Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

herberg - (nachtverblijf voor vreemden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

herberg zn. ‘nachtverblijf voor vreemden’
Onl. heribergi ‘legerplaats’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. herberge ‘onderkomen, logies’ [1220-40; CG II, Aiol].
Oude samenstelling van pgm. *harja- ‘leger’, zie → heer 2, en pgm. *bergō-, behorend bij het werkwoord → bergen ‘in veiligheid brengen, opbergen’; de samenstelling is alleen in het Nederlands en Duits inheems.
Os. heriberga ‘herberg’ (mnd. herberge); ohd. heriberga ‘herberg, legerkamp’ (nhd. Herberge); me. hereberge (met vele vormvarianten) ‘beschutting, onderdak; ligplaats voor schepen’ < on. (ne. harbour ‘haven’); on. herbergi ‘logies, onderkomen’ < mnd. (nzw. härbärge). Wel het simplex oe. beorg ‘berging, beschutting, hulp’; on. björg ‘id.’.
De oorspr. betekenis ‘onderkomen voor een leger’ is in het Middelnederlands al geheel verdwenen, ten gunste van ‘nachtverblijf voor vreemden, eenvoudig hotel’; de verdere ontwikkeling tot ‘eet- en drinkgelegenheid, kroeg’ is vooral 17e-eeuws.
Ook in het Frans bestaat dit woord, uiteindelijk aan het Germaans ontleend en met een gelijke betekenisontwikkeling: Frans auberge ‘herberg, klein landelijk hotel’ < Middelfrans aulberge [1477; Rey], uit Oudprovençaals alberga ‘barak, kampement’ [12e eeuw; Rey], een afleiding met dissimilatie van arbergar ‘herbergen’, een ontlening uit het West-Germaanse taalgebied. Ook Italiaans albergo. Qua vorm dicht bij het Germaans staan de oude middeleeuws-Latijnse vindplaatsen haribergo [782], heribergum.
herbergen ww. ‘onderkomen verschaffen’. Mnl. herbergen ‘id.’ zoals in nochdan nemoet men in dit hus negénen lazers herbergen ‘nochtans mag men in dit huis geen leprozen herbergen’ [1275-1300; CG I, 27]. Afleiding (pgm. *haribergōn-) van herberg. ♦ jeugdherberg zn. ‘overnachtingsgelegenheid voor jongeren’. Nnl. jeugdherberg [1929]. Samenstelling met → jeugd, als leenvertaling van Duits Jugendherberge ‘id.’. De eerste Duitse jeugdherberg werd in 1909 opgericht door de jonge idealistische onderwijzer Richard Schirrmann. Zijn concept werd populair en in twintig jaar tijd verschenen in Duitsland ruim 2000 jeugdherbergen. In Nederland werd in 1929 de Nederlandsche Jeugdherbergcentrale opgericht en de eerste jeugdherberg geopend, in België een jaar later. In de begintijd werd er veel ophef over de naam gemaakt, aangezien het Nederlandse simplex herberg inmiddels was gedegradeerd tot ‘dranklokaal, kroeg’ en men de naam jeugdherberg dus veel te wild achtte. Opmerkelijk is dat de Nederlandse Jeugdherberg Centrale haar vestigingen met ingang van 2003 juist wegens hun oubollige en spartaanse imago heeft omgedoopt tot Stayokay. In Nederlandstalig België zijn de jeugdherbergen blijven bestaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

herberg* [logement] {oudnederlands hereberga, heribergo [legerplaats] 901-1000, middelnederlands herberge, herbarge [onderkomen, woning, herberg, bedienden, huisgenoten]} oudsaksisch heriberga [verblijfplaats], oudhoogduits heriberga [legerplaats, overnachtingsplaats], oudfrans herberge-, van een eerste lid met de betekenis ‘leger’, vgl. heer2, heir + een tweede lid met de betekenis ‘opbergen’, vgl. bergen; in het eng. tot harbour [haven] geworden.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

herberg

Men zou het niet vermoeden, maar het woorddeel her- van herberg is precies hetzelfde als her- van hertog. Het betekent namelijk: krijgsmacht, leger, heir. Een hertog is iemand die het leger aanvoert. De vorm‑tog is een afleiding van het oude werkwoord tien, waarvan wij de vormen toog en getogen nog over hebben. Een her-berg is: een plaats waar men een leger bergt, een soldatenverblijf en vandaar: de plaats waar een reiziger huisvesting vindt. Hetzelfde woord is het Engelse harbour: haven. Jammer dat het goed-Nederlandse woord herberg het heeft moeten afleggen tegen het Franse logement, dat daarna de strijd verloor tegen hôtel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

herberg znw. v., mnl. herberghe ‘nachtverblijf, onderkomen, gevolg’, zelden ‘herberg’, onfrank. hereberga ‘castra’, os. heriberga ‘stationes’, ohd. heriberga ‘kamp, legerplaats, huis om te overnachten’, ofri. herberge-. Het on. herbergi, -birgi, -byrgi wordt gewoonlijk beschouwd als ontlening uit mnd. herberge, vooral omdat het eerst laat voorkomt; O. Höfler, ANF 48, 1932, 22 meent dat de bijvormen -birgi, -byrgi op inheemse herkomst kunnen wijzen; eerder zal men de invloed van inheems taalmateriaal op het overgenomen woord moeten aannemen (uit on. herbergi weer me. hereberwe ‘herberg’ > ne. harbour ‘haven’). — Het woord is een samenstelling van heer 2 en *bergō, afgeleid van bergen. De oude betekenis was dus ‘plaats waar een leger geborgen werd’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

herberg znw., mnl. herberghe v. “nachtverblijf, onderkomen, gevolg”, zelden “herberg”. = onfr. herebërga v. “castra”, ohd. heribërga v. “kamp, verblijfplaats voor ’t leger, huis om te overnachten”, os. heribërga “stationes”, ofri. herbërge- (éénmaal in samenst.); uit het Mnd. is on. herbergi, herbirgi, herbyrgi o. “huis, vertrek voor een gast, slaapkamer” ontleend en hieruit weer meng. herberge, herberwe “herberg, verblijfplaats voor een vreemde” (eng. harbour “haven”). Uit germ. *χarja- (heir) en een znw. van den stam van bergen gevormd. Uit het Germ. ofr. herberge “kamp” (fr. auberge “herberg”).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

herberg. On. herbergi, -birgi, -byrgi wordt ook wel als inheems-scand. beschouwd. Zie Höfler Ark. 48, 22.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

herberg v., Mnl. herberghe, Onfra. hereberga, Os. heriberga + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. herberge) = legerbergplaats, verblijf: gev. met heer 2 en een afleid. van bergen. Ging over in ʼt Rom. (Fr. auberge, héberger), in ’t Eng. (harbour) en ʼt On. (herbergi).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Herberg, lett. leger-bergplaats, plaats waar ’t leger een onderdak vond; later ook voor reizigers. (Voor berg vgl. hooiberg.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

herberg ‘logement’ -> Frans héberge ‘logement’ Frankisch; Bretons herberc'h ‘logement’; Creools-Portugees (Ceylon) herberg ‘logement’; Negerhollands herberg ‘logement’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

herberg* logement 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut