Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

helling - (afwijken van horizontale of verticale lijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hellen ww. ‘afwijken van horizontale of verticale lijn’
Mnl. helden ‘buigen’ in die hefs den kop geheldet ... te monde wert ‘die de beker ... aan je mond hebt gehouden’ [1265-70; CG II, Lut.K], doe heldde hi sijn hoeft nederwert ‘toen boog hij zijn hoofd naar beneden’ [1291-1300; Diat.], alse die waghen heldet iet ‘als de wagen iets overhelt’ [1340-60; MNW-R], ook ‘afwijken’ in dat ghi snellike sult helden van den weghe ‘dat gij spoedig zult afwijken van de weg’ [1348; MNW]. Vnnl. hellen (infinitief) [1590-99; WNT].
Hellen is ontstaan uit ouder helden. De uitgangen -ldet (3e pers. ev. presens en verl.deelw.) en -ld(e)de (verleden tijd) werden ook wel vereenvoudigd tot -lt resp. -lde, waardoor helt, ghehelt en helde(n) opgevat konden worden als vervoeging van *hellen; onomstotelijke attestaties daarvan verschijnen pas in het vnnl. Eenzelfde soort overgang trad op in bijv. spillen < spilden (zie → verspillen).
Mnd. helden, hellen; ohd. gihelden ‘neigen, zinken’; oe. hieldan; on. hella ‘uitgieten’ (nzw. hälla ‘(doen) hellen, gieten’); < pgm. *halþ-jan- ‘buigen’. Daarnaast zonder umlaut: ohd. haldon, halden ‘neigen, neerzinken’; < pgm.*halþ-ōn/ēn-, waarbij ook het zn. halda ‘helling’ (nhd. Halde ‘helling’). Alle afgeleid van een bn. pgm. *halþa- ‘schuin’, dat in het Nederlands niet is gevonden, maar wel: ohd. hald ‘schuin’; oe. heald, on. hallr ‘schuin’ (nijsl. hallur); als pre-Germaanse ontlening ook in het Fins kalta, kallas ‘hellend’; met nultrap bovendien in de woordgroep van → hou ‘gunstig gezind, trouw’.
De verdere etymologie is onzeker, maar meestal wordt verband aangenomen met de wortel pie. *ḱel- ‘buigen’, die vooral geattesteerd is in de ablautende variant *ḱlei-, waarvoor zie → leunen. Ook verband met pie. *kelH- ‘uitsteken’, zoals in Latijn collis ‘heuvel’ (zie → hil) is mogelijk.
helling zn. ‘het hellen; hellend oppervlak’. Vnnl. heldinge ‘helling’ [1515; MNHWS], zo ook nog bij Kiliaan [1599], maar al vroeg meestal helling(e) [1567; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -ing.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

helling znw. v. ‘schuine stand; glooiing; schuins aflopende scheepswerf’, mnl. hellinge ‘helling; scheepswerf’, afl. van hellen. — In de bet. ‘scheepswerf’ > russ. éling, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 32.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

helling ‘schuin aflopende scheepswerf waar schepen gebouwd of gerepareerd worden’ -> Duits Helling ‘schuin aflopende scheepswerf waar schepen gebouwd of gerepareerd worden’; Deens hælding ‘schuin aflopende scheepswerf waar schepen gebouwd of gerepareerd worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools eling, helling, heling ‘schuin schuin aflopende scheepswerf waar schepen gebouwd of gerepareerd worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Russisch èling, èlin ‘schuin aflopende scheepswerf waar schepen gebouwd of gerepareerd worden’; Oekraïens èling ‘schuin aflopende scheepswerf waar schepen gebouwd of gerepareerd worden’ ; Litouws elingas ‘schuin aflopende scheepswerf waar schepen gebouwd of gerepareerd worden’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut