Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heugen - (in de herinnering zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heugen ww. ‘in de herinnering zijn’
Onl. in gehuggon ‘herinneren, gedenken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hogen ‘herinneren, zich verheugen’, bijv. in “Hoghe,” sprac soe ter vrouwen ‘wees verheugd, zei zij tegen de vrouw’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. heughen, gheheughen ‘zich herinneren’ [1599; Kil.]. Tegenwoordig alleen nog met een zaak als onderwerp en een persoon (meestal een vnw.) in de datief: een pak ransel ..., dat hem zijn heele leven zoû heugen [1901; WNT].
Oude afleiding van de stam pgm. *hugi-, *hugu- van → heug. De mnl. vormen met -o- kunnen een dialectische vorm zonder i-umlaut aanduiden, maar dat is niet zeker: de spelling van de /ö/ die met i-umlaut uit *hugi- resulteerde en die gerekt werd in open lettergreep, was variabel, tot in de 15e/16e eeuw onder invloed van het Frans de spelling -eu- gebruikelijk werd.
Os. (gi)huggian ‘onthouden’; ohd. bihuggen, gihuggen ‘onthouden, gedenken’; oe. hycgan ‘denken, wensen’; on. hyggia ‘id.’; got. hugjan ‘id.’; < pgm. *hug-jan-.
Daarnaast uit pgm. *hugōn-: ofri. hugia ‘denken, bedoelen’ (nfri. heuge, hûgje, húgje); oe. hogian ‘denken, wensen’; on. huga ‘overwegen, overdenken’ (nzw. håga). En uit pgm. *hugēn- nog ohd. hogēn ‘denken, bedoelen’.
Ten slotte met andere achtervoegsels: on. hugga ‘troosten’ (nno. hugge; ne. hug ‘koesteren, omhelzen’), hugsa ‘bedenken, van plan zijn’ (nno. hugse ‘zich herinneren’).
Van de diverse vormen met voorvoegsel die het Middelnederlands kende, zoals gehogen ‘zich herinneren’, verhogen ‘verblijden’, wanhogen en onthogen ‘bedroeven’, mishogen ‘droevig zijn’, is alleen verhogen in de vorm → verheugen blijven bestaan. Uit gehogen is een gesubstantiveerde vorm → geheugen ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heugen* [herinnerd worden] {hogen, heugen [heugen, verheugen] 1330} oudsaksisch huggian, oudnoors hyggja, gotisch hugjan [menen, denken] en daarnaast oudnoors huga [denken], oudwestfries hugia, oudengels hugian [troosten]; afgeleid van heug.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heugen ww. mnl. hōghen, huegen, heugen ‘denken aan, zich herinneren, verlangen naar, zich verheugen, een bewijskrachtige verklaring afleggen’, ook onpers. ‘heugen, zich herinneren, verlangen, zich verheugen’ en trans. ‘verheugen’. Men moet onderscheiden tussen germ. *hugjan vgl. os. huggian, ohd. huggen, hucken, oe. hycgean, on. hyggja, got. hugjan en germ. *hugēn, vgl. ohd. hogēn, owfri. hugia, oe. hogian, on. huga. — Mnd. hōgen betekent ook ‘troosten’, evenals on. hugga, dat men kan opvatten als intensief-formatie met gg, of ook als afl. van een bnw. *hugigr, hugugr (Hellquist GHÅ 14, 1908, Nr. 2, 30). — Zie: heug.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heug znw., mnl. hōghe, hȫghe m. v. “beraad, herinnering, gedachte, vroolijkheid”. < *χuʒi-, hōghe misschien ook < *χuʒu-, beide komen evenals *χuʒan- in deze bett. benevens = “moed, geest” in de germ. talen voor: ohd. hugi, hugu m., os. hugi, ofri. hei, ags. hyge, got. hugs m. (alle vier *χuʒi-), on. hugr m. (*χuʒu-), hugi m. (*χuʒan-); ags. ymb-hoga m. “zorg”. Hierbij heugen, mnl. hōghen, hȫghen “denken aan, zich herinneren, verlangen naar, zich verheugen, een bewijskrachtige verklaring afleggen”, ook onpers. = “heugen, zich herinneren, verlangen, zich verheugen” en trans. = “verheugen”, waarin twee germ. ww. kunnen voortleven: 1. = ohd. huggen, hucken, os. huggian, ags. hycg(e)an, on. hyggja, got. hugjan “denken, meenen”, 2. = ohd. hogên, owfri. hugia, ags. hogian, on. huga “id.”. In de bet. “verheugen, troosten” komt ook mnd. hōgen voor, = “troosten” ook noorw. dial. hugga e.a. ngerm. vormen. Vgl. verheugen. Oorsprong onzeker. Men vergelijkt: 1. lit. kaũkas “kobold, ongedoopt gestorven kind”, 2. oi. çúci- “schitterend, rein”, çócati “hij schittert, brandt, lijdt pijn, treurt”, 3. oi. kuh-” verstoppen”, waarvan kuhaka- “goochelaar, goochelarij”, 4. arm. xausem “ik spreek”, 5. hoog (*χuʒi- enz. oorspr. = “moed”), 6. oi. kúçala- “in goede orde, gepast, gezond, handig, ervaren”. De aan hypothese 3 ten grondslag liggende overweging, dat germ. χuʒ- wsch. idg. gh of ĝh heeft gehad, is zeer plausibel, maar de etymologie is niet wsch.: *χuʒi- enz. zou dan oorspr. = “in ’t lichaam verstopt gedachte-menschje” zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

häöge (ww.) heugen; Aajdnederlands gehuggon <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

heugen: zich heugen (heugde zich, heeft zich geheugd), (alg.) zich herinneren. De getuige kon zich alles niet precies heugen, maar wist wel dat hij na fiat van de RvT naar de toppers* van de bank was gestapt (DWT 21-2-1981). - Etym.: In AN zijn alleen constructies juist als ’het heugt mij, dat...’, ’de tijd heugt mij, dat...’ e.d. De SN bet. komt in Ned. wel voor, maar weinig.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

heug I: onpers. of refl. ww., “herinner”; Ndl. heugen (Mnl. hōghen/hueghen/heughen, “dink aan; (jou) herinner; (jou) verheug oor; verlang na”), blb. het twee ww., enersyds Os. huggian, Ohd. huggen, Oeng. hycgean, On. hyggja en Got. hugjan en andersyds Ohd. hogen, Oeng. hogian en On. huga, deureengeloop, maar vrae oor verb. en verhouding nog nie ten volle verkl. nie.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heugen* herinnerd worden 1330 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut