Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hilde - (zoldering boven een stal)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hild*, hilde [zoldering boven een stal] {hilde 1573} ook hilt, hilte, middelnederduits hilde, van hellen, dus de oorspr. betekenis was ‘hellend dak’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hild of hilde znw. v. ‘zoldering van losse planken boven de stal (gew. in Gron. Friesl., Drente, Overijsel, Gelderl. en Utrecht), mnd. hilde v. ‘plaats boven stal voor het hooi’, on. hilla v. ‘uitstekende rand, plank’. — Een afleiding van germ. *helþa, vgl. on. hjallr m. ‘stellage, verhoging’, hjalli m. ‘bergterras’, nnoorw. hjell ‘stellage, zoldering’, nzw. hjäll(e) ‘stellage om vis te drogen’, ode. hjæld ‘hooizolder, bijgebouw’, nde. dial. hjald, hjold, hild ‘hooizolder’.

De herkomst van dit woord is onzeker (vgl. Aakjær, Fschr. Dahlerup 1934, 39 en vooral M. Eriksson, Hjäll och tarre 1943). Men kan het brengen bij de idg. wt. *kel ‘zich verheffen’ (waarvoor zie: hil) of bij helm en dan eigenlijk ‘vlechtwerk van takken of latten voor de stalzoldering’. Het laatste lijkt wel het waarschijnlijkst. — Volgens de kaart van W. G. Rensink, Taalatlas 7, 5 komt dit woord voor in het Oosten van Utrecht, op de Veluwe en in de Achterhoek, in het Oosten van Drente en Groningen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hild, hilde v. (hooizolder), uit dilt, opgevat als de-ilt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut