Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hennep - (plant met vezelachtige bast (Cannabis sativa))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hennep zn. ‘plant met vezelachtige bast (Cannabis sativa)’
Mnl. hannep [1343-46; MNW], hennep [1408; MNW-B].
Zeer oude ontlening aan hetzelfde woord dat ook heeft geleid tot → cannabis. Men neemt wel aan dat de brontaal het Skythisch is geweest, op basis van Herodotos' beschrijving dat de Skythen hennep kweekten en verhandelden. De Germaanse klankverschuiving die dit woord nog heeft ondergaan (in dit geval k > h), wordt gedateerd op vóór 500 v. Chr., dus de ontlening zal niet via het Latijn van de Romeinen zijn verlopen. De uiteindelijke bron is misschien Soemerisch kunibu.
Ook os. hanap (mnd. hennep); ohd. hanaf (nhd. Hanf); oe. hænep (ne. hemp); on. hampr (nzw. hampa); < pgm. *hanap-. Ook in de meeste andere Indo-Europese talen is het woord terechtgekomen, o.a. als: Latijn cannabis (Frans chanvre); Grieks kánnabis; Albanees kanep, Litouws kanapė, Kerkslavisch konopljá (Russisch konopljá), Sanskrit śaṇa; Armeens kanap', Perzisch kanab, alle ‘hennep’.
Hennep was eeuwenlang een uitermate belangrijk gewas, omdat de sterke hennepvezels zeer geschikt waren voor het vervaardigen van o.a. touw en weefsel voor kleding. De medicinale werking van hennep was in de oudheid wel bekend, was in middeleeuws Europa vergeten en werd pas weer in de 19e eeuw in West-Europa herontdekt en benut. Intussen waren in het Middelnederlands diverse andere woorden ontstaan uit de Latijnse gewasnaam cannabis: kennep en canep [ca. 1225; Claes 1997], die later in een aantal dialecten werden verkort en geassimileerd tot kemp; via het Frans ontstond ook mnl. canevas, zie → canvas. De vervolgens rechtstreeks aan het Latijn ontleende naam cannabis wordt vanaf de tweede helft van de 20e eeuw vooral gebruikt binnen de context van de psychoactieve eigenschappen van de plant.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hennep [plant] {hennep, han(n)ep 1343-1346} oudsaksisch hanap, oudhoogduits hanaf, oudengels henep, oudnoors hampr; buiten het germ. grieks kannabis < latijn cannabis, armeens kanap, kanep, oudindisch śaṇa-, en buiten het i.-e. akkadisch qunnabu; het is onduidelijk aan welke taal deze vormen zijn ontleend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hennep znw. m., mnl. hannep, hanep, hennep, hennip, os. hanap, mnd. hennep, ohd. hanaf, hanif, oe. hennep, henep (ne. hemp), on. hampr. — gr. kánnabis. — Zie ook: gelling.

Een cultuurwoord van onbekende herkomst. De Germanen hebben het nog voor de klankverschuiving overgenomen, hetzij van de Skythen (vgl. osl. konoplja, lit. kanapes), hetzij van de Thraciërs (alb. kanep, opr. knapios), vgl. Hoops, Waldb. 472-3. — De ook in de dial. aanwezige wisselingen tussen vormen met a en e wijzen op de beide vormen *hanap- en *hanip-. Rechtstreeks van lat. cannabis zijn mnl. kennep, nnl. dial. kennep, kemp, owvla. canaps, wvla. kemp, kimp, kempst, kampst afgeleid.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hennep znw., mnl. hannep, hānep, hennep, -ip m. Dial. nog met a (Twente, Kampen), elders (Achterh., Vel., Goeree) met e. De e is uit een vorm *hanip- > *henp > hennep te verklaren. = ohd. hanaf, hanif (nhd. hanf) m., os. hanap, rnnd. hennep, ags. hænep, henep (eng. hemp), on. hampr m. “hennep”. Een vóór de klankverschuiving door de Germanen ontleend cultuurwoord. Denzelfden oorsprong heeft gr. kánnabis (sedert Herodotus; hieruit lat. cannabis) “hennep”. Herodotus vermeldt het gebruik van kánnabis bij Scythen en Thraciërs. Met het oog op den oostelijken oorsprong van den hennepbouw is ’t waarschijnlijker, dat de slav. en balt. hennepnaam (russ. konopl’á, lit. kanãpės) uit dezelfde taal komt als de germ. en gr., dan dat hij uit het Germ. ontleend is. Men gaat wel uit van čeremissisch keńe, kińe “hennep” + syrjänisch-wotjakisch pįš, puš “netel”. Ook oi. çaṇá- “een soort hennep”, osset. san “wijn” zullen wel denzelfden oorsprong hebben. Mnl. kennep, nnl. dial. kennep, kemp (wvla. kemp, kimp, kempst, kampst) zijn uit lat. cannabis ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hennep. Owvla. (herb.) anep. — Bij de k-vormen adde: owvla. (herb.) canaps.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hennep m., Mnl. id., Os. hanap + Ohd. hanaf (Mhd. en Nhd. hanf), Ags. hænep (Eng. hemp), On. hampr (Zw. hampa, De. hamp), vóór de klankverschuiving ontleend aan Gr. kánnabis waarop ook Lat. cannabis, Perz. kanab, Osl. konoplje, Lit. kanãpės, teruggaan; Gr. kánnabis gaat met kánna op het Sem. terug (z. kanon).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

hemp, hamp, hump hennep (Drente). = hennep, os. hanap ‘id.’, ono hampr ‘id.’, ohgd. hanif ‘id.’. Evenals gr. kánnabis ‘id.’ en russ. konopljá « een nu uitgestorven taal, al voor de Germaanse klankverschuiving. De vorm ontstond door verkorting en daarna assimilatie. Het verschil tussen vormen met a dan wel e berust op het al dan niet aanwezig zijn van i in de volgende lettergreep.
TT XXXVI 103.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hennep: pln., gew. dagga genoem (Cannabis sativa, fam. Moraceae); Ndl. hennep/hemp (Mnl. han(n)ep, dial. ook kennep/kemp), Hd. hanf, Eng. hemp, gaan terug op Lat. cannabis en Gr. kannabis, maar herk. hoërop onbek.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hennep (Scytisch/Thracisch)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hennep plant 1343-1346 [MNW] <Scythisch of Thracisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal