Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hersenen - (brein)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hersenen zn. ‘brein’
Mnl. hersene ‘de hersenen’ [1240; Bern.], vanden hersenen tot den teen ‘van top tot teen’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], die hirsen van den manne [1270-90; CG II, Moraalb.].
Mnd. herne, harne; ohd. hirni (mhd. herne; nhd. Hirn, maar vaker als collectief Gehirn); me. hernes (< on.; ne. dial. harn(s)); on. hjarni (nzw. hjärna); < pgm. *hirsnia- < *hersnia-. Van de consonantencluster -rsn- heeft alleen het Nederlands de -s- bewaard. Afleiding van pgm. *hers(a)n- ‘schedel’ zoals in on. hjarsi ‘id.’ (nzw. hjässa).
De stam pgm. *hers(a)n- is volgens Nussbaum (1986) gebaseerd op de verbogen vormen pie. *ḱrh2s(e)n- van de n-stam *ḱreh2/ḱrh2-es- ‘hoofd, schedel’, zoals in Grieks kárā ‘hoofd’ en Sanskrit śíras, verbogen vorm śírṣṇ-, ‘hoofd’. Zie verder bij → hoorn.
Opvallend is de meervoudigheid van hersenen in het Nederlands. De traditionele opvatting is dat hersen werd opgevat als een enkelvoudig telbaar zn., waarvan een nieuw meervoud werd afgeleid, zoals ook gebeurde bij → schoen en → teen 1. Deze stelling is echter onhoudbaar, omdat a) ook een hersen niet telbaar is en er dus geen reden is om er een meervoud bij te maken; b) in de periode dat hersen en hersenen naast elkaar bestonden, beide vormen volkomen gelijkwaardig waren; en c) er wel degelijk enkele vindplaatsen zijn die duidelijk een meervoudsopvatting aantonen, bijv. haer' helder' harssen zijn bedwelmt ‘hun heldere hersens zijn bedwelmd’ [1627; WNT], geldloos volk, vol ydelende herssen [1657; WNT ijdelen], een Doctoor met herssen van papier [1649; WNT licht III]. Hersen en hersenen waren dus beide meervoudig; de vorm waarin dit morfologisch het minst duidelijk was gemarkeerd, hersen, verouderde, en bij hersenen ontstond door de opkomst van de meervoudsuitgang -s een alternatief hersens.
Van het huidige woordpaar hersenen/hersens is geen van beide duidelijk regionaal gebonden, er lijkt wel een verschil in register te zijn: hersens is spreektaliger dan hersenen. Daarnaast lijken de overdrachtelijke betekenissen ‘verstand’ en ‘hoofd’ uitsluitend bij hersens voor te komen: zijn hersens ergens mee vermoeien, iemand de hersens inslaan, iets in zijn hersens halen etc.
De gewestelijke nevenvorm harsens is blijven voortbestaan als harses in de betekenis ‘hoofd, kop’.
hersenspinsel zn. ‘verzinsel’. Nnl. sombere hersenspinsels [1947; WNT Aanv.]. Leenvertaling van Duits Hirngespinst ‘id.’ [1700-50; Pfeifer], gevormd uit Hirn ‘hersenen’ (zie boven) en een collectiefafleiding van spinnen, zie → spinnen. Ouder is al hersen-ghespin [1634; WNT subtiel]. ♦ hersenspoeling zn. ‘systematische vervanging van iemands opvattingen, overtuiging etc. (vooral politieke) door nieuwe’. Nnl. hersenspoeling ‘id.’ [1959; Wolters NE], een collectieve hersenspoeling van het Westen [1971; WNT Aanv.]. Leenvertaling van Amerikaans-Engels brainwashing ‘id.’ [1950; OED], gevormd uit brain ‘hersenen’ (zie → brein) en wash ‘wassen’ (zie → wassen 1). Dit begrip uit de Koude Oorlog werd in de VS ten tijde van de Koreaanse oorlog (1950-53) geïntroduceerd door CIA-agent en journalist Edward Hunter, aanvankelijk met betrekking tot de vermoede methodes waarmee de Chinezen Amerikaanse krijgsgevangenen tot allerlei bekentenissen wisten te brengen.
Lit.: A.J. Nussbaum (1986), Head and Horn in Indo-European, Berlin; J.S.P. Stroop (1993), ‘Twee meervouden die het niet zijn’, in: B. van Bakel e.a. (red.) Zin dat het heeft, een liber amicorum voor Jan van Bakel, Nijmegen, 55-65

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hersenen*, hersens [centrale zenuwstelsel] {he(e)rsene, harsene 1201-1250} middelnederduits herne, harne, oudhoogduits hirni, middelengels hernes, oudnoors hjarni; buiten het germ. latijn cerebrum [hersenen, schedel], grieks kara [kop, top], oudindisch śiras- [hoofd, kop] → hoorn1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hersenen of hersens znw. mv., hersens, heersens < germ. *herznia, herznan; vgl. met verlies van z tussen r en n mnd. herne, harne, ohd. hirni, me. hernes (ne. dial. harns), on. hjarni. — lat. cerebrum (< *ḱers-ro-m) ‘hersenen’, cervix (< *cers-vic-) ‘nek’, gr. kéras, kár, kára ‘hoofd’, kórsē ‘slaap’, kraníon ‘schedel’, oi. śirśan ‘hoofd’ van de idg. wt. *ḱer ‘het bovenste deel van het lichaam, hoofd, hoorn, top’ (IEW 574-577). — Zie verder: hert en hoorn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hersenen, hersens znw. mv., mnl. hersene, heersene (ook -en, -enen, -ine, ook met sc(h) geschreven), in nnl. diall. ook met ēr, ar, or (vgl. kers I). Wsch. moeten we van een grondvorm met ir (*χirsnia- uit *χersnia-) uitgaan: vgl. ohd. hirni o. (nhd. hirn) “hersenen” en verder mnd. herne, harne o. v., meng. hernes (eng. dial. harns), on. hjarni m. “id.”. De s is alleen in ’t Ndl. tusschen r en n bewaard; vgl. horzel. Hetzelfde idg. ḱer(ə)s- in on. hjarsi m. “kruin”, lat. cernuus (*ḱer(ə)s-nuwo-) “jongleur, kopje-over duikelend”, cerebrum (*ḱerəs-ro-) “hersenen”, met ablaut gr. kórsē “slaap (aan ’t hoofd)”, kárānon, kárēnon (-as-no-n) “hoofd, bergtop”, oi. çíras-, çîrṣá(n)- “hoofd”. Vgl. verder nog gr. kár, kárā, kárē “hoofd”, arm. sar “hoogte, top, helling”. Sommigen brengen hierbij ook kymr. cern “kinnebak”. Deze basis ḱer-, ḱerâ- zal wel identisch zijn met die van hert en horen. Got. hwaírnei v. “hersenkas” e.a. woorden met hw kunnen niet verwant zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hersenen v. meerv. , Mnl. hersene en herne (d.i. Ug. *herzn-) + Ohd. hirni d.i. Ug. *hirzn- (Mhd. hirne, Nhd. hirn), On. hjarni + Skr. çīrṣam = hoofd, Gr. kraníon = schedel, Lat. cerebrum d.i. *ceresrum (vergel. tenebræ bij deemster) = hersenen: alle afleid. van Idg. wrt. ker = hoofd (z. ook hert en hoorn). Nevens herne komt ook horne d.i. *hurzn- voor.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

herses (zn.) mv. hersenen; Vreugmiddelnederlands hersene <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

herne, henne, herre, harre, hiere, hiëne, zn.: hersenen. Oostelijk Mnl. herne ‘hersenen’, Vnnl. (Gelders) herne, hirne.j.hersene (Kiliaan). Ohd. hirni, Mhd. hirn(e), herne, D. Hirn, Gehirn, On. hjarni, N., De. hjerne. Germ. *herzn-, vgl. Ndl. hersenen. Idg. *ker(ә), in Lat. cerebrum, Avestisch sarah ‘kop’, Gr. kéras ‘hoofd’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

asses, zn.: slapen (zijvlak van voorhoofd). Eigenlijk hasses < harsens ‘hersenen’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

harsings s.nw. (slegs in die mv.) Ook soms hersens.
1. Sagte massa grys selweefsel in die skedelholte van 'n mens of gewerwelde dier. 2. Harsings (harsings 1) as setel van die verstand.
Uit Ndl. harsenen, harsens, wisselvorme van hersenen, hersens (Mnl. harsene, he(e)rsene).
Vgl. D. Hirn, dialektiese Eng. harns.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

herne, hiere hersenen (Achterhoek, Zuid-Limburg). = ohgd. hirni ‘id.’, eng. dial. harns ‘id.’, ono. hjarni ‘id.’. ~ lat. cerebrum ‘id.’, gr. kéras ‘hoofd’, oind. śirśan ‘hoofd’. De nl. vorm met s na r (hersenen) vertegenwoordigt gezien de oind. vorm een ouder stadium. Door grammatische wisseling is de s in z overgegaan. Deze z werd tot r en viel samen met de voorafgaande r. Heerlens gehier (naast hiere) heeft evenals hgd. gehirn ‘id.’ het voorvoegsel ge-, dat een collectieve functie heeft.
Roelofs e.a. 50, Jongeneel 26.

hiere, herre, henne hersenen (Limburg). = hgd. hirn (naast de afl. gehirn) = nl. hersenen, ~ lat. cerebrum*ceresrom, ~ gr. kranion*krasnion. Voor de gelijkstelling van hersenen met hiere vergelijke men nl. horzel naast hgd. hornisse, beide ‹ *hurzn-; zo gaan hiere en hersenen terug op *hirzni*hirsni.
Amkreutz e.a. 105, Kluge 310, Houx e.a. 88.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

harsings: gew. mv., in ss. soms nog hersen- (vgl. Kloe HGA 115-6); Ndl. harsen(s)/hersen(s), gewoner hersenen naas minder gew. harsenen (Mnl. he(e)rsene), Hd. hirn, dial. Eng. harns, hou verb. m. Lat. cerebrum, “harsings”, en met cervix, “nek”, Gr. keras, “kop”, korsê, “slaap v. d. kop” en kranion, “skedel” – in Afr. uitg. -ing soos by doring, ens.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hersenen, van ’t Idg. ker, kers, Skr. cirsa = hoofd. (Idg. k wordt Germ.h.) Ook hoorn en hert zijn er mee verwant.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hersenen ‘deel van centrale zenuwstelsel’ -> Duits dialect Hassens, Hassen, Härssens, Hassels ‘deel van centrale zenuwstelsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hersenen* deel van centrale zenuwstelsel 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑er-, k̑erǝ- : k̑rā-, k̑erei-, k̑ereu- ‘das Oberste am Körper: Kopf; Horn (und gehörnte Tiere); Gipfel’, sowohl die leichte wie die schwere Basis oft durch -(e)n-, -s-, -s-(e)-n erweitert, so in k̑er-n-, k̑er-s-, k̑erǝ-s- : k̑rā-s-, k̑r̥̄-s(-e)-n-, usw.

Ai. śíras- n. (ved. nur Nom. Akk.) ‘Kopf, Spitze’, av. sarah- n. ‘Kopf’ (in der 2. Silbe nicht genau = gr. κέρας aus k̑erǝ-s von der schweren Basis; die Red.-Stufe der ersten Silbe, statt *śaras-, ist erst ind. oder urarisch aus dem Vorläufer von ai. Gen. śīrṣṇáḥ usw. verschleppt), Gen. ai. śīrṣṇáḥ, Abl. śīrṣatáḥ (*k̑r̥̄sn̥-tos : gr. κρά̄ατος);
śŕ̥ṅga- (*k̑r̥-n-go-) n. ‘Horn’, vom n-St. *k̑er-(e)n- mit vielleicht ursprüngl. bloß nominativischem g, vgl. gr. κραγγών ‘Krabbe’ und von der u-Basis gr. κορυ-γγ-εῖν κερατίζειν (siehe auch unten über ir. congan);
von der u-Basis av. srū-, srvā- ‘Horn; Nagel an Fingern und Zehen’, srvara ‘gehörnt’ (*srū + bhara-), srvī-stāy- ‘mit hörnernen Widerhaken’;
arm. sar ‘Höhe, Gipfel, Abhang’ (ero-);
gr. κάρ in hom. ἐπὶ κάρ ‘auf den Kopf’, Hippokr. ἀνάκαρ ‘nach oben’, ursprünglich wohl *k̑er Gen. *k̑er-ós (καρός), woraus analogisch κάρ, καρός; daneben κάρᾱ, ion. κάρη ‘Haupt’; ein s-loser St. κᾰρ- ist unabweislich für ἔγ-καρος (und ἄ-καpος mit α- als Tiefst. zu ἐν), ἴγ-κρ-ος ‘Gehirn’;
vielleicht hierher ion. κᾱρῖς, -ῖδος, att. κᾱρίς, -ίδος f. ‘Art Krebs’, dor. κωρίς κουρίς ds.;
kerǝs- in gr. κέρας ‘Horn’ (Gen. ep. κέραος, att. -ως, jünger -ατος, später episch -ά̄ατος) s. unten lat. cerebrum;
*καρασ- (*k̑erǝs-) in: att. κάρᾱ ‘Kopf’ (n. *kerǝs-n̥ > *καραα), ion. κάρη ds., obliquer St. *krāsn- (mit -ατ- für -n-) aeol. Gen. κρά̄ατος, daraus κρᾱτός; Mischbildungen sind καρήατος und κάρητος (*κρᾱσν- = ai. śīr̥ṣṇ-); κάρηαρ; dazu καροῦσθαι ‘sich schwer im Kopfe fühlen’; hom. κάρηνα Nom. Pl. ‘Köpfe, Bergesgipfel’ (sekundär Sg. κάρηνον, att. dor. κάρᾱνον, äol. καραννο-), Grundf. *κάρασνᾰ Pl.; vgl. M. Leumann Homer. Wörter 159.
καρά̄ρα· κεφαλή Hes. (*καρασ-ρα; davon Καρά̄ρων, Vater des Κάρᾱνος);
über κρήδεμνον, dor. κρά̄δεμνον ‘Kopfbinde’ s. Schwyzer Gl. 12, 20; über hom. κατὰκρῆθεν (= κατ’ ἄκρηθεν) s. Leumann Hom. Wörter 56 ff.;
vielleicht κρᾱαίνω ‘vollführe’. Wenn κραιπάλη ‘Katzenjammer nach einem Rausch’ wegen lat. crāpula als κρᾱιπαλη aufzufassen ist (im 2. Gliede dann πάλλω), könnte κρᾱ[σ]ι- neben *καρασ-ρᾱ stehen, wie bei Adjektiven z. B. κῡδι-άνειρα neben κῡδρός;
*κρᾰσ- (*k̑rǝs- oder *κρᾱσ-, *kr̥̄s-) in att. κράσπεδον ‘Saum, Rand; Heeresflügel’; ἀμφί-κρᾱνος (*κρᾰ̄σ-νο-) ‘rings mit Köpfen versehen (Hydra)’, ἐκατόγ-κρᾱνος ‘100köpfig’, ion. ἐπίκρηνον· κεφαλόδεσμον Hes., att. κρᾱνίον ‘Schädel’, ὀλε[νο]κρᾱνον, ωλέκρᾱνον ‘Ellbogen’; κρανίξαι ἐπὶ κεφαλήν ἀπορρῖψαι Hes. woneben mit Hochstufe (: κέρας) κερανίξαι· κολυμβῆσαι· κυβιστῆσαι Hes., ναυ-κρᾱρος ‘Schiffshaupt, Schiffsherr’ (diss. ναυ-κλᾱρος, -κληρος), böot. Λᾱκρᾱρίδᾱς von *Λᾱ-κρᾱρος ‘Haupt des Volkes’; dazu κραῖρα f. ‘Kopf’, ἡμίκραιρα usw. (aus *κρασ-ρια);
o-stufig *κορσ- in ion. κόρση, att. κόρρη, dor. κόρρα ‘Schläfe, Haupt’ (idg. *k̑ors-);
vom -(e)n-St. k̑er(e)n- : κράνος ‘Helm’ (*k̑r̥no-s); κάρνος· ... βόσκημα, πρόβατον Hes.; κέρναι, κέρνα Pl. ‘die beiden Hervorragungen an den Knochenfortsätzen der Rückenwirbel’ (*k̑ern- oder *k̑ers-n); κραγγών ‘Krabbe’ (vgl. oben ai. śŕ̥ṅga-); unklar ist die Bildung von κεράμβυξ, -υκος ‘Hirschkäfer’; κά̄ραβος m. ‘Meerkrebs; Käferart; Art Schiff’ (> lat. carābus ds.), vielleicht mit maked. (?) Ableitung (gr. *-φος) zu κᾱρίς ‘Seekrebs’, s. oben; aber alles unsicher.
Von k̑ereu- : κόρυδός m., f. ‘Haubenlerche’ (: germ. herut- ‘Hirsch’); κόρυς, -υθος ‘Helm’, hom. κῦμα κορύσσεται ‘bäumt sich’ κόρυμβος, κορυφή ‘Gipfel’, κορύπτω ‘stoße mit dem Kopf, denHörnern’, κορυγγεῖν κερατίζειv Hes. (zum -γγ- s. oben zu śŕ̥ṅga-).
Von k̑erei- : κρῑός ‘Widder’ (vgl. in ders. Bed. κεραστής), ablaut. mit anord. hreinn, ags. hrān ‘Renntier’.
Vereinzeltes: κάρτην· την βοῦν. Κρῆτες Hes. (wenn *k̑r̥-tā ‘die Gehörnte’); κυρίττω, κυρηβάζω ‘stoße mit den Hörnern’ (wie κορύπτω; *k̑or-);
lat. cerebrum ‘Hirn’ (*k̑erǝs-ro-m, vgl. gr. καρά̄ρα); cervīx ‘Nacken’ (*cers-vīc-); cernuus, cernulus ‘Gaukler, der Purzelbäume macht, sich kopfüber überschlägt’ (*k̑ers-nou̯os; wenn nicht eher Lw. aus der Sprache der gr. Jongleure, vgl. κερανίξαι), crābrō ‘Hornis’ (s. unten). Vom (e)n-St.: cornū ‘Horn’ (der u-St. vielleicht wie gall. κάρνυξ; ‘Trompete’ durch Verquickung des n- und u-St.); vgl. auch illyr. ON Τρικόρνιον (Moesia), PN Cornuīnus usw. (Krahe IF. 58, 222 f.) aus *k̑r̥n-;
zu crābrō ‘Hornisse’ (*crāsrō, erǝsron-) stellt sich (idg. k̑r̥̄s-еn-):
ahd. hurnū̆z, hornaz, m., ags. hyrnet(u) ‘Hornisse’ (*hurznuta); ndl. horzel (*hurzla-), nhd. Horlitze;
lit. šìršė f., širšlỹs m., šìršuolis, alt širšuo ‘Wespe’, šìršuonas, šìršūnas ‘Hornisse’, lett. sirsis, apr. sirsilis ‘Hornisse’;
russ.-ksl. (usw.) sъrъšenь ‘Hornisse, Bremse’, serb. sȑśljén ‘Hornisse’; vgl. Būga Kalba ir senovė I 191, 224;
bret. kern ‘Scheitel, Wirbel des Kopfes’, mir. cern f. ‘Ecke’; gall. κάρνυξ ‘Trompete’, κάρνον· την σάλπιγγα. Γαλάται; cymr. corn. bret. karn ‘Huf der Einhufer’ (aus ‘*Horn’; aber mir. corn. bret. corn ‘Trinkhorn’, cymr. corn ‘Horn’; wegen des brit. VN Cornoviī usw. kaum aus dem Lat.);
ahd. hirni, anord. hiarni ‘Hirn’ (*k̑ersniom), ndl. hersen ‘Hirn’, anord. hiarsi ‘Scheitel, Wirbel des Kopfes’ (*k̑erson-); vom (e)n-St.: got. haúrn, ahd. anord. horn ‘Horn, Trinkhorn, Trompete’ (s. oben zu lat. cornu), mit t-Suffix (vgl. oben gr. κάρτην) dazu ahd. (h)rind, ags. hrīðer n. ‘Horntier’, tiefstufig ags. hrȳðer ds., nd. ndl. rund ‘Rind’. Von der u-Basis: ahd. hiruz, as. hirot, ags. heorot, anord. hjǫrtr, nhd. Hirsch (-d-Formans wie in gr. κόρυδος; ebenso in:) anord. hrūtr ‘Widder’;
lett. sirnas Pl. ‘Rehe’. (Endzelin KZ. 42, 378) = aksl. srъna ‘Reh’ (: κάρνος); ablautgleich mit cymr. carw;
dazu gehört die Ableitung:
k̑erǝu̯o-s : k̑ṝu̯o-s ‘gehörnt, hirschköpfig, als Subst. Hirsch’ oder ‘Kuh’.
gr. κεραός ‘gehörnt’;
lat. cervus, m. ‘Hirsch’, cerva f. ‘Hirschkuh’, davon cervīnus ‘isabellfarben’, gall.-lat. cervēsia, cervīsia ‘hirschfarbenes, braunes Getränk, Bier’ (Pokorny Vox Rom. 10, 259);
cymr. carw, corn. carow, bret. karo m. ‘Hirsch’ (*kr̥̄u̯o-s); dazu der Gebirgsname Karawanken;
apr. sirwis m. ‘Reh’ (daraus entlehnt finn. hirvi ‘Elentier, Hirsch’ vgl. auch sarve, lapp. čuarvi ‘Elentier’);
wahrscheinlich aus einer Kentumsprache stammen:
alb. ka ‘Ochse’ (*k̑r̥̄u̯-);
lit. kárvė ‘Kuh’; dazu kárviena f. ‘Kuhfleisch’ (: čech. kravina ‘Kuhhaut’);
russ.-ksl. krava, poln. krowa, russ. koróva f. ‘Kuh’ (*k̑orǝu̯ā); ablaut. apoln. karw (*k̑r̥̄u̯o-s) ‘alter Ochse’ (daraus entlehnt apr. curwis Vok., Akk. kurwan ‘Ochse’).

WP. I 403 ff., WH. I 164, 203 f., 206, 207, 276, 283 f., 284, 856, 858, Trautmann 119, 305 f., Schwyzer Gr. Gr. I 583, Benveniste Origines 24 f., 175.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal