Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hesp - (ham)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hesp zn. (BN) ‘ham’
Mnl. hespe ‘ham’ [1276-1300; CG I, 2865], een hespe van eere coe of van een osse ‘een ham (schenkelstuk) van een koe of een os’ [1350-1400; MNW].
In deze betekenis is het woord binnen de Germaanse talen uniek. Wrsch. is de oorspr. betekenis ‘gewricht’, daarop wijst mnl. haspe ‘kram, grendel’, ook in de andere Germaanse talen met steeds enerzijds de betekenissen ‘deurhengsel, scharnier’ en anderzijds ‘haspel, streng’, zie ook → haspel. Onduidelijk is overigens of deze twee betekenissen oorspr. bij een en hetzelfde woord behoren.
Bij mnl. haspe ‘kram, grendel’: mhd. en mnd. haspe, hespe ‘deurhengsel, scharnier; haspel, kluwen’ (nhd. Hespe ‘id.’); oe. hæspe ‘deurhengsel, klamp’ (ne. hasp ‘id.’, dial. ook ‘streng garen’); on. hespa ‘deurhengsel; wolstreng’ (nde. haspa ‘kram’); < pgm. *haspa-.
Ook over de verdere etymologie heerst onduidelijkheid. Veronderstelde mogelijkheden zijn: a) afleiding van de wortel pgm. *hab- ‘houden, grijpen’ zoals in → hebben, zodat pgm. *haspa- (met metathese) ‘het grijpende’ betekent; b) afleiding van pgm. *hōpo- ‘hoepel’ zoals in → hoepel, waarbij *haspa- ‘gekromd voorwerp’ betekent. Beide verklaringen zijn onbevredigend.
Het woord hesp is algemeen BN, in de Belgische dialecten komt het in diverse varianten voor. In Nederland bestaat het slechts in het Utrechts, waar de vorm hips ‘hamschijf’ (met s-p-metathese, zie ook → wesp) ook bovendialectisch algemeen in gebruik is.
Lit.: T. van Veen (1968), ‘De verbreiding van het woord hips (hieps)’, in: T&T 20, 71-73

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hesp* [(hieltje van een) ham] {hespe, espe [gewricht, heupgewricht, ham, hengsel] 1252} het grondwoord van haspel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hesp znw. v. ‘hieltje van de ham; (zuidnl.) achterschenkelstuk van een varken’, mnl. hespe ‘heupgewricht; ham, schenkelstuk; hengsel, scharnier’. Dit laatste is de oorspr. bet., vgl. mnd. mhd. haspe, hespa, oe. hæpse, hæsp, on. hespa ‘deurscharnier’. Het krijgt de bet. van ‘heupgewricht’ en verdringt nu mnl. hesse, haessene ‘kniepees’, nnd. hesse, nhd. dial. hächse, hechse, hesse ‘kniebocht aan achterpoten van dieren’, vgl. daarvoor: haas 2. — Dit woord werd door nl. kolonisten naar Brandenburg meegenomen, waar nu nog in een klein gebied hespe in plaats van het gewone hesse gebruikt wordt (zie Teuchert, Sprachreste 1944, 331 met kaartje op blz. 332).

Een duister woord. — 1. Men kan uitgaan van een grondvorm hapsō en dan verbinding leggen met de groep van hoep, met een grondbet. ‘kromme grendel’? — 2. Men kan ook vergelijken lat. capsa ‘kist voor boekrollen’ en uitgaan van een bet. ‘het omvattende, grijpende’ en verder met hebben verbinden. — 3. Het eenvoudigst is het wel, het woord te verbinden met haspel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hesp, hespe v., Mnl. id.: komt elders niet voor; bijvorm van haspe = haak, kram, besproken bij haspel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hesp ‘(hieltje van een) ham’ -> Duits dialect Hespe ‘(hieltje van een) ham’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hesp* (hieltje van een) ham 1252 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut