Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heten - (genoemd worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heten ww. ‘genoemd worden’
Onl. hēton ‘genoemd worden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. heeten ‘noemen’ (overgankelijk), in di wege si samenen sig al da, des is di stat dar na geheiten traiectum ‘de wegen komen daar samen, daarom is de stad daarnaar Trajectum (= Maastricht) genoemd’ [1200; CG II, Servas], ‘bevelen’ in dat heit ic u ‘dat beveel ik u’ [1220-40; CG II, Aiol], ‘genoemd worden, heten’, in si hiet urou aihe uan montone ‘ze heette vrouwe Aihe van Montone’ [1220-40; CG II, Aiol]; het zwak preteritum heette(n) vanaf de 15e eeuw. Voor de verbinding welkom heten zie onder.
Os. hētan (mnd. hē(i)ten); ohd. heiz(z)an ‘noemen, roepen, bevelen’ (mhd. heizen; nhd. heißen ‘heten’); ofri. hēta (nfri. hjitte ‘bevelen’, hite ‘heten’); oe. hātan ‘noemen, bevelen, beloven’ (ne. vero. hight ‘noemen’); on. heita ‘noemen, roepen, beloven’ (nzw. heta ‘heten’); got. haitan ‘noemen, roepen’; < pgm. *haitan-.
Verdere etymologie onduidelijk. Buiten het Germaans zijn er geen directe verwanten, maar algemeen wordt aangenomen dat pgm. *haitan- geïnterpreteerd moet worden als een afleiding met dentaal en ablaut *koih2-d- van de wortel pie. *keih2- (IEW 538) zoals in Grieks kíein ‘gaan, bewegen’ (zie → kinetica), Latijn ciēre ‘in beweging brengen, oproepen’ (zie → citeren). Voor de betekenisontwikkeling ‘bewegen, doen bewegen’ > ‘oproepen’ > ‘noemen’: vergelijk Latijn pellere ‘stoten, slaan’ naast appellere ‘drijven naar, richten op’, appellāre ‘aanroepen’, waaruit Frans appeler ‘roepen, noemen’. Een andere mogelijkheid, met een vergelijkbare betekenisontwikkeling, is verband met Latijn caedere ‘slaan, hakken, snijden’, zie → incisie.
Wat de oorspr. betekenis van het Germaanse woord moet zijn geweest, ‘noemen’ of ‘gebieden, bevelen’, is niet zeker, daar beide ook in de meeste andere Germaanse talen al naast elkaar voorkomen. Wrsch. heeft ‘noemen’ de oudste rechten: de secundaire betekenissen zijn in veel gevallen immers verdwenen en overgenomen door werkwoorden met voorvoegsels, zoals mnl. beheten en ontheten, beide ‘bevelen, beloven’, Duits verheißen ‘beloven, voorspellen’ en Gotisch faírhaitan ‘(be)danken’.
Van alle oude betekenissen resteert nu alleen nog het onovergankelijke heten ‘genoemd worden’, met uitzondering van de uitdrukking iemand welkom heten. In het Middelnederlands bestond al de vaste verbinding enen willecome heeten wesen of sijn, letterlijk ‘iemand welkom gebieden te zijn’: die maget edel ende fijn din here hit willecome sijn ‘de edele en mooie jonkvrouw heette de heer welkom’ [1265-70; CG II, Lut.K], hi ... hietene willecome wesen ‘hij heette hem welkom’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.]. Door het verouderen van de betekenis heten ‘gebieden’ werd de precieze syntaxis hiervan niet meer begrepen en kon het inhoudsloze werkwoord zijn of wezen aan het eind vervallen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heten* [de naam dragen] {heeten [verklaren, noemen, gebieden, beloven, heten] 1200} oudsaksisch hetan, oudhoogduits heizzan, oudfries heta, oudengels hatan, oudnoors heita, gotisch haitan; buiten het germ. latijn ci(ē)re [in beweging brengen, i.h.b. door roepen: ontbieden], grieks kineō [ik beweeg me, ik ga] (vgl. cinema).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heten ww., mnl. hêten ‘noemen, bevelen, beloven, verklaren, heten’, onfrank. heitan (vgl. heitinga ‘vota’ en etan ‘vocari’), os. hētan, ohd. heiʒʒan (nhd. heissen), ofri. hēta ‘bevelen, noemen, heten’, oe. hātan, on. heita ‘bevelen, noemen, heten, beloven’, got. haitan ‘noemen, roepen’.

Wanneer men de t als formans beschouwt kan men vergelijken lat. ciēo ‘in beweging brengen’, citus ‘snel’, gr. kíō ‘ga’, kinēō ‘zet in beweging’ (IEW 538). Maar semantisch is deze verbinding zeer onbevredigend. — De verschillende betekenissen laten zich alle terugbrengen op functies, die in de dinggemeenschap haar plaats hadden; daarom wil J. Trier Archiv f. Lit. u. Volksdichtung 1, 1949, 94 aan heem aanknopen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heeten ww., mnl. hêten “noemen, bevelen, beloven, verklaren, heeten”. = onfr. heitan (blijkens heitinga “vota”; ook êtan “vocari” komt voor), ohd. heiʒan “bevelen noemen, heeten” (nhd. heissen), os. hêtan, ofri. hêta “id.”, ags. hâtan, on. heita “id., beloven”, got. haitan “noemen, roepen”, in het passivum “heeten”. Wsch. is de t < idg. d formantisch evenals in gieten: dan kunnen wij lat. cieo, cio “ik breng in beweging, wek op”, gr. kíō “ik ga”, korn. bret. ke “ga” vergelijken. Van den wortel qei- ook oi. cé-ṣṭ-ati “hij beweegt zich, is druk, drijft” e.a. basisverlengingen. Voor de bet. vgl. gr. kéllō “ik beweeg”: kélomai “ik spoor aan, beveel, roep, noem”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

he[e]ten. Van oostosset. sîdi̥n, westosset. sedun ‘roepen’ is de voorgeschiedenis te onzeker, om er met Petersson PBB. 44, 178 een verwant in te zien, die ook formantisch aan het germ. woord zou beantwoorden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heeten ono.w., Mnl. heten, Onfra. heitan, Os. hêtan + Ohd. heiʒʒan (Mhd. heiʒen, Nhd. heiszen), Ags. hátan, Ofri. héta, On. heita (Zw. hetta, De. hede), Go. haitan: niet buiten het Germ. ; de oorspr. bet. bevelen, noemen, ging over in die van genoemd worden onder invloed van het als zw. imperf. gevoelde heette (Ags. hátte) dat oorspronkelijk een lijdend praesens was.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

heite (ww.) heten, genoemd worden; Aajdnederlands heton <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2heet ww.
1. Genoem word. 2. Gesê, vermeld, beweer word. 3. Verklaar.
Uit Ndl. heten (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

heet II: – (soms) hiet – , “genoem word; beweer word; verklaar” (WAT s.v. heet2); Ndl. he(e)ten (Mnl. heten, “beveel, noem”), Hd. heissen, in dies. het. ook Oeng. hatan, On. heita, Got. haitan, Idg. verw. onseker.

hiet I: (veral in) hiet en gebied, “beveel” (WAT s.v. hiet1 wat geskei word v. hiet2, “noem, genoem word”), terwyl WNT albei s.v. he(e)ten (II) behandel; v. heet II in hierdie werk; vgl. Frank (TB 204, No. 30).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heten ‘de naam dragen’ -> Negerhollands hiet ‘de naam dragen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heten* de naam dragen 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut