Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

het - (lidwoord, voornaamwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

het lw., vnw. 3e pers. o. ev.
Eerst als persoonlijk vnw. 3e pers. ev. onzijdig: onl. it [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. het, minder vaak et, (h)it etc., vaak enclitisch -t of -et. Als lidwoord: mnl. in het ghemeen convente ‘de gezamenlijke kloosterlingen’ [1370; MNW], het ghestant ‘de toestand, gesteldheid’ [1380; MNW], ook vaak proclitisch t-.
Algemeen Germaans voornaamwoord uit < pgm. *it. In het Noordzee-Germaanse gebied werd een van origine wrsch. aanwijzend partikel h- voor deze oorspr. stam geplaatst, zowel bij het als bij → hij, → hem, → haar 1 en → hun, hen. Zie daarvoor onder → hier. In de Wachtendonckse Psalmen ontbreekt deze h- in de meeste gevallen, omdat in het meer landinwaartse dialect van de bewerker ervan op deze plaats geen h gebruikt werd.
Os. it (mnd. it); ohd. iz (mhd. ez, nhd. es); ofri. hit (nfri. it); oe. hit (ne. it); on. hit; got. ita; < pgm. *it.
Persoonlijke voornaamwoorden voor de derde persoon bestonden in het Proto-Indo-Europees niet als apart paradigma en zijn terug te voeren op aanwijzende voornaamwoorden. Voor het Germaans is dat in de meeste gevallen het paradigma van pie. *h1e, waarvan *(h1)id de nominatief onzijdig enkelvoud is. Verwant zijn o.a. Latijn id ‘dat’; Sanskrit idám; Oudiers ed ‘het’.
Het is oorspr. alleen een persoonlijk vnw., zoals ook nu nog de verwante woorden Duits es en Engels it; als lidwoord is het typisch Nederlands. Het oude onzijdige bepaalde lidwoord was → dat (te vergelijken met Duits das). Het lidwoord was vroeger identiek aan het aanwijzend voornaamwoord (zie ook → d(i)e). In de onbeklemtoonde positie, de proclise, verzwakte dat tot t-: dat kint > tkint; eventueel stemhebbend d voor l, w, b en klinkers: dwater. In de spreektaal is de vorm /t/ of /ət/ nog steeds de standaard. Doordat de volle vorm dat als lidwoord al in het Middelnederlands geleidelijk verdween, ging men in de schrijftaal de korte vorm t- identificeren met de proclitische/enclitische t- of -t uit het persoonlijk vnw. het en begon men ook het lidwoord als het te schrijven. In het Nieuwnederlands schreef men alleen in min of meer verheven schrijfstijl nog wel 't; in de tweede helft van de 20e eeuw begon men 't daarentegen te reserveren voor weergave van de spreektaal. In het BN is de spellinguitspraak /hət/ opmerkelijk.
De overgang van aanwijzend vnw. naar lidwoord is een bekend verschijnsel en heeft bijv. ook plaatsgevonden in de Romaanse talen, waar de meeste lidwoorden teruggaan op het Latijnse aanwijzend vnw. ille, en bij de Griekse lidwoordstam to, die ook oorspr. een aanwijzend vnw. is.
Frings neemt aan dat Nederlands het al in 12e eeuw in het Nederlands moet hebben bestaan. Hij komt tot deze conclusie omdat er een lidwoord het bestaat in het Duitse gebied Fläming, dat in die tijd door Nederlanders is gekoloniseerd.
De Friese schrijfwijze it ‘het’ voor lidwoord en voornaamwoord is opvallend, maar of het hier een eigen ontwikkeling als die in het Nederlands betreft, of dat deze vormvereenzelviging is ontstaan onder invloed van het Nederlands, is niet te zeggen.
Lit.: J. Franck (1910), Mittelniederländische Grammatik mit Lesestücken und Glossar, 178; Th. Frings (1947), ‘Das märkische det “das, dass”’, in: Niederdeutsche Mitteilungen 3, 7; L. Koelmans (1975), ‘Lotgevallen van het lidwoord I (de geboorte van het)’, in: NTg 68, 173-175; E. Seebold (1984), ‘Das System der Personalpronomina in den fruehgermanischen Sprachen’, 64 e.v.; S. Krogh (1996), ‘Die Stellung des Altsächsischen im Rahmen der germanischen Sprachen’, 319-323

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

het vnw., lidw., mnl. het, ofri. hit, het, oe. hit (ne. it). De h is een latere toevoeging onder invloed van de nvv. van het nl.-fri.-oe. paradigma van het pers. vnw., waarvoor zie: hij. De oorspr. vorm is dus te vinden in onfrank. it, os. it, ohd. , , got. ita. — idg. id, vgl. lat. id ‘het, dat’, oi. id-am ‘dit’, oiers ed (< *id-a), van de vnw. stam *e-, ei-, i- (IEW 281-286). — Zie ook: een.

De vorm met h is eigenlijk schrijftaal, in de spreektaal gebruikt men altijd ǝt, ’t. — De overgang van vnw. > lidw. (reeds mnl.) is toe te schrijven aan het samenvallen van ǝt met de verzwakte vorm van het lidw. dat.

ket, kid, kidde znw. v., ‘klein soort paard’ (typisch kustwoord: N-Holland, Friesland, Groningen), wel hetzelfde woord als me. kide, ne. kid, ontleend aan on. kið ‘geitje’, welk woord men gewoonlijk als lokroep beschouwt (Ideforss ANF 47, 1931, 47).

Minder waarschijnlijk een afl. van de idg. wt. *ĝei, waarvoor zie: kiem, vgl. ook os. kīð, oe. cīð ‘kiem, spruit’ (Hellquist ANF 7, 1891, 36 en 13, 1897, 233).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] het. Ospr. alleen vnw. Het nnl. gebruik van het als lidw. kwam op, doordat de reeds mnl. toonlooze vorm van ’t lidw. dat (= dat vnw.) samenviel met t, den toonloozen vnw.-vorm naast het.

het o. vnw. lidw., mnl. het. = ofri. hit, het, ags. hit (eng. it) “het”. Niet = got. hita in und hita “tot nu toe”, maar voor een grondvorm = got. ita, onfr. it (voor ic te lezen), ohd. , ëʒ (nhd. es), os. it “het” in de plaats gekomen op dezelfde wijze als de andere h-casus in ’t ndl.-fri.-ags. paradigma van ’t pers. vnw.: zie hij. Ndl. ’t, ət (ook mnl.) kan een overblijfsel van het oude *it zijn, maar evengoed kan het door den zwakken toon en het enclitische gebruik uit *hit, het zijn ontstaan. Got. ita bestaat uit idg. *id + een partikel. Dit *id ook in lat. id “het, dat”, oi. id-ám “dit”; wsch. ook hierbij ier. ed “het”, dat blijkens zijn leneerende kracht een vocaal na de d gehad heeft (vgl. bij dat). Idg. *id is ’t o. van den vnw.-stam *i-; zie verder gene.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

het, is ospr. alleen pers. vnw., maar is tot lidwoord geworden (reeds mnl. het komt in die functie voor), doordat de verzwakte vorm (e)t samenviel met die van het lidw. (= vnw.) dat (v.Wijk Aanv.). — Zowel voor het pers. vnw. als voor het lidw. is de h-vorm thans zo goed als uitsluitend schrijfvorm.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

het 1 onz. lidw., moest dat zijn (z. dat), hetwelk men met het voornw. het verwarde, omdat beide door procope gewoonlijk tot ’t werden.

het 2 onz. nom. en acc. van hij, Mnl. het + Ags. hit (Eng. it voor hit), Ofri. en On. hit (z. hij).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

het II: pers. vnw. 3e pers. ekv., in Afr. feit. verdring d. dit, maar reste oor soos: het, ’t en in verbg. soos: hetsy en tensy (WAT s.v. het2, I en IRo T DLT 239 s.v. het/’t 2).

het III: bep. lw., grotendeels reeds d. die verdring, maar reste soos: het, ‘t (WAT s.v. het2, II en lRo T DLT 239 s.v. het/’t 1).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

het. De verwensing je kunt het me doen betekent thans ‘bekijk het maar, je kunt me wat’. Voor de letterlijke betekenis moeten wij waarschijnlijk uitgaan van: je kunt het ik-weet-niet-wat met me doen. Ook bestaat de verwensing krijg het! Dit kan een ellips zijn van krijg het heen-en-weer! Het loze object het drukt iets onaangenaams uit. Zo ook in bekijk het even!, dat ongeveer hetzelfde betekent als stik maar!, en in maak het nou!, dat in de buurt komt van ben je nou helemaal van god los! Iemand die in woede een ander iets toewenst, kiest immers altijd voor iets onheilspellends. → krijgen, kunnen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

het* persoonlijk voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

het* lidwoord 1370 [Vd Toorn, Gesch. Ned. Taal 219]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut