Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hert - (herkauwend hoefdier (familie Cervidae))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hert zn. ‘herkauwend hoefdier (familie Cervidae)’
Onl. hiret, hirot ‘zekere herkauwer’ [10e eeuw; W.Ps.], in de plaatsnaam Hertesbergam ‘Hertsberge’ [1149; Gysseling 1960]; mnl. hirt [1220-40; CG II, Aiol], meestal al hert [1240; Bern.].
Algemeen Noord- en West-Germaans: mnd. herte, harte; ohd. hir(u)z (mhd. hirz, nhd. Hirsch); oe. heor(o)t; on. hjörtr (nzw. hjort); < pgm. *heruta-.
Buiten het Germaans geen verwante woorden met dentaal. Zonder dentaal wel: Latijn cervos ‘hert’; Keltisch karwo ‘hert’ (Welsh carw, Bretons qaro; Cornisch carow); wijzend op pie. *ḱer-u-, een afleiding van de wortel *ḱer- ‘hoorn’, zie → hoorn. De oorspr. betekenis zal dus ‘gehoornd dier’ zijn. Voor een vergelijkbare vorming zie → rund, en zie ook → hinde.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hert* [herkauwend zoogdier] {oudnederlands hirot 901-1000, middelnederlands hert(e), hart} oudhoogduits hiruz (hoogduits Hirsch), oudengels heorot (engels hart), oudnoors hjǫrtr; buiten het germ. latijn cervus [hert], grieks krios < ∗kriwos [ram] (verwant met keras [hoorn]), welsh carw, oudkerkslavisch sĭrna [hert]; de grondbetekenis is ‘gehoornd dier’ → hoorn1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hert znw. o., mnl. hert, heert, haert, hart, ook herte m. o., onfrank. hirot, mnd. herte, harte, ohd. hiruʒ, hirʒ (nhd. hirsch), oe. heorot, heort (ne. hart), on. hjǫrtr (Palander 105.7). — Formeel het naast verwant is gr. kórudos ‘kuifleeuwerik’; met u̯o-suffix lat. cervus ‘hert’, gr. kriós ‘ram’, keraós ‘gehoornd’, oi. śṛvā ‘hoorn, nagel’, osl. srŭna, opr. sirwis ‘ree’, kymr. carw ‘hert’. — Naast hjǫrtr staat on. hrūtr ‘ram’. — Eig. ‘het gehoornde dier’, zie nog: hoorn, rendier, rund en hersens. — Voor de bijvorm hart zie: hartsvanger. — > fra. hère ‘jong hert van 18 maanden of twee jaar’ (sedert de 16de eeuw; vgl. Valkhoff 165).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hert znw., mnl. hert, heert, haert, hart (vgl. hartsvanger), ook herte m. o. = onfr. hirot, ohd. hiruʒ, hirʒ (nhd. hirsch) m., mnd. herte, harte o., ags. heorot, heort m. (eng. hart), on. hjǫrtr m. “hert”, germ. *χeruta-, idg. *ḱerə-do-. Oorspr. = “gehoornd” (tegenover hinde, oorspr. “ongehoornd”). Dezelfde grondbet. hebben ook lat. cervus “hert” (wellicht= gr. keraós “gehoornd”, idg. *ḱərə-wo-), kymr. carw “id.”, obg. srŭna, opr. sirwis “ree”. Zeer veel hoogerop zullen wel rund en on. hrûtr m. “ram” verwant zijn, benevens gr. kárnos “schaap” (Hes.), krīós “ram”; vgl. ook rendier. Van een wortel met q (q?) komen ksl. krava, lit. kárwė “koe”, opr. curwis “os”. Obg. srŭna en al de andere geciteerde woorden komen van een wortel ḱer-, ḱerâ-, waarvan ook gr. kéras “horen” (*ḱerə-s-) en waarover verder bij hoorn gehandeld wordt.

[Aanvullingen en Verbeteringen] hert. Of idg. *ḱerudo-: vgl. vooral gr. kórudos (korudós) “alauda cristata”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hert. Adde: ofri. hert m.
Wellicht is het germ. woord formeel het naast te vergelijken met gr. kórudos, korudós ‘leeuwerik’ (naar de kuif benoemd): idg. *ḱerudo- (vgl. v.Wijk Aanv.).
Balt.-slav. woorden met velair uit idg. palataal zijn niet zo zeldzaam, dat men voor ksl. krava, lit. kárvė ‘koe’, opr. curwis ‘os’ een afzonderlijke wortel met q- ten grondslag behoeft te leggen. Vgl. bij herder Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hert o., Mnl. id., Onfra. hirot + Ohd. hiruʒ (Mhd. hirʒ, Nhd. hirsch), Ags. heorot (Eng. hart), On. hjǫrtr (Zw. en De. hjort) + Gr. kriós, Lat. cervus, We.. carw, Osl. srŭna: alle afleid. van den wortel van hoorn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hert: in Bybel- en kerkt. v. die Eur. Hert- of Takbokagtiges (fam. Cervidae), vgl. WAT en verder hartbees.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

't Hijgend hert, eerste woorden van een bekende berijmde psalm; vooral genoemd als zodanig, en soms met verwijzing naar de inhoud van de psalm genoemd om iemand met sterke verlangens of gedrevenheid te typeren.

Deze allitererende verbinding is afkomstig uit de berijming uit 1773 van Psalmen 42. De eerste, inderdaad heel bekend geworden strofe wordt geciteerd door Gerard Reve in zijn 'Verantwoording van roman Het hijgend hert, 1998' op p. 181: 'Als titel van mijn jongste liefdes- en avonturenroman heb ik enkele woorden gekozen uit Gods eeuwig Woord, te weten uit de berijmde versie van de beroemde psalm 42, waarvan het eerste couplet luidt: ''t Hijgend hert, der jacht ontkomen, Dorst niet sterker naar $t genot Van de frisse waterstromen, Dan mijn ziel verlangt naar God.' Buiten al of niet spottend bedoelde vermeldingen in literaire teksten treffen we de uitdrukking niet aan.

Tussen $t hemelvolk / zit hij [de overleden dominee] op een wolk. / En geen hert dat hijgt. / Want es ist erreicht. (S. Carmiggelt, De gedichten, 1974 (Dominee Verberk, 1954), p. 51)
'Bies' zingt twee psalmen: Hijgend hert en De Steen. De fans sabbelen tevreden op een pepermuntje. (Haagsche Courant, 25-4-1988)
Proza is veel afstandelijker, anekdotischer, analytischer. Poëzie is: het hijgend hert der jacht ontkomen. Het is achter je eigen adem aan lopen. Opgedreven worden. (Haagse Post, 12-4-1988)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Herten ̶ Cervidae
Herten zijn herkauwende zoogdieren waarvan de maag uit meerdere afdelingen bestaat. De mannelijke dieren hebben meestal een vertakt gewei dat ieder jaar wordt afgeworpen. Met uitzondering van het rendier dragen de vrouwtjes geen gewei.
De grondbetekenis van het woord hert is ‘gehoornd dier’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hert ‘herkauwer’ -> Frans hère ‘jong hert van meer dan zes maanden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hert* herkauwer 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut