Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

herder - (kuddehoeder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

herder zn. ‘kuddehoeder’
Onl. herdo ‘herder’ [ca. 1100; Will.]; mnl. herde [1240; Bern.], dat nog in de hele mnl. periode de frequentste vorm bleef; de vorm met -r eerst in de persoonsnaam willem die hardre ‘Willem de Herder’ [1297; CG I, 2373]; pas vnnl. wordt herder de gewone vorm: Kiliaan [1599] noemt herde ‘herder’ verouderd, Duits, Saksisch, Rijnlands, Vlaams.
Herder is ontstaan uit mnl. herde ‘herder’; de uitgang -e (< pgm. *-ja) werd niet meer aangevoeld als factor die aangeeft dat er sprake is van een (handelende) persoon en werd vervangen door het achtervoegsel -er (zie → -aar), dat zeer productief was in het vormen van nomina agentis uit werkwoorden. Herde is ontstaan uit onl. herdo < *hirdo < met umlaut uit pgm. *herd-ja-, met in het Nederlands regelmatige klankovergang ir- > er- voor medeklinker, zoals bij → kerk naast Duits Kirche. Dit is een afleiding van een Germaans woord voor ‘kudde’, dat in het Nederlands eveneens tot *herde zou hebben geleid, maar dat door homonymievermijding al voor de schriftelijke overlevering is verdwenen, met uitzondering van één vindplaats in een vertaling uit het Nederduits [15e eeuw; MNW] en het dichterlijke, wrsch. door Bilderdijk op basis van het Duits geïntroduceerde, nnl. heerde.
Mhd. hertære (zonder sporen in het nhd.); ofri. herdere; vne. herder (nu vooral Amerikaans-Engels); bij mnl. herde ‘herder’ horen: os. hirdi (mnd. hērde, hirde); ohd. hirti (nhd. Hirt(e)); oe. hirde (ne. alleen in samenstellingen -herd); on. hirðir (nzw. herde); got. haírdeis; < pgm. *herd-ja- ‘herder’, afleiding van pgm. *herdō- ‘kudde’, waaruit mnd. hērde, hirde; ohd. herta (mhd. hert; maar nhd. Herde o.i.v. van het nnd.); oe. heord (ne. herd); on. hjörð (nzw. hjord); got. haírda.
Pgm. *herdō- ‘kudde’ is verwant met: Litouws (s)kerdžius ‘herder’; Oudkerkslavisch črěda ‘kudde’ (Russisch čeredá ‘rij’); Middelwelsh cordd ‘groep, stam’; en wrsch. ook Sanskrit śárdha-s ‘schaar, kudde’ (bij śárdha ‘kracht’); bij pie. *(s)ḱerdh- (IEW 579).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

herder* [hoeder van een kudde] {herde(r) 1201-1250} middelhoogduits hertaere, oudfries herdere, resp. oudsaksisch hirdi, oudhoogduits hirti, oudengels hierde, oudnoors hirðir, gotisch hairdeis; van een woord voor kudde: oudhoogduits herta, oudengels heord, gotisch hairda; buiten het germ. grieks korthu(n)ein [ophopen], litouws kerdžius [herder].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

herder znw. m., dial. ook harder, heerder, mnl. herder, harder, heerder, hierder, mnd. herder, mhd. hertære, hirtære, owfri. herdere. Het woord is met het suffix -er gevormd van het oudere mnl. herde, harde, haerde, heerde, hirde, mnd. herde, os. hirdi, ohd. hirti (nhd. hirte, hirt), oe. hierde (ne. shepherd), on. hirðir, got. hairdeis ‘herder’ < germ. *hirðia-. — Dit is een afl. van *herðō ‘kudde’, vgl. ohd. herta (nhd. herde), oe. heord (ne. herd), on. hjǫrð, got. hairda; daarnaast os. herda, ohd. herta met de bet. ‘wisseling’. — > amerik. eng. herder (sedert 1635 vgl. Bense 142).

De etymologie is onzeker. — 1. Bij osl. črěda ‘beurt, kudde’, lit. ker̃džius ‘herder’, opr. kērdan ‘beurt, tijd’, iers crod ‘vee, rijkdom’ bij de idg. wt. *kerdh. — 2. Daarentegen verbindt IEW 579 met de wt. *ḱerdh en vergelijkt oi. śardhas ‘schaar, kudde’, av. sarədem (4de nv. enk.) ‘kudde’; daartegen merkt Wikander, Der arische männerbund 1938, 49 op, dat van deze woorden de grondbetekenis ‘wild, stormachtig optreden’ zou zijn. — 3. W. P. Lehmann, Lang. 18, 1942, 130 verbindt weer met de wt. *ḱer ‘groeien, voeden’, verbonden met een dh-suffix, wat de bet. geeft ‘wat gevoed is’. — 4. Misschien is eerder te denken aan een wt. *kerdh, afl. van *ker ‘vlechten, omheining’, waaruit zich ook de betekenis ‘rij, beurt’ van osl. črěda zou verklaren (bijv. de rij van de palen der omheining). Wisselvorm van *kerdh is dan nog *kert, waarvoor zie: hor.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

herder znw., dial. ook harder, heerder, mnl. herder (harder, heerder, hirder) m. Evenals mhd. hërtære, hirtære, mnd. herder, owfri. herdere m. met suffixsubstitutie (vgl. schutter) naast mnl. herde (harde, haerde, heerde, hirde; nog dial.: N.Brab. hèrt), mnd. herde m. “herder” = ohd. hirti (nhd. hirte, hirt), os. hirdi, ags. hierde (nog in shepherd “schaapherder” e.a. samenstt.), on. hirðir, got. haírdeis m. “herder”, germ. *χirðia-, een afl. van *χerðô-, got. haírda, on. hjǫrð, ohd. hërta (nhd. herde), ags. heord (eng. herd) v. “kudde”. Met andere bet. ohd. hërta, os. hërda v. “wisseling”. Op grond van obg. črěda “beurt volgens de dagordening, kudde”, opr. kērdan “tijd” (oorspr. “volgorde, opvolging”), lit. ker̃dżus “herder” heeft men wel een idg. q aangenomen. Met ’t oog op oi. çárdha-, çárdhas- “troep, kudde”, av. sarəδa- “soort” is ’t echter waarschijnlijker, dat de anlaut k was: de slav.-balt. woorden kunnen dan uit het Germ. ontleend zijn, — tenzij wij qer-dh- naast ḱer-dh- moeten aannemen. Deze woordfamilie, waarbij nog kymr. cordd “clan, familie” (met ablaut ier. crod “kudde, vee”?), gr. kórthus “troep” behooren, wordt wsch. terecht van den wortel ker- “groeien”, waarvan arm. ser “afkomst, geslacht” enz. (zie bij gierst) komen, afgeleid; voor de bet. vgl. lit. buris “troep, kudde”, gr. phūlē, phūlon “afdeeling menschen” van den wortel bhû “groeien”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

herder. Obg. črěda, opr. kērdan, lit. ker̃džius kunnen eenvoudig, zoals meer balt.-slav. woorden, k- < idg. hebben. Vgl. hert Suppl. laatste alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

herder 2 m. (schaper), Mnl. id. + Mhd. hertæ̂re, Ofri. herdere: met substitutie van suff. in plaats van *herde = schaper, Mnl. herde, Os. hirdi + Ohd. hirti (Mhd. hirte, Nhd. hirt), Ags. hierde (Eng. herd), On. hirđir (Zw. herde, De. hyrde), Go. hairdeis: hetwelk met suffix -ja- van *herde: Vl. heerde + Ohd. herta (Mhd. hert, Nhd. herde), Ags. heord (Eng. herd), On. hjǫrđ (Zw. en De. hjord), Go. hairda = kudde + Skr. çardhas, Gr. kórthus = troep, We.. cordd = clan. Uit Germ. Osl. črěda = kudde, Lit. ker͂dżus = herder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

herder s.nw.
1. (deftig) Iemand wat vee, veral skape, oppas. 2. Eenvoudige, gelukkige landsbewoner, soos in die letterkunde en skilderye geïdealiseer. 3. Nomade. 4. Iemand wat oor iemand anders toesig hou. 5. Geestelike leier.
Uit Ndl. herder (al Mnl. in bet. 1, 1726 in bet. 2, 1876 in bet. 3, eerste optekening in Die Bybel, waarna 1855 -- 1869 in bet. 4, 1855 -- 1869 in bet. 5). Ndl. herder is 'n afleiding van herde 'kudde'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

herder ‘zielenherder’ (bet. van Latijn pastor)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Herder, leider in geestelijke zaken, vooral in toepassing op predikanten in de protestants-christelijke kerk.
Zielenherder, geestelijk leider, pastoor of predikant.

Het beeld van God als herder van de gelovigen als kudde schapen is in het Oude Testament wel het bekendst uit het eerste vers van Psalmen 23: 'De HEER is mijn herder, / het ontbreekt mij aan niets' (NBV). Ook Jezus noemt zich graag de herder van zijn schapen, zie bijvoorbeeld zijn woorden in het evangelie van Johannes: 'Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen' (Johannes 10:11, NBV). In protestantse kringen wordt wel over de predikant gesproken als over de herder en leraar, waarmee respectievelijk de zorgende en de onderrichtende kant van de functie worden benadrukt. Zie ook Pastoor, pastor.

Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 23:1. Die HERE es mijn heerder, my en sal niet gebreken. (Statenvertaling (1637): herder.)
De zendingspredikanten worden tot de bediening van het Evangelie toegelaten op gelijke wijze, als is bepaald voor de herders en leraars der Kerk in Nederland. (Kerkorde N.H.K., Orde 4, 1956, a.13; WNT, Aanvullingen)
Dominee Rietveld, die een ware herder voor zijn gemeente was, was zeer duidelijk in zijn prediking tegen de Duitsers. (Erf Goed Nieuws 7, dec. 1999, p. 13.)
Pastoor Pander, een korte, stevige, grof gebouwde zielenherder. (T. Kortooms, Het zwarte goud, z.j. (1962), p. 17)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Herder van ’t Germ. herdo = kudde (waarvoor Bilderdijk en Jacques Perk ook heerde gebruiken); letterlijk dus: de heerdenaar = kuddebewaker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

herder ‘hoeder van een kudde’ -> Jakartaans-Maleis hèrder ‘bewaker, bodyguard’; Negerhollands herder ‘hoeder van een kudde’; Papiaments herder ‘hoeder van een kudde’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

De herdertjes lagen bij nachte [liedregel] (1852). De broers J.A. en L.J. Alberdingk Thijm publiceerden in 1852 hun bundel Oude en nieuwere kerstliederen, waarin voor het eerst het kerstlied in druk verschijnt dat begint met de woorden “De herdertjes lagen bij nachte, / Ze lagen bij nacht in ’et veld”. Sommige onderzoekers beschouwen dit lied als zeventiende-eeuws of nog ouder, maar Alberdingk Thijm-biograaf Michel van der Plas meent dat J.A. Alberdingk Thijm het zelf geschreven heeft. De muziek is mogelijk van zijn broer L.J. Alberdingk Thijm.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

herder* hoeder van een kudde 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut