Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hippie - (jong, non-conformistisch persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hip bn. ‘modieus, bij de tijd’
Nnl. hip ‘de eigenschappen van een hippie hebbend’ [1966; WNT Aanv.], “modern, eigentijds, progressief, opvallend, uitdagend-jong” [1970; Broersma], ‘modieus’ [1974; WNT Aanv.].
Ontleend aan Amerikaans-Engels hip, oorspr. met de betekenis ‘schrander; stijlvol’ [1904; OED], nevenvorm van hep ‘id.’ [1908; OED], beide van onbekende oorsprong. Met het ontstaan van de hip-cat-, hipster- en hippie-cultuur verschoof de betekenis van hip mee.
hippie zn. ‘persoon die zich door non-conformistisch gedrag en vredelievende levenswijze afzet tegen conventionele maatschappelijke opvattingen’. Nnl. hippies ‘id.’ [1967; WNT Aanv.], hippie [1973; Reinsma 1975]. Ontleend aan Amerikaans-Engels hippy, hippie ‘id.’, met als oudste attestatie these would be hippies [1953; OED] en afgeleid van hip, maar zie hierna. Hippies waren in de jaren 1960 in de VS een waar fenomeen en sinds ca. 1967 in lichtere mate ook in Nederland. Nu ze geschiedenis zijn geworden, bestaat het woordt vooral nog als historische term. Eerder dan de hippie bestond eind jaren 1930 in het Amerikaans-Engels al de hep-cat ‘liefhebber van swingmuziek’ [1938; OED], ook hip-cat, samenstelling van hep, hip ‘op de hoogte, bij de tijd’ en cat in de betekenis ‘kenner, expert’. De met het achtervoegsel -ster (zie → gangster) van hip afgeleide Amerikaans-Engelse term hipster, eerst ‘allesweter, slimme jongen’ [1941; OED] wordt daarna synoniem met hip-cat, hep-cat ‘jazzliefhebber’ [1956; OED], en krijgt dan ook de betekenis ‘moderne, opstandige jongere’ [1958; OED], waarna het synoniem wordt met hippie [1967; OED]; in de betekenis ‘moderne jongere’ is het ook ontleend als Nederlands hipster [1964; WNT Aanv.]. Het is zeker niet ondenkbaar dat hippie een verkorting is van hipster.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hippie [jong, non-conformistisch persoon] {1968} < engels hippie, hippy [idem], van hip, nevenvorm van hep [bewust, ingewijd]; mogelijk van hep (verouderd step), de kreet die de sergeant bij het marcheren gebruikt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hippie s.nw.
Jeugdige, meestal 'n tiener en veral in die 1960's, wat die morele waardes en konvensies van die volwasse samelewing verontagsaam en wie se leefwyse hiervan getuig.
Uit Eng. hippie of hippy (1953).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hippie (Engels hippie)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hippie jong, non-conformistisch persoon 1968 [R75] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut