Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

helmstok - (stok die het roer beweegt)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

helm2* [steel] {helmstoc 1465} oudhoogduits helmo, halmo, oudengels helma, oudnoors hjalmr; buiten het germ. grieks skalmos [(roei)dol], litouws kelmas [boomstomp]; stammend van een i.-e. stam met de betekenis ‘splijten’, waarvan ook grieks skallein [eggen], litouws skelti [splijten], oudkerkslavisch skala [rots], gotisch skilja [slager], oudnoors skalm [kant van gekloofd hout, klein zwaard] → schol1.

helmstok* [stok die het roer beweegt] {helm(e)stoc 1465} het eerste lid verwant met engels helm, hoogduits Helm [handvat] → helm2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

helm 3 znw. m. (verouderd) ‘handvat van het roer’, mnl. helm, ohd. helmo, halmo (nhd. helm) ‘roerpen’, oe. helma ‘greep van de riem, stuur’, on. hjalmr ‘roerpin’. — gr. skalmós ‘roerpin’, lit. kélmas ‘boomstomp’, opr. kalmus ‘stok’, dan dus m-afl. van de idg. wt. *(s)kel ‘splijten’ (IEW 925).

Men heeft echter ook willen verklaren uit *helƀma, en dan bij de idg. wt. *(s)kelp, vgl. mnl. helve, mnd. helve, helf, os. helƀi, ohd. halb, oe. hielfe ‘greep, schacht, steel’. — lit. kálpa ‘dwarshout aan de slede’, kìlpa ‘stijgbeugel’, opr. kalpus ‘wagenrong’. — Zie: half.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hellebaard znw., mnl. hellebaerde, hellebaert v. Uit helmbaerde evenals dāregherde “buikriem” uit da(e)rmgherde. Mnl. hallebardier m. heeft wsch. a naar fr. hallebarde (waarvan hallebardier), dat weer uit het Hd. komt, evenals de. hellebard, zw. hellebard, hillebard. Wellicht is ook mnl. hellebaerde ontleend uit mhd. hëlmbarte (nhd. hellebarde) v. “hellebaard”. Het tweede lid is mnl. baerde, barde v. “breede bijl” (speciaal “strijdbijl”) = onfr. barda, ohd. barta (nhd. barte), os. barda, on. barða v. “id.” — obg. brady “bijl” uit het Germ. —, dat met oi. bardh- “snijden” (zie verder boord; misschien hierbij nog lat. forfex “schaar”) verwant is, hoewel sommigen het voor een van baard afgeleiden n-stam houden, verwijzende naar on. skeggja v. “bijl”: skegg o. “baard”. Het eerste lid is niet helm I: de bet. “helm-bijl, bijl om helmen te klooven” is niet wsch.; veeleer is ’t = laat-mhd. helm (nhd. helm m. o.), dat evenals mhd. halm, halme m. “steel (van een bijl e.dgl.)” beteekent (vgl. ook mnd. helm-exse v. “bijl met langen steel”) en wellicht m uit ƀm heeft en met mhd. help, halp(b), ohd. halb m. “steel” (zie halster) verwant is, door anderen echter met mnl. helm m. “roerpin” (nog in het nu ongebruikelijke, maar nog bekende helmstok), mnd. hëlm (> nhd. helm m.) “id.”, fri. helm “kop van ’t roer”, ags. hëlma m. (eng. helm) “roer”, on. hjalm- (-vǫlr m. “roerpin”; ook hjalmar-, hjalmun-vǫlr) wordt geïdentificeerd; dit kan met gr. skalmós znw. “dol”, lit. kélmas “boomstronk” van de bij schil besproken basis komen, evenals oi. kárṇa-”handvat, roer, oor”. Minder wsch. is, dat ook dit *χelma-, χelman-, *χelmô(n)- uit *χelƀma-, -an-, (n)- ontstaan en met halster verwant is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

helmstok ‘stok die het roer beweegt’ -> Schots † helmstok ‘stok die het roer beweegt’; Frans dialect hamestoc ‘stok die het roer beweegt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

helmstok* stok die het roer beweegt 1465 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut