Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hobby - (liefhebberij)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Al eerder in de 19e eeuw was de oorspronkelijke uitdrukking "hobby-horse" overgenomen. Zie ook stokpaardje.

  • Bespreking van 'Pathologisch en Physisch Betoog, dat de Aziatische Braakloop, zoodanig als dezelve in Europa en ook hier te lande is waargenomen, eene besmettelijke of contagieuze ziekte is' in Vaderlandsche letteroefeningen (1833) [1]: "De besmettelijkheid of niet besmettelijkheid worde slechts geen hobbyhorse, zoo als tristram shandy dit noemt"
  • Chequeriana. In: De Gids 16 (1852) [2]: "[...] die oog noch tijd hebben voor 't geen hen omringt, tenzij 't zich bewege in de sfeer van hun ‘hobby-horse’"
  • N.G. Pierson: Het katheder-socialisme. In: De Gids 42 (1878) [3]: "Ik verdenk hen [...] van hun leer aangaande de economische natuurwetten slechts te hebben uitgedacht voor een zeker doel, te weten om ruim baan te krijgen voor die cavalcade van hobby horses, waarvan hierboven melding is gemaakt."

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hobby zn. ‘liefhebberij’
Nnl. hobby horse ‘geliefkoosd onderwerp, stokpaardje’ in de Brief myner Tante kan merkelyk bekort worden, indien gy haar hobby horse op stal zet ‘... de passages over haar geijkte onderwerp overslaat’ [1785; WNT], hobby(-horse) “stokpaardje (eig. hobbelpaard)” [1896; Kramers II], hobby-horse ‘stokpaardje; geliefkoosd onderwerp van gesprek’ [1897; Woordenschat], hobby ‘liefhebberij’ [1934; WNT Supp. astronomie].
Ontleend aan Engels hobby ‘liefhebberij, geliefd onderwerp’ [1816; OED], verkorting van hobby-horse ‘id.’ [1676; OED]; deze betekenis heeft zich ontwikkeld via ‘stokpaard (speeltuig)’ [1589] en ‘rieten paard gebruikt bij volksdans’ [1557] uit hobby horse of hobby [1547; OED], een kleine paardensoort uit Ierland. De twee oudste attestaties van deze paardennaam zijn hobyn [1345-49; MED] en hoby [ca. 1400], eerder al hobyn ‘lichtbewapende ruiter’ [1298; MED]. De verdere herkomst is omstreden. De Engelse etymologische woordenboeken zien in Hob(by) een variant van Rob(by), verkorting van de naam Robert of Robin, die veel gebruikt werd voor paarden.
Ontlening van een naam van een Iers paardenras uit het Frans lijkt zeer onwaarschijnlijk, maar wordt expliciet verondersteld door TLF (trefwoord aubin); het bronwoord Oudfrans obin ‘klein paardenras uit Engeland of Ierland’ wordt echter niet gedateerd, verwezen wordt naar een jonger handschrift van een tekst die in de oudste vorm op die plaats spreekt van cheval d'Irlande ‘paard uit Ierland’ [13e eeuw]. Het Oudfranse woord zou een afleiding zijn van Oudfrans hober ‘onrustig bewegen’ [ca. 1307], bij hobeler ‘achtervolgen’ [ca. 1196], dat een ontlening is aan de Germaanse woordgroep genoemd onder → huppelen. Het Franse woord obin zelf heeft later een betekenisverandering ondergaan naar Middelfrans hobin ‘gebroken galop’ in aller le hobin [1534], Nieuwfrans aubin, dit naar aanleiding van de typische loopgang van het bedoelde paardenras.
Het Nederlandse woord → stokpaardje dient als vertaling van hobby-horse en heeft net als het Engelse woord zowel de letterlijke betekenis als de figuurlijke ‘geliefd onderwerp’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hobby [liefhebberij] {hobby(-horse) 1896} < engels hobby < oudfrans hobi(n) [paardje, telganger], van hober [bewegen, springen], uit het germ., vgl. hobbelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hobby znw. v. ‘stokpaardje; liefhebberij’ < ne. hobby, dat men afleidt uit de voornaam Hobin voor Robin; vgl. ook hob ‘clown; fee’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

hob’by (de, -’s), iets waarop men erg gesteld is; hartstocht, ambitie. Ik moet twee honden hebben, een poedel en een buldog. Hun hobby moet bijten zijn (Doelwijt 1971: 43). Zusterlief, je blijft een vrouw en een schatje. Maar één ding heb je verkeerd: de bonoeman* als hobby (Cairo 1976: 25). - Etym.: E en AN h. = liefhebberij, d.i. iets waar men zich in zijn vrije tijd voor zijn genoegen mee bezig houdt.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hobby (Engels hobby)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hobby ‘liefhebberij’ -> Indonesisch hobi ‘liefhebberij’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis hobi ‘liefhebberij’ (uit Nederlands of Engels); Menadonees hobi ‘liefhebberij’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hobby liefhebberij 1896 [KWT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut