Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

herfst - (jaargetijde tussen zomer en winter)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

herfst zn. ‘jaargetijde tussen zomer en winter’
Onl. in de samenstelling heruistmanot ‘herfstmaand’ [ca. 1050; CG II-1, 122]; mnl. herfst ‘najaar’ [1240; Bern.], ook nog wel hervest en andere nevenvormen.
Os. herƀist (mnd. hervest); ohd. herbist (mhd. herb(e)st, nhd. Herbst); ofri. herfst (nfri. hjerst); oe. hærfest (ne. harvest); < pgm. *harbista-. Daarnaast: on. haust (nzw. höst) < pgm. *harbusta-. Al deze woorden met een basisbetekenis ‘oogsttijd’, later gegeneraliseerd tot ‘herfst’ (continentaal-Germaans en Zweeds) of tot ‘oogst’ (Engels).
De oorspr. betekenis moet zijn geweest ‘tijd waarin men plukt’. Dat blijkt uit de betekenissen van de verwante woorden buiten het Germaans: Latijn carpere ‘plukken’ (zie → excerpt, → schaars); Grieks karpós ‘vrucht’ (oorspr. ‘het afgeplukte’), karpízesthai ‘oogsten’; Litouws kirpti ‘knippen, snoeien’; Oudkerkslavisch črŭpati ‘putten’ (Russisch čérpat', Tsjechisch čerpat ‘id.’); Middeliers corrán ‘sikkel’; bij pie. *kerp-, een uitbreiding bij de wortel *(s)ker- ‘snijden’, zie → scheren 1 ‘haren verwijderen’. Het alleen in het Germaans toegevoegde achtervoegsel -st- vormt abstracta, zoals in → angst, → dienst, → ernst. Een andere verklaring voor de uitgang is dat het een superlatiefachtervoegsel -st betreft, waarmee men het woord kan interpreteren als de periode die ‘het meest geschikt voor het plukken’ is.
Lit.: Philippa 1987, 67-69

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

herfst* [najaar] {heruistmanoth [herfstmaand] 1050, herfst, hervest 1201-1250} oudsaksisch hervist, oudhoogduits herbist, oudfries herfst, oudengels hærfest (engels harvest [oogst]), oudnoors haust; buiten het germ. latijn carpere [plukken], grieks karpos [boomvrucht, veldvrucht], oudindisch kṛpāṇa- [zwaard]; de betekenis is dus ‘oogsttijd’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

herfst znw. m., mnl. herfst, hervest, heerfst, herest, herft e.a. vormen, mnd. hervest, ohd. herbist (nhd. herbst), owfri. heerfst, oe. hærfest (ne. harvest ‘oogst’), on. haust (< *harƀusta). — Eig. ‘oogsttijd’, vgl. gr. karpós ‘vrucht’, lat. carpere ‘plukken’, terug te voeren op een idg. wt. *(s)kerp (IEW 944), waarvoor zie: scherf, harp en rapen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

herfst znw., mnl. herfst (herst e.a. bijvormen) m. = ohd. herbist (nhd. herbst) m., mnd. hervest, owfri. heerfst, ags. hærfest m. “herfst” (eng. harvest “oogst”), on. haust o. “herfst”. Oorspr. = “pluk-tijd, oogst-tijd”. Verwant zijn ier. cirrim (rr < rp) “ik hak, sla af”, lat. carpo “ik pluk”, gr. krṓpion “sikkel” (ook karpós “vrucht”?), lit. kerpù, kir̃pti “met een schaar snijden”, oi. kṛpâṇa- “zwaard”, wsch. ook obg. črŭpą, črěti “scheppen, putten”, uit ’t Germ. wellicht nog on. harfr m., herfi o. “eg.”. De oorspr. bet. van de basis was “een plukkende, trekkende beweging maken”; de bet. “snijden” is secundair. Ook harp heeft men hierbij gebracht, als grondbet. “instrument waaraan men een plukkende vingerbeweging maakt” aannemend, de p uit idg. pn verklarend. Vgl. vooral rapen en scherf.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

herfst. Het formantisch type staat niet vast; misschien mogen we met Hirt IF. 37, 233 vlg. er een superlatief op de wijze van hengst in zien: ospr. bet. dan iets als ‘de beste tijd om te plukken’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

herfst m., Mnl. id. + Ohd. herbist (Mhd. herbest, Nhd. herbst), Ags. hærfest (Eng. harvest) + Gr. karpós = vrucht. Lat. carpere = plukken, Oier. cirrim = afhakken, Lit. kirpti = snijden. In het Skand. is het woord vervormd tot On. haust, Zw. höst. De. høst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

herfs (zn.) herfst; Aajdnederlands heruist <1050>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

herfs s.nw.
1. Jaargety wat die oorgang van die somer na die winter uitmaak. 2. Tydperk van volle rypheid wanneer die verval van die ouderdom begin intree.
Uit Ndl. herfst (al Mnl. in bet. 1, 1830 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. herfst hou verband met Oudhoogduits herbist, Oudengels haerfest en Oudnoors haust wat 'oes, veral van boomvrugte of druiwe' beteken. Derhalwe word die woorde in verband gebring met Latyn carpere 'pluk' en Grieks karpos 'boom- of veldvrug'. Lett. beteken herfst dus 'tyd waarin 'n mens pluk, oestyd'. Die woord het wsk. ontstaan in 'n kultuurfase toe die mens geleef het van die versameling van wilde vrugte, of in 'n tyd toe graan aarsgewys met die hand gepluk is.
D. Herbst.
Vgl. Eng. harvest.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Herfst (Mhd. herbest) van den Germ. wt. harb, Idg. karb = vruchten plukken. Herfst bet. dus: de oogsttijd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

herfst ‘najaar’ -> Papiaments hèrfst (ouder: herfst) ‘najaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

herfst* najaar 1050 [CG II1, 122]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut