar cursussen. Hij nam een door Smellie ontworpen verlostang mee naar Parijs, waar hij deze forceps demonstreerde aan de Académie de Chirurgie. In de nazomer van 1749, op weg van Parijs naar Genève, kreeg Camper het bericht dat hij op voorspraak van stadhouder Willem iv tot hoogleraar in de genees- en heelkunde aan de universiteit van Franeker benoemd was. Door ziekte kon hij pas in de lente van 1750 met zijn colleges beginnen. In april 1751 hield hij zijn inaugurele rede over ‘de beste wereld’: De mundo optimo. Hij bleef niet lang in de Friese universiteitsstad. In 1755 aanvaardde hij een aanstelling tot hoogleraar in de anatomie en de chirurgie aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre en drie jaren later ook in de geneeskunde. Bij die gelegenheid hield hij een rede over ‘het zekere in de geneeskunde’: De certo in medicina (Lindeboom, 1972).
Hij heeft voor de Amsterdamse chirurgijns veel ontledingen verricht. Een van deze gelegenheden is door Tibout Regters in een ‘anatomische les’ vereeuwigd. Op dit schilderij zien we Camper, omringd door chirurgijns, de zenuwen van de hals demonstreren. In het kader van de chirurgie doceerde hij tevens verloskunde. Zijn obstetrische ervaringen beschreef hij in het niet-uitgegeven manuscript Lessen over de kunst om baarende vrouwen te verlossen en in zijn aantekeningen bij de tweede Nederlandse uitgave van het Tractaat van de Siektens der Swangere vrouwen van de Franse obstetricus François Mauriceau (1637-1709). Door deze verhandeling, waarin hij uiteenzet dat de hefboom van de Roonhuysiaanse verlostang, het zogenaamde Roonhuysiaans geheim (zie daar), anders moest worden aangelegd, raakte hij in een onverkwikkelijke strijd met de deken van het Amsterdamse chirurgijnsgilde Abraham Titsingh (1684-1776). Op aanraden van zijn echtgenote, weduwe van een Friese burgemeester, nam Camper in 1761 ontslag en hij vestigde zich op Klein Lankum, het Friese landgoed van zijn vrouw. De rust van het platteland stelde hem in staat het tweede deel van zijn anatomisch-pathologische demonstraties uit te geven: Demonstrationum pathologico-anatomicarum libri duo. Liber primus, continens brachii humani fabricam & morbos. Liber secundus, continens pelvis humanae fabricam & morbos. Het eerste deel was het jaar daarvoor verschenen.
De rusteloze Camper was docent in hart en nieren en hij aanvaardde dan ook in 1763 een benoeming tot hoogleraar in de geneeskunde, anatomie, chirurgie en botanie aan de Groningse universiteit. Als eerste richtte hij een chirurgische polikliniek op waar patiënten gratis terecht konden. Zijn studenten konden daar nu zelf de zieke mens observeren en de behandeling bijwonen. In zijn facultatieve colleges behandelde hij gerechtelijke geneeskunde en oogziekten, onderwerpen waar in die tijd niet zoveel aandacht aan werd besteed. Na een professoraat van tien jaar keerde hij naar Klein Lankum terug.
De veelzijdige Camper genoot internationale vermaardheid. Goethe noemde hem ‘Ein Meteor von Geist, Wissenschaft, Talent und Tätigkeit’ (WP, dl. v) en Camper zond Goethe zijn monografie over het tussenkaaksbeen (os intermaxillare), ook wel het ‘Goethe-beentje’ genoemd. Behalve zijn al genoemde verdiensten op obstetrisch en chirurgisch gebied mag zijn propaganda voor de ‘steensnijding in twee reizen’ niet onvermeld blijven. Bij deze blaassteenoperatie deed men in eerste instantie een blaassnede en sondeerde de steen door de wond; de patiënt kreeg nu enige dagen rust waarna de steen door het gevormde wondkanaal verwijderd werd.
Camper gold als een voorstander van de symfysiotomie, het doorsnijden van de verbinding tussen de beide schaambeenderen. Door deze ingreep hoefden bij een muurvast beklemd hoofdje de keizersnede en de haak, die met een hoge mortaliteit van moeder en kind gepaard gingen, niet te worden toegepast. ‘Een niet geringe impuls daartoe was voor hem,’ aldus Lindeboom, ‘het levensrecht der ongeboren vrucht, die zo dikwijls dodelijk verminkt uit het moederlijf werd gehaald.'
Andere grote verdiensten van Camper liggen onmiskenbaar op het gebied van de vergelijkende anatomie en antropologie. Hij bestudeerde het gehoor van de vissen en het gekwaak van de kikkers, ontdekte de pneumaticiteit van de beenderen der vogels en ontleedde verschillende grote dieren, waaronder een olifant, een orang-oetan en een rinoceros. Door de beschrijving van de gelaatshoek (hoek van Camper) leverde hij een bijdrage tot de fysische antropologie. De door hem aangegeven hoek is een middel om nauwkeurig de graad waarin de kaken naar voren staan, uit te drukken.
Camper hoorde in de jaren van de patriottische woelingen tot de oranjegezinde partij. Als wetenschapsman kan hij echter beslist tot de verlichte generatie worden gerekend. Zijn propaganda voor de variolatie tegen pokken is hier een treffend voorbeeld van. De veronderstelling dat het zwarte ras ontstaan zou zijn uit een vermenging van blanken met orang-oetans of andere mensapen bestreed hij met verve. Anatomisch gezien lijkt het lichaam van de neger op dat van de blanke en voor een Europees superioriteitsgevoel was volgens Camper dan ook geen enkele reden (Buisman). Hij was voorts een voorstander van de afschaffing van de slavernij. De laatste jaren op Klein Lankum bemoeide hij zich ook met publieke aangelegenheden. Achtereenvolgens was hij burgemeester van Workum, lid van de Friese Staten, vertegenwoordiger van de Friezen in de Staten-Generaal en aan het eind van zijn leven lid van de Raad van State. In april 1789 overleed hij in Den Haag; in de Leidse Pieterskerk kan men zijn graf vinden.

Hosted by Meertens Instituut