Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

herrie - (drukte; lawaai)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

herrie zn. ‘drukte; lawaai’
Nnl. herrie ‘drukte’, bijv. in wij hebben dan twee dagen en twee nachten eens regt aan de herrij geweest [1806; WNT], een dolle herrie in een danshuis [1896; WNT Supp. artistiek].
Herkomst onzeker, maar algemeen wordt aangenomen dat het als term in de scheepvaart ontleend is aan Engels hurry in de nu verouderde betekenis ‘drukte, tumult’ [1600; OED], naast ‘haast’.
Als werkwoord is het Engelse woord iets ouder en misschien verwant met: mhd. hurren ‘zich snel bewegen’; me. hurren ‘snel trillen’; nijsl. hurra ‘zoemen’, nno. hurre ‘tollen’; < pgm. *hurzan-. Indien inderdaad al deze woorden verwant zijn, kan hierbij ook Latijn currere ‘rennen’ horen, zie → coureur. OED houdt het op klanknabootsende herkomst, die in de diverse Germaanse talen onafhankelijk van elkaar is opgetreden.
De Engelse bronbetekenis en de Nederlandse komen goed overeen. De mogelijkheid dat Bargoens herri ‘herberg’ [1731; Moormann] (wrsch. een verkorting van → herberg) de oorspr. van het huidige woord herrie is (NEW), lijkt dan ook weinig waarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

herrie [lawaai] {ca. 1800} mogelijk < engels to hurry [haasten], maar gezien het eng. equivalent to whirry en middelhoogduits, hoogduits hurren [zich snel voortbewegen] kan het ook een vorm met een gemeenschappelijke ontstaansgrond zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

herrie znw. v., eerst sedert omstr. 1800 optredend, misschien < ne. hurry ‘haast’ (dat in de 20ste eeuw opnieuw ontleend werd). Intussen stemmen de betekenissen niet goed overeen; daarom heeft men gedacht aan het bargoense woord herrie ‘herberg’ (dat reeds 1731 bekend was). Van Haeringen Suppl. 70 herinnert aan de uitdrukking keet hebben, keet schoppen, waarnaast vla. kot houden ‘ruzie maken’, die ook het woord keet, kot bevatten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

herrie znw. Sedert ± 1800. Wellicht uit eng. hurry; vgl. hierover bij horrelvoet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

herrie. Eng. hurry is in de laatste tijd opnieuw ontleend als hurrie ‘haast’: De Vooys N.T. 8, 228.
Ook een andere verklaring van herrie komt in aanmerking, nl. die uit bargoens herrie ‘herberg’ (reeds 1731). Semantisch vgl. dan keet maken, vla. kot houden ‘ruzie maken’, eventueel ook barg. cabanes ‘herrie’ (fr. cabane?). Stoett Ndl. Sprw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

herrie v. (leven, gerucht), wellicht uit Eng. hurry: z. hor.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1herrie s.nw.
Lawaai, geraas, opskudding, moles.
Uit Ndl. herrie (1800). Ndl. herrie kan verband hou met Ndl. horren 'gons, snor'.
Ndl. herrie kan ook verband hou met Eng. hurry (1590).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

her’rie (de, -s), (ook, als in AN:) ruzie. Herries tussen Islamieten en Hindoes (Meded.Sur.Mus. 35: 11; 1981). - Etym.: Het SN element zit in het mv., dat weliswaar niet alg. gebr. is, in het AN echter geheel niet voorkomt. - Zie ook: schandaal* (1 en 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

herrie II: (in) op sy herrie gee/kry, “pak slae”; die herrie in wees, “kwaad wees”; ’n herrie wees, “kranige pers.” (so ong. WAT s.v. herrie2, wat blb. dink aan verb. m. hel en duiwel); wsk. geen verb. m. hel nie, maar wel met eien. Herry (v. Aanm. 4 by herrie in WNT VI 636) ’n bek. bynaam (ook in Eng. Old Harry) vir die duiwel – vandaar: die duiwel/herrie/josie/swerkater in wees, terwyl ’n kranige pers. ook ’n doring/duiwel in sy vak genoem word, en in dies. bet. as op sy herrie gee/kry (maar m. teenstellende beeld) op sy tabernakel gee/kry.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

herrie (Engels hurry?)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

herrie. In de verwensing krijg de herrie! lijkt herrie een soort substituut te zijn voor een afschuwelijke kwaal of ziekte. Herrie, dat omstreeks 1800 voor het eerst in onze taal is binnengedrongen, heeft nog een zeer onzekere etymologie. Misschien moeten wij voor een verklaring van de verwensing aansluiting zoeken bij de betekenis ‘ruzie’ of ‘last’. Is die veronderstelling juist, dan wenst men iemand toe dat hij de speelbal van veel ruzie wordt. → krijgen, reetketelsteen-herrie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

herrie ‘lawaai; ruzie’ -> Fries herje, herry ‘lawaai, drukte; twist; gerechtelijke veroordeling’; Menadonees hèri ‘ruzie’; Petjoh herrie ‘onenigheid, ruzie, trammelant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

herrie lawaai 1806 [WNT] <Engels

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

902. Herrie maken

of schoppen, trappen, d.i. lawaai (ouder lavei, naast een ww. laveien, laveeren, over straat zwaaien, lanterfantenFranck-v. Wijk, 373.); kabaal, spektakel, ruzie, berzie, drukte maken; herrie hebben met iemand, ruzie (vroeger ruse van rusen, lawaai maken) hebben. In 't begin der 19de eeuw wordt dit woord aangetroffen; de oorsprong wordt wel gezocht in 't eng. hurry. Het is ook mogelijk dat we met een bargoensch woord te doen hebben; vgl. Teirlinck 26: herri, herberg (ook erre). Een gelijksoortige ontwikkeling vindt men bij keet (zie aldaar) en het VI. kot in de uitdr. kot houden, ruzie maken. Steun aan de verklaring van herrie als herberg en daarna drukte, lawaai, geeft het barg. cabanes, herrie (fr. cabane?).

Werumeus Buning bezigt herrie in den zin van slag in B.B. 76 en 158: Ik zou mijn handen uitgestoken hebben; ik had die kerels allemaal een herrie gegeven. Zie ook Ndl. Wdb. VI, 636; fri. herje, hoogloopende twist.

1117. Keet.

In eigenlijken zin verstaat men onder een keet een loods, een hut van polderwerkersPropria Cures, XXVI, 171: Zoo is er in Utrecht een heele herrie in de hut., waar het nu niet zoo bijzonder ordelijk uitziet; vandaar de beteekenis troep, warboel, rommel, herrie, pan, lawaai, die het woord thans veelal heeft; in Zuid-Nederland verstaat men er ook een ellendig huis, een krot onder; vgl. Teirl. II, 122: keete, ellendig huis; De Bo, 507: keete, gering huis, slechte woning, huis van ontucht. - V. Schothorst, 151: et was en keet, 't was een herrie; Van Ginneken, Handb. I, 490; Nkr. VI, 14 Sept. p. 2: Van de S.D.A.P. en haar geheimen gesproken, zei toen m'n zwager, dat zal een keet worden op dien rooden Dinsdag; Köster Hencke, 31: keet, herrie, drukte, janboel; ook menigte: wat een keet gajes (volk); evenzoo in Jord. 60: kinderkeet; in Ppl. 217: 'n Heele keet knechte; bl. 9: Vandaag lijkt de heele keet wel vervloekt; Nkr. III, 18 April p. 4: Veel herrie was er in de keet, wat juichten onze kranten; 5 Sept. p. 4: Maak nu geen herrie in de keet, zoek liever arbitrage; De Arbeid, 30 Mei 1914, p. 4 k. 1: Het wordt anders een keet met al die verordeningen. Ook als bepaling van maat in Ppl. 4: Ik voel me nou 'n heele keet (vgl. een heele boel, een heele rommel) beter. Uit deze beteekenis rommel, herrie heeft zich die van lawaai, drukte, pret ontwikkeld, evenals bij herrie (oorspr. herberg? zie no. 902), het Vlaamsche kot, houten huisje, maar ook leven, gedruisch: Een kot houden (van al duivels), er geweldig huishouden. - Was dat daar een kot! (De Bo, 563; Schuermans, 283; Teirl. II, 176, enz.), en het Gron. kantoor in kantoor moaken, schuppen, leven, alarm, gedruisch, twist (Molema, 191). Ook ‘pan’ vereenigt, evenals keet, de beteekenis menigte en herrie, lawaaiBijvorm van lavei van 't ww. laveien, over straat zwaaien (Franck-v. Wijk, 373). in zich. In den zin van herrie, drukte komt keet voor in verbinding met de ww. fokken, maken, schoppen en trappen; waaarnaast ook keetjes (grapjes) maken en een wkw. keten wordt aangetroffen; zie Van Ginneken, Handb. I, 492; Weekbl. voor Gymn. en Middelb. Onderwijs VIII, 1326; IX, 420-421; 423; syn. is deining fokken en berzie makenBerzie (ook birzie) heeft ook de beide beteekenissen ongeordende troep en drukte, herrie. Voor de afleiding (vgl. nd. birsen, het onrustig heen en weer loopen van het vee) zie Ndl. Wdb. II, 1938 en vgl. Tijdschrift, XXXVII, 64: berzieboel en wanberzieboel..(Aanv.) In de 17de eeuw is keet in den zin van huis, woning reeds bekend in de uitdr. iemand de keet uitboenen (Winschooten, 103). Zie verder Ndl. Wdb. VII, 2017.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut