Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heuvel - (kleine verheffing van het aardoppervlak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heuvel zn. ‘kleine verheffing van het aardoppervlak’
Onl. huvil ‘heuvel’ [10e eeuw; W.Ps.], ‘id.’ [ca. 1100; Will.]; mnl. houel [1240; Bern.], huevel [1300-25; MNW-R], heuvel [1348; MNW-P].
Vóór de 14e eeuw komt dit woord alleen voor in oostelijke of oostelijk getinte bronnen en gezien de geografische gesteldheid van het Nederlandse taalgebied zal het woord inderdaad vanuit het oosten zijn verspreid. De mnl. vorm met -o- kan een dialectische vorm zonder i-umlaut aanduiden, maar dat is niet zeker: de spelling van de /ö/ die met i-umlaut uit *hubil- resulteerde, en die gerekt werd in open lettergreep, was variabel, tot in de 15e/16e eeuw onder invloed van het Frans de spelling -eu- gebruikelijk werd.
Mnd. hovel; ohd. hubil (mhd. hübel; nhd. Hübel is verouderd); met ander achtervoegsel ook mnl. hover ‘bult, bochel’ [ca. 1470; MNW]; os. hoƀar ‘id.’; ohd. hovar ‘id.’; oe. hofer ‘id.’; < pgm. *hubil-/-ar-.
Wellicht verwant met: Litouws kupra ‘bult’, kupstas ‘hoop’ en kaupas ‘heuvel’; Oudkerkslavisch kupŭ ‘hoop’; Avestisch kaofa ‘berg’; Albanees kjipi ‘hoop’; bij de wortel pie. *k(o)up- (in het Germaans met grammatische wisseling), dat traditioneel als afleiding van de wortel pie. *keu- ‘zich krommen, buigen’ beschouwd wordt. Zie echter → heup.
Lit.: Beekes 1996, 223-227

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heuvel* [verheffing van aardbodem] {hovel, hoevel, heuvel 1201-1250} middelnederduits hovel, oudhoogduits hubil; buiten het germ. latijn cupa [kuip, vat], grieks kupellon [beker], litouws kaupas [hoop], oudkerkslavisch kupŭ [idem] (russisch kupa); de grondbetekenis is ‘buigen, welven’ → heup, hoop1, huif.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heuvel znw. m., mnl. hōvel, hoevel, huevel m. ‘heuvel, bochel’, mnd. hōvel ‘heuvel, bochel’, mhd. hübel ‘heuvel’. Met een andere afl.: mnl. hōver ‘bult’, os. hoƀar (in hoƀaradi ‘gebocheld’), ohd. hovar, oe. hofer ‘bochel, bult’. — lat. cupa ‘ton, kuip’, lit. kaũpas ‘hoop’, osl. kupŭ ‘hoop’, oi. kū́pa- ‘holte, kuil’ van idg. wt. *keup (IEW 591) naast *keub, waarvoor zie: heup.

Uit de nnl. bijvorm hovel zal ontleend zijn ne. hovel ‘verhevenheid op de kop van de walvis’ (sedert 1694), overgenomen als term der walvisvaarders (Bense 148). — Met nl. kolonisten kwam het woord ook naar de Mark, waar wij vinden hœwel en derg. vormen (vgl. Teuchert, Sprachreste 171-2).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heuvel znw., mnl. hōvel, hȫvel m. “heuvel, bochel”. = mhd. hübel m. “heuvel”, mnd. hōvel. m. “heuvel, bochel”. Verwant met mnl. hōver, ohd. hovar, os. *hoƀar (in hoƀaradi “gebocheld”), ags. hofer m. “bochel, bult” en buiten ’t Germ. met lit. kuprà “bochel”, kùpstas “heuvel” (zie hoop I). De wortel qū̆p- kan oorspr. “buigen” beteekend hebben en uit qū̆ + p- zijn ontstaan (vgl. bij heup): dan kunnen nog allerlei andere woorden van ditzelfde qū̆p- komen, o.a. ags. hŷf v. “bijenkorf” (eng. hive), on. hûfr m. “scheepsromp”, ier. cûach “kop, nap”, lat. cûpa “kuip”, gr. kúpē· trṓglē (Hes.), kúpellon “beker”, oi. kū́pa- “hol, groeve”. Vgl. hof en huif. Anderen gaan ‒ minder wsch. ‒ voor heuvel en een deel van de geciteerde woorden uit van een wortelbet. “samenvatten” en combineeren ze met schoof.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heuvel m., Mnl. hovel + Ohd. hubil (Mhd. en Nhd. hübel); met ander suffix Ohd. hofar, Ags. hofer = bult + Lit. kuprà == bult, kùpstas = heuvel: verwant met hoop 1. Hgd. hügel behoort tot hoog en Eng. hill tot halm en hals.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

heuvel 'natuurlijke terreinverheffing, hoogte'
Onl. huvil 'heuvel', mnl. houel, huevel, heuvel, mnd. hovel, ohd. hubil 'natuurlijke terreinverheffing, hoogte'. Vanuit de oostelijke dialecten in het Nederlandse taalgebied verspreid. Relatief jong toponymisch grondwoord, met name gebruikt in Brabantse plaatsnamen, waar het vaak moeilijk te onderscheiden is van hovel, een afleiding van hof met de betekenis 'plein waar boerderijen omheen liggen'1.
Lit. 1Peeters 1987.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heuvel, oorspr. elke knobbel, bult of ronde hoop, later meer een berg in ’t klein. Verwanten zijn hobbel en hoop.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heuvel ‘verheffing van aardbodem’ -> Engels hovel ‘knobbel op de kop van een walvis’; Duits dialect Höwel, Hübel, Hewen, Häwl, Häul, Häl ‘verheffing van aardbodem’;? Duits dialect Huelle, Hull, Hüll, Hülle ‘lage, begroeide heuvel’; Frans dialect houel, hoveau, hoviau, houvieu; huvel ‘hoop(je) graan, in één slag afgemaaide hoeveelheid gras; hoop, stapel’; Zuid-Afrikaans-Engels heuweltjie ‘oud termietennest als vruchtbare verhevenheid’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heuvel* verheffing van aardbodem 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut