Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hermelijn - (wezelsoort (Mustela erminea))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hermelijn zn. ‘wezelsoort (Mustela erminea)’
Mnl. (h)ermelijn in erminius es .i. ermelijn .j. vte scone dierkin ende es van wesels yslachte ‘(Latijn) erminius is een hermelijn, een alleszins mooi diertje en behoort tot het geslacht der wezels’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], hermeliin ‘hermelijn’ [1390-1410; MNW-R]; ook frequent zijn de vormen hermel, harmel, in harmals, wesels ende andere scarpe dieren ‘hermelijnen, wezels en andere gevaarlijke dieren’ [1375-1400; MNW], dat hermel, die wesel waren oec hier [1460-80; MNW-R].
Hermelijn en hermel/harmel zijn verkleinvormen van een Germaans woord dat in het Nederlands alleen in oostelijke dialecten als harm is overgeleverd en ‘hermelijn, wezel’ betekent.
Met verkleiningsachtervoegsel verder alleen Hoogduits: ohd. harmilo [11e eeuw], harmilī(n), hermel ‘wezel, hermelijn’ (mhd. en mnd. hermelīn, nhd. Hermelin ‘hermelijn’). Zonder achtervoegsel: os. harmo (mnd. harm); ohd. harmo [9e eeuw], harm (mhd. harm(e)); oe. hearma ‘spitsmuis of wezel?’; < pgm. *harmō-.
Verwant met Litouws šarmuo ‘wilde kat, hermelijn, wezel’, Lets sermulis ‘hermelijn’, en Retoromaans carmún ‘wezel’; men reconstrueert hieruit een stam pie. *ḱormen-.
Daarnaast bestaat een Romaanse groep van ‘hermelijn’-woorden: Oudfrans ermine (Nieuwfrans hermine; Engels ermine), Oudprovençaals ermina, Spaans armiño, Portugees arminho; hiervan is de etymologie omstreden. Men kan deze woorden terugvoeren op een Latijns bn. armenius ‘Armeens’: de hermelijn of “Armeense muis” zou in Klein-Azië veel zijn voorgekomen; of ze zijn van Germaanse oorsprong, zie de hierboven genoemde woorden.
Andere gewestelijke of verouderde vormen zijn harmeling (Veluwe), harmeltjen (Achterhoek), en onder invloed van het Frans, armijn. De hedendaagse eindklemtoon in Nederlands hermelijn is wellicht ontstaan naar analogie van woorden als kastelein en porselein.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hermelijn [roofdier] {1287} < middeleeuws latijn hermelinus, uit het germ., vgl. oudsaksisch, oudhoogduits harmo [wezel], oudengels hearma [idem], litouws szarmonys [wezel], met verkleiningsuitgang middelnederlands hermel (vgl. harmel), middelnederduits, middelhoogduits hermel uit het germ. ontleend in de romaanse talen: italiaans ermellino, spaans armiño, oudfrans erme, ermino > engels ermine.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hermelijn znw. m., mnl. hermelijn, ermelijn, hermerijn < mlat. hermelinus, ital. armellino. Dit is echter weer uit ohd. harmelīn, een verkleinwoord van os. ohd. harmo, oe. hearma ‘wezel’, dat verder te verbinden is met lit. šarmuo, šermuo ‘wezel’. — Misschien is dit op zo beperkt gebied voorkomend woord aan een substraattaal ontleend.

Meyer-Lübke gaat van ofra. ermine (nfra. hermine) uit en vergelijkt gall. arminu ‘hermelijnpels van de geestelijken, en dit weer uit vulg. lat. armenius ‘muis uit Armenië’. — Het uitheemse dier kreeg allerlei naam-varianten zo ook mnl. harmel, hermel, daarnaast in nnl. dial. hermken (Achterh.), harmpien, armpien (N. Overijsel, Drente).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hermelijn znw. (de, het, als stofnaam altijd o.), mnl. hermelijn, ermelijn, ook met assimilatie van rl tot rr: hermerijn “hermelijn” (dier en stof). = nhd. hermelín o. “id.”. Uit het Rom.: vgl. mlat. hermelinus, it. ermellino. Deze weer uit het beginbetoonde ohd. har-melîn (= mnd. hermelen) o. “wezel, hermelijn”, een demin. van ohd. os. harmo, ags. hearma m. “id.”. Mnl. komt ook harmel, hermel m. o. (nog dial.), mnd. hermel o., mhd. hermel- (in samenst.) “id.” voor. Germ. *χarman- = lit. szarmů̃ (naast szermů̃) “wezel”. Op het ohd. bnw. harmîn gaat ofr. ermine, fr. hermine “marter, hermelijn” terug; uit het Fr. weer mnl. hermijn, ermijn o. “hermelijnsbont”, eng. ermine “hermelijn”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hermelijn. Bij mnl. harmel, hermel: Dial. ook andere deminutieven als hermken (Achterh.), (h)armpien (N.-Ov., Dr.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hermelijn o., Mnl. id., gelijk Hgd. hermelin, uit het Rom. : Mlat. hermelinus, dat op zijne beurt uit het Germ. komt: Mhd. en Mnl. hermel, dimin. van Os., Ohd. harmo, Ags. hearma + Lit. szarmů = wezel.

Thematische woordenboeken

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Hermelijn ̶ Mustela erminea (Linnaeus, 1758)
Duits: Hermelin; Engels: Stoat; Frans: Hermine; Fries Harmeling
Hermelijnen komen verspreid over het gehele land voor. Op de Waddeneilanden, met uitzondering van Texel en Terschelling, ontbreekt hij. Ze hebben een voorkeur voor bebost gebied en houtwallen, maar komen evenzeer voor in polders, rietvelden en ‘s winters in de buurt van boerderijen. Hoewel het vooral nachtdieren zijn, kunnen ze toch vrij vaak overdag worden aangetroffen.
De zomervacht is roodbruin van kleur, de onderzijde is geelwit. De oren zijn voorzien van een lichte rand. De wintervacht is meestal geheel of gedeeltelijk wit. Kenmerkend is de altijd zwarte pluim aan de vrij lange staart. De hermelijn heeft een langerekt en slank lijf. Het mannetje is iets groter dan het wijfje.
Het voedsel bestaat voor een belangrijk deel uit (woel) muizen en ratten, konijnen, vogels en soms vogeleieren. Zelf vallen hermelijnen nog al eens ten prooi aan vossen.
De naam hermelijn komt van het Latijnse Hermelines, dat zelf weer uit het Germaans stamt. De etymologie is onduidelijk. Verwante namen zijn harmel (Gelderland, Overijssel) en harmeling (Friesland). Meestal wordt het rovertje met een verkleinwoord aangeduid: armpje, harmke(n) (Achterhoek, Friesland, Gelderland, Overijssel), harmpje (Gelderland, Overijssel), hermke(n) (Achterhoek, Friesland), huermken (Twente), harremantje (Noord-Holland), (h)armpien (Drente, Overijssel), hermeltj(n) (Achterhoek), heimeltie (Overijssel) en hermelijntje. Dat de hermelijn graag eieren eet blijkt uit de naam eierhermke(n) (Twentee).
Net als de steenmarter (zie aldaar) worden soms ook andere marterachtigen fluwijn genoemd. Zo ook de hermelijn. Varianten hierop zijn fewien (Limburg), flewien (We, Zeeland) en flewijn (Noord-Brabant). Zowel afleidingen van de naam van de wat kleinere wezel als diens bijnaam muishond vinden we eveneens bij de hermelijn. Naast (witte) wezel of (witte) eierwezel, waarbij ‘witte’ verwijst naar het zomerkleed, zijn dat de namen muisondje (Noord-Brabant) en mushondje (Zuid-Holland). Het feit dat de hermelijn groter dan de wezel is komt tot uitdrukking in greate (of grutte) we(â)zeling) (= grote wezel ̶ Fr), grote wezel en grote muusond (Zeeland).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hermelijn, verkleinwoord van ’t Mhd. harme, Os. harmo = wezel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hermelijn ‘marterachtige’ -> Deens hermelin ‘marterachtige’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hermelijn marterachtige 1287 [CG NatBl] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut