Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hem - (objectiefvorm van hij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hem vnw. 3e pers. ev.
Onl. imo ‘hem’ (32x, datief en accusatief), himo (4x, datief) [10e eeuw; W.Ps.], him, himo [ca. 1100; Will.]; mnl. hem (datief en accusatief mannelijk en datief onzijdig), met enkele weinig frequente varianten him, hen, heme. In wederkerende functie hi seindem ‘hij zegende zich, maakte een kruisteken’ [1300-1350; MNW-R].
Ontstaan uit de datief enkelvoud, mannelijk en onzijdig, Proto-Germaans *imm-, van het persoonlijke voornaamwoord voor de 3e persoon. In het Noordzee-Germaanse gebied en in delen van het Middelfrankische gebied werd een van origine wrsch. aanwijzend partikel h- voor de oorspr. stam geplaatst, zowel bij hem als bij → hij, → haar 1 en → hun, hen. Zie daarvoor onder → hier. In de Wachtendonckse Psalmen ontbreekt deze h- bij hem en hun, hen in de meeste gevallen, omdat in het meer landinwaartse dialect van de bewerker ervan op deze plaats geen h gebruikt werd; de vorm himo komt alleen voor in de sterk Middelfrankisch gekleurde eerste psalmen.
Os. imu; ohd. imo (nhd. ihm); ofri. him (nfri. him); oe. him (ne. him); got. imma; < pgm. *imm- < *ism-.
Persoonlijke voornaamwoorden voor de derde persoon bestonden in het Proto-Indo-Europees niet als apart paradigma en zijn terug te voeren op aanwijzende voornaamwoorden. Voor het Germaans is dat in de meeste gevallen het paradigma van pie. *h1e, waarvan de datief mannelijk enkelvoud als pie. *h1esmei gereconstrueerd wordt. Verwante woorden met dezelfde functie als hem zijn dan o.a.: Latijn en Sanskrit asmái. In het Germaans is de combinatie -sm- geassimileerd tot -mm-.
Onderscheid tussen de datief en de accusatief wordt in het Noordzee-Germaans, inclusief het Oud- en Middelnederlands, voor het mannelijke, vrouwelijke en meervoudige voornaamwoord niet meer gemaakt; uiteraard wel bij het onzijdig geslacht, waar de accusatief bij alle soorten naamwoorden gelijk is aan de nominatief. Verder komt in onbeklemtoonde positie bij de accusatief mannelijk tot in de 17e eeuw de oude enclitische vorm -ne of -en voor uit -ene (te vergelijken met Duits ihn), bijv. ick hanghen ... aenden hack ‘ik hang hem (de bedelaarszak) aan de haak’ [1544; WNT]. In de enclise treft men vaak een oudere taalsituatie aan, bijv. in heeft ie uit mnl. heefti in de plaats van heeft hij.
Het wederkerend voornaamwoord bestond niet in het Noordzee-Germaans en (dus) evenmin in het Middelnederlands. Voor de wederkerende functie werd de datiefvorm van het persoonlijk voornaamwoord gebruikt. Pas later (vanaf de 13e eeuw geleidelijk van oost naar west) werd voor alle geslachten en ook in het meervoud het Duitse leenwoord → zich ingevoerd, vooral in de schrijftaal. De woordvorm hem kwam in het Middelnederlands ook voor als persoonlijk voornaamwoord in de datief en accusatief meervoud, waarvoor zie verder → hun, hen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hem2* [objectiefvorm van hij] {3e nv. hem, 4e nv. hem(e), enclitisch -en(e), -ne 1200} de vorm hem was oorspr. een 3e nv. en werd in het middelnl. ook gebruikt voor de 4e nv. (vgl. hoogduits ihn en ihm).

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑o-, k̑e- (mit Partikel k̑e ‘hier’), k̑(e)i-, k̑(i)i̯o- Pronominalstamm ‘dieser’, ursprünglich ich-deiktisch, später auch ‘jener’, k̑i-na ‘hinweg’

Arm. -s ‘Artikel’ (z. B. mard-s ‘der Mensch’), sa ‘dieser’, ai-s ds., a-s-t ‘hier’;
phryg. σεμου(ν) ‘diesem’ (*k̑em + ōi); anders Pedersen Tochar. 259.
gr. Partikel *κε in κεῖνος und ἐκεῖνος, dor. lesb. κῆνος ‘jener’ aus *(ε)κε-ενος; daraus rückgebildet (ἐ)κεῖ ‘dort’, (ἐ)κεῖθι usw.; *k̑i̯o- in σήμερον, att. τήμερον ‘heute’ (*κι̯ᾱμερον), wonach auch *κι̯ᾱετες ‘heuer’ in σῆτες, att. τῆτες, dor. σᾶτες;
lat. -ce, ce-Partikel in ce-do ‘gib her’ (ebenso osk. ce-bnust ‘er wird hergekommen sein’), cēterus ‘der andere, der übrige’ (*cĕ + *etero-, vgl. umbr. etru ‘altero’); hi-c (*hi-ce), hīs-ce, sī-c (sī-ci-ne), illī-c, illū-c, tun-c, nun-c usw., osk. ekak ‘hanc’, ekík ‘hoc’ = pälign. eci-c, marr. iaf-c ‘eas’, esu-c ‘eo’; osk. ídí-k, umbr. ere-k ‘id’, osk. ekas-k ‘hae’, umbr. esmi-k ‘huic’, lat. ecce (wohl aus *ed-ke, s. *e Pron.-St.), osk. um -um erweitert ekk-um ‘ebenso’, nach puz ‘wie’ aus *kuti-s umgebildet ekss ‘ita’; Konglutinat e-ko- z. B. osk. ekas ‘hae’, pälign. acuf ‘hīc’, ecuc ‘huc’, ecic ‘hoc’, *e-k(e)-so- z. B. osk. exac ‘hac’;
*k̑i- in lat. cis ‘diesseits’, citer ‘diesseitig’, citrō ‘hierher’, citrā ‘dieseits’, citimus ‘nächstbefindlich’, umbr. çive ‘citra’ (St. *k̑i-u̯o-), çimu, s̀imo ‘ad citima, retro’;
air. ‘hier, diesseits’ (*k̑ei, vgl. ablautend Ogom coi ‘hier’, gall. κουι), cen (vgl. zum n-Suffix ahd. hina ‘weg’ usw.) ‘diesseits’ (in cen-alpande ‘cisalpinus’) und ‘ohne’, centar ‘diesseits’; gall. etic neben eti ‘auch’ könnte ebenfalls -k̑e enthalten;
anord. hānn, hann ‘er’ (*hānaR, idg. *k̑ēnos aus *k̑e-eno-s), hōn ‘sie’; asächs. , he, hie, ahd. , her ‘er’, nur Nom., ags. hē̆ ds.;
got. himma ‘huic’, hina ‘hunc’, hita n. ‘jetzt’, asächs. hiu-diga, ahd. hiu-tu ‘hoc die, heute’ (: asächs. ho-digo ds.), ahd. hiuru (*hiu-jāru) ‘heuer’, nhd. jetzt, österr. hietz(t), mhd.(*h)ie-zuo (aus *hiu + Postpos. ‘zu’); ahd. hina ‘weg’, nhd. hin, hinweg (vgl. air. cen); got. hiri ‘komm hierher’ (Grundform unsicher); ahd. hëra, as. her ‘hierher’; got. hēr, ahd. hiar, ags. hēr ‘hier’ (*k̑ēi-r); got. hidrē ‘hierher’, ags. hider, engl. hither ‘hierher’ (: lat.citer, citrō), nl. heden ‘heute’, ahd. hitumum, hitamun ‘erst, demum’ (: lat. citimus);
strittig, ob hierher: got. hindana ‘hinter, jenseits’, ags. asächs. hindan, ahd. hintana ‘hinten’, anord. handan ‘von jener Seite her, jenseits’, komparativisch got. hindar, ahd. hintar ‘hinter’, superlativisch got. hindumists ‘hinterster, äußerster’, ags. hindema ‘letzter’, wobei das n von *k̑i-n-t-, *k̑o-n-t dasselbe wie in ahd. hina wäre; oder mit gall. Cintugnātos ‘Erstgeborener’, air. cētne, cymr. kyntaf ‘erster’ usw. zu *ken- ‘frisch kommen, soeben sich einstellen, anfangen’ (oben S. 564) mit der Bed. ‘letzter’ = ‘novissimus’?
apr. schis (Adverb schai ‘hier’), lit. šìs (lett. šis = aksl. ‘dieser’), Gen. lit. šiõ, aksl. sego, Akk. Pl. aksl. sьję, fem. lit. šì (lett. šĩ) = aksl. si, Akk. Sg. f. sьjǫ, lit.šì-tas ‘dieser’ (*k̑i-to-), dazu štaĩ ‘sieh hier’ (alt šitai), apr. stas ‘der’; lit. šiañdien, lett. šùodien ‘heute’, lit. šè, lett. še ‘hier’, aksl. si-cь ‘τοιοῦτος’ usw.;
hitt. ki ‘dieses’, ki-nun ‘jetzt’ enthält *k̑i (Pedersen Hitt. 50).

WP. I 452 ff., WH. I 192 f., 208 f., 222, 390, 644 f., 855, 862, Trautmann 304, Schwyzer Gr. Gr. I 613.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

häöm (pers. vnw.) hem; Aajdnederlands himo <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hom: pers. vnw. ml. ekv. akk. (na ww. en voors.) van hy; beantw. aan Ndl. hem, maar dial. hem/hom/hum naas enkl. em/en/’m, selfs in Mnl. hom/home en ook in ouer en jonger vorme v. Ndl. in nie-akk. funk. (v. Frank TB 177, 183 No. 8, Kloe HGA 349 en Scho TO 103-4).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hem. De eufemistische verwensing krijg hem! drukt met het loze object hem iets onaangenaams, een ziekte of ander onheil, uit. Iemand die vol minachting een ander iets toewenst, kiest immers altijd voor iets onheilspellends. De betekenis is ‘ga toch weg’. → krijgen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hem ‘persoonlijk voornaamwoord’ -> Chinees-Maleis hèm ‘persoonlijk voornaamwoord’; Javindo gem ‘persoonlijk voornaamwoord’; Negerhollands em, am, an, ham, him, hem ‘hij, zij, hem, haar, zich’; Skepi-Nederlands em ‘persoonlijk voornaamwoord: hij, zij, het’; Sranantongo en, hem ‘hij, zij, het, haar, zijn, hem’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) ahm, am ‘persoonlijk voornaamwoord mannelijk enkelvoud, onzijdig meervoud’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hem* persoonlijk voornaamwoord 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal