Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heus - (echt, werkelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

heus bn. ‘echt, werkelijk’
Mnl. eerst in de vormen hovesch, houesch, hofsch, hoesch met betekenissen als ‘betreffende het hof, beschaafd, wellevend’, zie hiervoor bij → hoofs. Dan in de spelling hue(f)s in mit goeden hueschen roedekijns ‘met goede deugdelijke latjes’ [1406; MNW], ook in de afleiding huefscheid ‘beleefde geste’, in sonder enyge meyde off heufscheide dair of te nemen ‘zonder enig geschenk of fooi aan te nemen’ [1408; MNW]; vnnl. heuselick (bw.) ‘zacht’ [1550; Stall.], heus(ch) ‘eerlijk, oprecht’ in speelt heus en open spel [1618; WNT]; nnl. ‘werkelijk’ in meheer doet het heusch! [1840; WNT].
Heu(f)sch is oorspr. een gewestelijke, vooral Hollandse, Zeeuwse en Vlaamse, klankvariant van hoo(f)sch, zie → hoofs, dat is ontstaan uit hovesch, hofsch, een afleiding met bijvoeglijke → -s van → hof, verbogen vorm hove, in de betekenis ‘verblijfplaats van adellijke personen’; in heus is de -f- verdwenen door assimilatie. De klinker /ö/ wordt pas vanaf ongeveer de 15e eeuw als eu of ue geschreven; daarvoor was o, oe gebruikelijker.
De betekenisovergang ‘beschaafd (van personen en van handelingen)’ naar ‘deugdelijk (van zaken)’ is al Middelnederlands. De gelijkstelling van beschaafdheid met eerlijkheid en oprechtheid heeft in de Nieuwnederlandse periode tot de huidige betekenis ‘echt, werkelijk’ geleid.
onheus bn. ‘onwellevend, onfatsoenlijk’. Mnl. onhovesch ‘onbeschaafd, ongemanierd’, bijv. in warumbe ... spraecti onhoefsce wort te mj ‘waarom zei u onbeschaafde woorden tegen mij?’ [1290; CG II, En.Cod.], zowel van personen als van daden of woorden; nnl. zy geloofde zeer onheusch te zyn bejegend [1787; WNT]. Afleiding met → on- ‘niet’ van het hierboven besproken woord, waarin de oorspr. betekenis nog is bewaard gebleven. In het Middelnederlands heeft het woord een veel sterkere ongunstige betekenis dan in de hedendaagse taal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heus* [echt, hoffelijk] {huesch [beschaafd, deugdelijk, geschikt] 1406} dus een nevenvorm van hoofs.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heus bnw., mnl. hoosc, huesc ‘hoofs, hoffelijk, wellevend, deugdelijk’ < huevesc, dat een afl. is van hof, vgl. mhd. hübesch, hübsch ‘hoofs, wellevend’. Onder invloed van de verbogen vormen van hof ontstond daarnaast mnl. hōvesc, vgl. mnd. hōvesch, mhd. hovesch, hovisch, höfsch ‘hoofs, wellevend’. — Zie nog: hoffelijk en hups.

Op deze woorden heeft stellig het voorbeeld van fra. courtois invloed gehad. — De afgeleide betekenis ‘deugdelijk’ was weer aanleiding tot heus ‘werkelijk’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heusch bnw., mnl. hoosc, huesc (ȫ) “hoofsch, hoffelijk, wellevend, goed, deugdelijk”; uit hȫvesc (voor den vorm vgl. proost), een afl. van hof; uit de bet. “deugdelijk” de nnl. bet. “werkelijk”. In de meeste gevallen echter moet mnl. hōvesc met ō uitgesproken worden en uit dit hōvesc ontstond ndl. hoofs. Deze ō-uitspraak berust op hernieuwde afleiding van resp. aansluiting bij hof, gen. hōves. Op een dgl. wijze ontstond mhd. hövesch, hövisch, höfsch “hoofsch, wellevend” (Nhd. höfisch heeft dezelfde meer beperkte bet. gekregen als nnl. hoofs) naast het oudere mhd. hübesch, hübsch “hoofsch, hoffelijk, wellevend”, laat-mhd. ook “mooi, aardig” (nhd. hübsch). Ook ’t Mnd. heeft hōvesch “hoofsch, hoffelijk, wellevend”, ’t Owfri. onhouwysch, onhoueslik “onfatsoenlijk, schaamteloos”. Deze woordgroep is in de bet. beïnvloed door fr. courtois “beleefd, hoffelijk”: court “hof. Vgl. nog hoffelijk. Laat-mnl. hubs(c), hups(c) “mooi, vroolijk” (nnl. hups) is uit het Mhd. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heusch bijv., Mnl. hovesch, hoofsch + Mhd. hübesch (Nhd. hübsch): afgel. van hof; vergel. Fr. courtois van cour (z. ook hups).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heusch, Mnl. hovesch, hoofsch, heufsch, afl. van hof = hoffelijk: een heusche bejegening. Vgl. ’t Mnl.: „U doghet (deugd) ende u hoveschede” = hovesc-heid = hoofsch-heid en ook: „Hi groette se hoveschelike” (heuschelijk). Onheusch = oneerlijk, valsch, vandaar dat heusch óók bet.: echt, bijv. een heusche ezel; ’t is heusch waar. ’t Hgd. maakte van dit woord hübsch = bevallig (zooals aan ’t hof), aardig; bij ons hupsch.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heus ‘werkelijk’ -> Petjoh heus-heus ‘werkelijk waar, echt waar’; Javindo hees, geus ‘werkelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heus* hoffelijk 1406 [MNW]

heus* werkelijk 1866 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal