Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hocus pocus - (toverformule; goochelarij, geheimzinnig gedoe)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hocus-pocus zn. ‘toverformule; goochelarij, geheimzinnig gedoe’
Vnnl. ocus bocus ‘toverkunsten’ [1644; WNT]; okus bokus ‘goochelaar’ [1669; WNT].
Herkomst onverklaard. Van de West-Europese talen heeft het Duits wrsch. de oudste schriftelijke attestatie: onzeker is het jaartal 1575 [Pfeifer] van Hocus Pocus ‘tovenarij’, verder Ox box als toverspreuk [1628; Pfeifer]. Het Engels heeft in 1624 en 1625 [OED] hocas pocas resp. hokos pokos als aanduiding voor een goochelaar, en in 1632 hocus-pocus als toverformule en als eigennaam in een boektitel. De klassieke uitleg is dat hocus-pocus een verbastering is van de Latijnse uitspraak bij het avondmaal hoc est corpus (meum) ‘dit is mijn lichaam’ (Lucas 22:19). In een Duitse bron uit 1563 [Pfeifer] is al de pseudo-Latijnse, door rondtrekkende studenten gebruikte toverformule Hax, pax, max, deus adimax opgetekend, waar de jongere woorden heel goed varianten van kunnen zijn. Van deze formule zijn de betekenis en oorsprong echter net zo onduidelijk.
Van de Nederlandse nonsens-uitbreiding hocus-pocus (pilatus) pas is de herkomst evenmin te achterhalen. Volstaan kan worden met de constatering dat het in alle culturen voorkomt dat nonsens-versjes tot nonsens-uitbreidingen leiden, zie bijv. ook de bovengenoemde oude Duitse vindplaats met deus adimax.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hocus pocus [toverformule] {ocus bocus 1644, hokos bokos 1697, hocus pocus pas 1788} dit is allemaal schertslatijn dat teruggaat op een onzinformule die door zwervende studenten in de 16e eeuw werd gebruikt: hax pax max Deus adimax, of dat teruggaat op de misformule: hoc est (enim) corpus meum [dit is immers mijn lichaam]; met pilatus pas wordt verwezen naar Pontius Pilatus, de Romeinse stadhouder door wie Jezus ter dood veroordeeld werd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hokus-pokus znw. m. o. ‘toverformule van goochelaars’. Het oudste voorkomen van dit woord is in 1624 in Engeland, vandaar verbreidde het zich naar Nederland, waar het 1634 in het goochelboekje Hocus Pocus Junior optreedt; ten slotte van hier weer naar Duitsland.

Gewoonlijk leidt men dit woord af van de misformule hoc est corpus en daaraan schijnt de nnl. afsluiting der formule pilatus pas enige steun te geven. Intussen is het moeilijk denkbaar dat goochelaars het gewaagd zouden hebben deze formule zo te ontwijden. — Men heeft daarom ook gedacht aan een in de Middeleeuwen vaak voorkomende toverformule hax pax max (Güntert, Von der Sprache der Götter und Geister 1921, 35 en 66), die o.a. op hostiën geschreven werd als afweermiddel van koorts en dgl. ziekten; de vorm met o zou dan toe te schrijven zijn aan een engelse uitspraak (in 1625 treedt inderdaad oxbox op), vgl. Jacoby, Hwb. des Abergl. 9, 183-4.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hocus-pocus tusschenw. en znw. (de en het); internationaal woord. Komt ’t eerst in 1624 voor als de naam van een goochelaar in Engeland. Wsch. oorspr. een tooverformule, waarvan ’t tweede lid een vervorming van lat. pôculum “beker” is en ’t eerste een rijmwoord hierbij; de formule werd gebruikt als de goochelaar twee bekers achtereenvolgens aanraakte.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hocus-pocus. Ten dele zal de formule vervormd zijn uit de laat-middeleeuwse, z.g. latijnse, toverspreuk hax max pax (Deus adimax). Vgl. Güntert Spr. d. Gött. u. Geister 66, 35 (naar Schindler Abergl. des MA. 261).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hocuspocus o. en m., ook in ’t Hgd., Eng. en Fr.: uit hocus-pocus-pas, de tooverformule der goochelaars: is een redupl. met gewijzigden beginklank van een vervorming van Lat. poculum = beker (uit *potlom, van potare = drinken) en de imper. van Fr. passer (z. pas 4). De goochelaar raakt met zijn tooverroede eerst een beker (hocus), dan den tweeden (pocus) aan, en maakt daarna met zijn roede een zwaai (pas) alsof hij alzoo de muskaat uit den eenen beker onder den anderen deed overgaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hokus-pokus s.nw.
1. Towerformule sonder bepaalde betekenis. 2. Kafpraatjies, geheimsinnige gedoentes met die bedoeling om te bedrieg of feite te verdoesel.
Uit Eng. hocus-pocus (1632 in bet. 1, 1647 in bet. 2), of in bet. 1 dalk uit Ndl. hocus-pocus (ongeveer 1680).
Eng. hocus-pocus en Ndl. hocus-pocus gevorm uit die naam van 'n goëlkunstenaar, met die naam wat weer afgelei is van die brabbel-Latyn wat hy in sy toertjies gebruik het.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hocus pocus ‘tussenwerpsel: toverformule’ -> Ambons-Maleis pokis-pokis ‘een uitdrukking om goochelen aan te duiden, toverkunsten’; Kupang-Maleis pokis-pokis ‘een uitdrukking om goochelen aan te duiden’; Menadonees pokis-pokis ‘een uitdrukking om goochelen aan te duiden’; Ternataans-Maleis pokis-pokis ‘een uitdrukking om goochelen aan te duiden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hocus-pocus toverformule: tussenwerpsel 1644 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut