Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heup - (gewricht tussen romp en been)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heup zn. ‘gewricht tussen romp en been’
Mnl. hoep, huppe ‘rug’ [1240; Bern.], in die hopen boven broecgordele ‘in de heupen, boven de gordel’ [1351; MNW], met ontronding sine hepen ende sine leden ‘zijn heupen en ledematen’ [1365-85; MNW-R], lendenen ofte huepen ofte eenich ledt ‘lendenen of heupen of een ledemaat’ [15e eeuw; MNW], opten huepe van sinen paerde ‘op de heupen van zijn paard’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. heupe, hufte ‘heup’ [1573; Thes.].
Mnd. hüp, hüf(te), met -t- wellicht onder invloed van schuft ‘schoft, schouder’ (zie → schoft 2; zo ook bijv. Zaans huft); ohd. huf (nhd. Hüfte onder invloed van het mnd.); oe. hype (ne. hip); got. hups; < pgm. *hupi-, *hupja-. Daarnaast on. (aptr-)huppr ‘lende’ (nno. dial. hupp; nzw. höft < mnd.); < pgm. *hump-.
Verwant met: Latijn cubitum ‘elleboog’; misschien Grieks kúbos ‘holte boven de heup (van vee)’; < pie. *kub-, nultrap van *keub- ‘kromming in het lichaam’ (IEW 589), wat een afleiding zou zijn van pie. *keu- ‘zich krommen, buigen’. Ablautend verwant is → hoop 1 < pie. *koub-. Traditioneel worden nog diverse andere woorden met een betekenis ‘kromming, uitholling, uitstulping’ genoemd die verwant zijn of zouden zijn, bijv.heuvel (pgm. *hub-), → homp (pgm. *hump-), → kom (pgm. *kumb-), Balto-Slavisch *koup- ‘hoop’. Daarbij gaat men meestal voorbij aan de kleine formele verschillen. Juist vanwege de typische kenmerken van deze vormenvariatie, die vooral tot Noordwest-Europa beperkt blijft, neemt Beekes (1996) herkomst uit een voor-Indo-Europese taal aan.
De klinker /ö/ is ontstaan door umlaut van de Germaanse /u/ (in open lettergreep) en wordt pas vanaf ongeveer de 15e eeuw als eu of ue geschreven. Daarvoor was o, oe gebruikelijker.
Lit.: Beekes 1996, par. 5

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heup* [gewricht tussen bovenbeen en romp] {ho(e)pe, heupe, hepe [heup, achterschenkel] 1201-1250} oudhoogduits huf, oudengels hype, gotisch hups; buiten het germ. latijn cubitum [elleboog], grieks kubos [wervel, holte boven het heupgewricht, eig.: buiging]. De uitdrukking het op zijn heupen hebben bevat misschien een herinnering aan het Oude Testament, waar op de heupen kloppen als blijk van ontsteltenis voorkomt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heup znw. v., mnl. hōpe, heupe, huepe m., ohd. huf v., oe. hype m. (ne. hip), got. hups m. ‘heup’. Daarvan afgeleid zijn mnd. hufte (> de. hofte, zw. höft), laat-mhd. hufte (nhd. hüfte), vgl. nog Zaans huft (verouderd). — Idg. wt. *keub voor kromme delen en gewrichten van het lichaam, zoals gr. kúbos ‘holte voor de heup van het vee, ruggewervel; dobbelsteen’, lat. cubitum ‘elleboog’, kymr. gogof ‘holte’. — Zie verder: heuvel, hiep 2, homp, hop 3 en huppelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heup znw., mnl. hōpe, hȫpe, hēpe m. v. = ohd. huf v., ags. hype m. (eng. hip), got. hups m. “heup”. Een verlengde stam in laat-mhd. hufft(e) v. (nhd. hüfte), mnd. hufte v. (waaruit de. hofte, zw. höft), verouderd Zaansch huft “heup”. Verwant met lat. cubitum, cubitus “elleboog”, gr. kúbos “holte bij de heup”. Wsch. niet van een wortel ḱub- (zie schoft II), maar van qub- “buigen” evenals lat. cubo “ik lig”, cumbo “ik ga liggen”, oi. kubjá- “krom, bultig”. Uit het Germ. nog hierbij mnl. hop o. “haven, inham” (nog dial. en in eigennamen, zooals Hoornsche hop), ags. fen-hop, môr-hop o. “moerasschuilplaats”, ags. on-hupian, on. hopa “terugwijken” en met nasaalinfix on. aptr-huppr m. (pp uit mp) “zijde van een dier, bij den schenkel”. Vgl. nog homp. De wortel qub- is een verlenging van qu-. Voor andere verlengingen zie huppelen, heuvel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heup. Zuidndl. vormen (Leuven, Tongeren) schijnen op een ô-stam tegenover de normale i-stam te wijzen: v.Wijk Tschr. 31, 293. Een zeer oude ontl. uit het Germ. is fins kuve ‘weke delen bij de heupen’: Karsten APhSc. 1, 275.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heup v., Mnl. heupe + Ohd. huf (Mhd. id., Nhd. hüfte met anorgan. t uit het meerv. hüffe), Ags. hype (Eng. hip), Go. hups + Gr. kúbos = holte vóór de heup, kúptein = buigen, Lat. cubitus = elleboog. Zw. höft en De. hofte zijn ontleend aan ’t Hgd.; On. huppr staat voor humpr (z. homp).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

hoop, zn.: heup. Hetzelfde woord als Ndl. heup maar zonder umlaut.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

heup s.nw.
1. Gedeelte van die liggaam wat die heupgewrig vorm en omring. 2. Gedeelte van 'n kledingstuk wat die heup (heup 1) bedek.
Uit Ndl. heup (al Mnl. in bet. 1, 1781 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. hip.
Vgl. D. Hüfte.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

hoop heup (Zuid-Limburg). = ohgd. huf ‘id.’, got hups ‘id.’. ~ huft ↑. NI. heup (= oeng. hype, eng. hip) is wel hetzelfde woord als hoop, maar heeft langer de stamvormende i behouden (*hupi) waardoor daar umlaut is opgetreden.
WLD I afl. 9, 30, 62.

huft, huf schoft v.e. dier (Huissen). = 17e-eeuws nholl. huft ‘heup’. = hgd. hüfte ‘heup’. ~ heup (= got. hups). Van een basis die ‘kromming’ betekent en ook aanwezig is in lat. cubitum ‘elleboog’ en oind. kubra ‘groeve ‘ en gr. kúbos ‘holte voor de heup bij het vee, ruggewervel, dobbelsteen’.
Huissen 79, IEW 589-590, Boekenoogen 355.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heup ‘gewricht tussen bovenbeen en romp’ -> Duits dialect Häöp ‘gewricht tussen bovenbeen en romp’; Negerhollands hep, heep ‘lende’; Papiaments hep (ouder: heep) ‘gewricht tussen bovenbeen en romp’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heup* gewricht tussen bovenbeen en romp 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

904. Het op de heupen hebben (- krijgen),

d.w.z. in een opgewonden gemoedstoestand verkeeren of geraken, d.i. slecht gehumeurd zijn òf met een aanval van buitengewonen ijver iets doenMag men hierin eene herinnering zien aan de oudtestamentische gewoonte om op de heupen te kloppen als teeken van groote ontsteltenis en droefheid? Of moeten we denken aan verschijnselen bij een heuplijden?. De uitdr. staat opgegeven bij Harreb. I, 307 b; ook komt ze voor O.K. 166; 170; Uit één pen, 144; Sjof, 158; 176; 218; Kmz. 24; Jord. 195; 235; Speenhoff VII, 25; Heyermans, Ghetto, 11; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 236: De rooie huzaren waren er ook bij uitgenoodigd om te hooren wat de generaal van Den Haag vandaag op z'n heupen had. Vgl. de soortgelijke uitdr. 't op de zenuwen, op de borst hebben; het op den asem hebben (Waasch Idiot. 280); 't veur de nieren hebben, zwanger zijn (Molema, 545 a); het voor zijn speetjes (?) hebben = dronken zijn (Gew. Weuw. III, 69); het voor zijn kiezen krijgen (ald. bl. 39; ook Harreb. 399; B.B. 151); het voor de nieren hebben, dood gaan (Gallée, 30 b; Draaijer, 27 b); in Twente: 't veur de stikken krîgen, sterven; hij heeft het voor zijn ster (dronken; Nav. 1897; 59); 't op zijn ruiker(d) hebben, zich meer dan anders inspannen (Onze Volkstaal III 254; Menschenw. 312; 431; Lev. B. 95); 't voor zijn kriek hebben (ongesteld, dronken zijn; Boekenoogen, 514; evenzoo bij De Vries, 80, die het ook vermeldt van een vrouw: zwanger zijn); hij het et van dage op de butte, goedgehumeurd (Dr. Bl. II, 51); fri. hy het it for de krint (ongesteld); hy heeft het voor zijn maag (dood; Sewel, 470); hij heeft het hard voor zijn scheenen (kwaad te verantwoorden; Halma, 560); het voor zijn hart hebben (dronken of verliefd zijn; Ndl. Wdb. VI, 10); 't op 't lijf hebben, iets in den zin hebben (Gunnink, 162).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut