Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hinder - (overlast)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hinderen ww. ‘belemmeren, storen’
Mnl. hinderen ‘belemmeren’ in wi [hiir] teghen dede jofte dat hinderde. die dede teghens ons openbare ‘wie dit tegenwerkte of hinderde, werkte ons openlijk tegen’ [1284; CG I, 808].
Afleiding van een niet in het Nederlands geattesteerd bw. met de betekenis ‘achter’, vergelijk Duits hinter/hinten ‘achter(aan)’ en Engels (be)hind ‘id.’, en ook het Oudnederlandse voorzetsel hinder ‘achter’ in hinder unser wande ‘achter onze muren’ [ca. 1100; Will.]. De verdere etymologie is niet helemaal duidelijk; men denkt aan een achtervoegsel voor de vergrotende trap*-tera- bij een voornaamwoordelijke stam *hi- zoals in → heen.
Mnd. hinderen; ohd. hintarōn (nhd. hindern); ofri. hinderia (nfri. hinderia); oe. hindrian (me. hindren, hyndre; ne. hinder); on. hindra (nzw. hindra); alle met ongeveer dezelfde betekenis; < pgm. *hindarōn-, afleiding van pgm. *hindara- ‘achter’, waaruit nhd. hinter/hinten; ne. (be)hind.
hinder zn. ‘last, overlast’. Mnl. sonder antale ende hinder van ons ende van onsen nacomelingen ‘zonder aanspraak of hinder door ons of onze nakomelingen’ [1297; CG I, 1412]. Afleiding van hinderen. ♦ hinderlaag zn. ‘list, valstrik’. Vnnl. in ... te vallen in der vyanden hinder-laghen ende achterhout ‘in vijandelijke valstrikken te vallen’ [1603; WNT Supp. achterhouden], hinderlaaghen [1642; WNT weifelen]. Samenstelling met het zn.laag 1 in de verouderde, maar in het Middelnederlands belangrijkste betekenis ‘valstrik, hinderlaag’, mnl. lage [1240; Bern.]. Toen deze betekenis van laag in de 17e eeuw verouderd raakte en niet meer werd begrepen, werd het woord verduidelijkt met een eerste lid hinder; het is dus oorspr. een tautologie. Tegenwoordig bestaat laag in deze betekenis nog in de vaste verbinding listen en lagen ‘misleiding, bedrieglijke slimheid’. Van de vele Middelnederlandse en Vroegnieuwnederlandse samenstellingen met en afleidingen van lage/laag is verder alleen → belagen nog blijven bestaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hinder* [overlast] {1297} van het bijw. hinder [achter, achteruit, in het ongeluk], waarin het element hi een i.-e. voornaamwoordelijke stam vertegenwoordigt, waarvoor vgl. hier.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hinder znw. m., mnl. hinder ‘hinder, letsel, nadeel, verdriet’, mnd. hindere ‘hindernis, nadeel’, mhd. hinder ‘hindernis, vertraging’, ofri. hinder ‘hindernis’, on. hindr ‘hindernis’. — Afl. van hinderen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hinder znw., mnl. hinder m. (o. v.) “hinder, letsel, nadeel, verdriet”. Evenals mhd. hinder m. “hindernis, vertraging”, mnd. hindere m. (o.) “hindernis, nadeel”, ofri. hinder (m.?) “id.”, on. hindr o. “belemmering” gevormd van mnl. hinderen “hinderen, belemmeren, schade lijden” (nnl. hinderen), ohd. hintiren, hinderôn “hinderen, belemmeren” (nhd. hindern), mnd. hinderen “verhinderen, schade toebrengen, arresteeren, confiskeeren”, owfri. hinderia “hinderen, tegenhouden, achterhouden”, ags. hindrian “verhinderen, tegengaan” (eng. to hinder), on. hindra “hinderen, afhouden van, talmen”. Dit is een afl. van het bijw.-voorz. mnl. hinder “achter, achteruit” (alleen als bijw., zeer zelden; vaker hinderwaert “achteruit”), ohd. hintar (nhd. hinter) “achter”, os. *hindar (bnw. hindiro “de latere”), owfri. hindera, hendera “achter”, ags. hinder “weg, (naar) beneden”, (on. hindri “de latere, verdere”, hindrvitni v. “bijgeloof”), got. hindar “achter”; dit is een van de afll. van de germ. basis χinð-, die is gevormd van den pronominaalstam *χi-, idg. *ki-; vgl. daarover hij.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hinder m., Mnl. id., verbaalabstr. van hinderen = achteruitdrijven + Ohd. hintarón (Mhd. en Nhd. hindern). Ags. hindrian (Eng. to hinder), On. hindra: afgel. van het bijw. en voorz. *hinder = achter (nog in hinderlaag) + Ohd. hintar (Nhd. hinter), Ags. hinder, Go. hindar, afgel. met comparatiefsuffix (z. achter) van heen; met andere suff. heeft men nog Ohd. hintana (Nhd. hinten), Ags. hindan (Eng. hind). Go. hindana en Ags. hindema (Eng. hindmost), Go. hindumists.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hinder bet. oorspr. achter (vgl. nog ’t Hgd. hinter = achter). Zoo had men in ’t Mnl. hinderwaert = achterwaarts. Vgl. ook nog: hinderlaag = achter iets liggen, en bij Hooft: hinderhoede = achterhoede. Ons w.w. hinderen bet. dus eig.: naar achteren brengen, achteruit doen gaan, in tegenstelling met (be)vorderen: naar voren doen gaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hinder ‘overlast’ -> Sranantongo (h)endri ‘overlast’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hinder* overlast 1297 [CG I4, 2412]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut