Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

helft - (de halve hoeveelheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

helft zn. ‘de halve hoeveelheid’
Mnl. helef, helefd, helft in dehelef van drien sticken ‘de helft van drie stukken’ [1227-32; CG I, 10], so sullen si bringen die helefd ‘dan moeten zij de helft inbrengen (van hun bezit)’ [1236; CG I, 23], helft [1248-71; VMNW]; soms ook vormen met ft > cht, bijv. in dene helegt ... ende dander helegt ‘de ene helft en de andere helft’ [1292-93; CG I, 1871].
Afleiding van → half met het achtervoegsel pgm. *-ido, dat i-umlaut veroorzaakte. De overgang ft > cht zoals in → achter is in enkele vindplaatsen merkbaar, maar heeft niet doorgezet door de sterke analogiewerking van half.
Mnd. halfte, helfte; ohd. halba, mhd. halbe (vnhd. Hälfte ‘helft’ < mnd.); ofri. helfte (nfri. helt(e)); on. helfð, helft (< mnd.; nzw. hälft); < pgm. *halb-idō- ‘helft’, met grammatische wisseling uit *halb-iþō-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

helft* [elk der beide gelijke delen waarin iets verdeeld is] {helft(e) 1236} afgeleid van half.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

helft znw. v., mnl. helcht, helft, helt (de laatste vorm nog vla. en zeeuws), mnd. mhd. helfte, oostfri. halfte, owfri. helfte, helft, on. helfð. — Afl. met suffix -iþō van half.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

helft znw., mnl. helcht, helft, helt (de vorm met wegval van f, ch nog vla. en zeeuwsch), ook met -e, v. Gevormd van half. Evenzoo mhd. (md.), mnd. helfte (nhd. hälfte) v., mnd. halfte (v.?), oofri. halfte, owfri. helft(e) m. “helft”, on. helfð v. “id.”. ’t Ohd. woord voor “helft” is halftanôd m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

helft v., Mnl. id. + Ndd. helfte (waaruit Hgd. hälfte): met e = ä en suff. -ti van half.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hèlf (zn.) helft; Vreugmiddelnederlands helef <1227>.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

hilt (D, K: uitspr. il), helt (DB), zn. m.: helft. Door reductie van de cluster lfl/lcht tot lt. Mnl. helft, helcht, heelt, helt.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

halfte: minder gebr. wv. v. helfte; Ndl. dial. halft(e), misk. verst. d. umlautlose vorm v. Hd. hälfte, vgl. OFri. halfe (tDK).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Halfte snw. helfte. – Ook Boekenoogen XVII, 24: “Halft (helft: onder invloed van half...)”

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

helft. Als iemand wordt uitgescholden, hoor je vaak als reactie:. (1) Wat je zegt, ben je zelf,/ (2) Met je kop door de helft,/ (3) Met je kop door de muur,/ (4) Ben je morgen lekker zuur.
Ik beschouw dit versje als een antwoordvers dat in regel (2) vaak elliptisch is en aangevuld moet worden met de gebiedende wijs val. In met je kop door de helft zie ik een vervloeking die nauwelijks nog in relatie gebracht kan worden met haar letterlijke betekenis. Zij heeft vooral een emotionele betekenis, die weergegeven kan worden met ‘ik heb een enorme hekel aan je, laat me met rust en verdwijn uit mijn ogen’. Van regel (2) van dit vers zijn diverse varianten, maar ook de regels (3) en (4) kunnen verschillen. Zo noteerde ik:. (1) Wat je zegt, ben je zelf,/ (2) Met de keutel door de helft,/ (3) Met de rook in de kont,/ (4) Zo loop je de hele wereld rond.. Voor de verwensing met de keutel door de helft, [val] met de keutel door de helft ‘val met je keutel middendoor’ heb ik geen afdoende verklaring. Mogelijk is het een synoniem van ‘breek je nek’.
Ook komt voor:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met je vork in je reet,/ Ben je morgen lekker heet,/ Met je kop door de muur,/ Om twaalf uur.. Een zestienjarige scholiere uit Borne (Ov) kent eveneens een zesregelige variant:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met je kop door de muur,/ Ben je morgen lekker zuur,/ Sta je in de krant,/ Met je piemel in je hand.. Een scholier uit Beverwijk stuurde mij de volgende versie:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met je kop door de stront,/ Vinger in je kont.
Dit vers bevat een dubbele verwensing. Buiten [val] met je kop door de helft! is er ook [val] met je kop door de stront! Beide verwensingen zijn aan de haal gegaan met hun letterlijke betekenis en drukken haat, afkeer, woede enz. uit. Ze betekenen ‘je kunt mij wat’, of ‘ik kots van je, rot maar op’.
Een meisje van zeventien uit Kennemerland en een jongen uit Beverwijk trakteerden mij op:. Wat je zegt ben je zelf,/ Met je pik door de helft,/ Met je pik in de muur,/ Is-ie morgen lekker zuur.
Ook hier twee verwensingen in één vers: [val] met je pik door de helft! ‘breek je pik doormidden en [weg] met je pik in de muur.
In Aalten, Amsterdam, Dieren, Goes, Grave, Groessen, Hellevoetsluis, Kilder, Krimpen aan de IJssel, Leiderdorp, Middelburg, Roelofarendsveen, Rotterdam, Rijswijk, Schoondijke, Waalre, Zaandam en op Zuid-Beveland kent men:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kont door de helft,/ Met je kop (of kont) door de muur,/ Dan ben je morgen lekker zuur.. In Hengelo (Ov) kent men ook:. Wat je zegt ben je zelf,/ Met je kont door de helft,/ Met je kop door de stront,/ Stink je morgen uit je mond.. Een merkwaardige variant is met je kop door de stront! Als er ook hier sprake is van een ellips moeten wij val of ga aanvullen.
Eveneens in Hengelo kent men:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met je vork in je reet,/ Ben je morgen lekker heet.. In Schilde (provincie Antwerpen) kent men uw broek scheurt in de helft als regel (2), maar dat is natuurlijk geen verwensing. In Merksem, Brasschaat, Kapellen en Herentals geeft men slechts twee regels op:. Al wat je zegt, ben je zelf,/ Met je broek in de helft.
In Doetinchem wordt weer een andere variant overgeleverd:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met de lepel in je kont,/ Loop je morgen de hele wereld rond.
Daaraan wordt dan vervolgens nog toegevoegd:. Harrie Nak met de piemel in de knak.
Lobith varieert als volgt:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met je vork in je kont,/ Zo loop je de hele wereld rond.. In Vlissingen werd ook aangetroffen:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met een lepel in je mond,/ En een vork in je kont,/ Zo loop je de hele wereld rond.. Amsterdam zou Amsterdam niet zijn, als het niet anders was dan andere steden. Het moet die eer evenwel delen met het Brabantse dorp Waalre:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met je kop in de sloot,/ Ben je morgen lekker dood.. De tweede verwensing die wij hier ontmoeten, luidt [val] met je kop in de sloot! De emotionele betekenis ervan wijst op haat, minachting, afkeer enz. en kan opnieuw weergegeven worden met ‘rot op, val dood’.
Roermond heeft in de regels (3) en (4) ook net weer iets anders:. Wat je zegt, ben je zelf,/ Met je kop door de helft,/ Met je kop door de stront,/ Ben je morgen weer gezond.
broek, elf, koffiemelk, lepel, tiet, touw en verf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

helft ‘elk der beide gelijke delen waarin iets verdeeld is’ -> Fries helft ‘elk der beide gelijke delen waarin iets verdeeld is’; Zweeds hälft ‘elk der beide gelijke delen waarin iets verdeeld is’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands half ‘elk der beide gelijke delen waarin iets verdeeld is’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

helft* elk der beide gelijke delen waarin iets verdeeld is 1236 [CG I1, 23]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kel-1 ‘schneiden’, nicht zuverlässig von kel- ‘schlagen’ und kel- ‘stechen’ (oben S. 545 f.) zu trennen., kolā ‘Teilchen’; skēlā ‘Abgeschnittenes’ (‘Hirnschale’), skoli̯ā ‘Abgespaltenes’, skol-mā ‘Schwert’, (s)kōlo- ‘Spieß’

Ai. kalā́ ‘kleiner Teil’ (: serb. pro-kola ‘Teil eines gespaltenen Ganzen’, das zunächst zu aksl. koljǫ ‘steche’ und ‘spalte’, oben S. 546);
arm. čelk’em ‘spalte, zerschlage’; wohl auch k’eli ‘Steuerruder’ (Bed. wie in ags. helma, s. unten); auf anl. sk̑- (mit sonst nirgends wiederkehrendem Palatal) wiese c̣elum ‘spalte’;
gr. σκάλλω ‘scharre, hacke, grabe’, σκαλίς ‘Hacke, Karst’; σχαλίς ‘hölzerne Gabel alsStütze aufgerichteter Jagdnetze’ (unter Einfluß von σχάζω ‘ritze, schlitze auf’, σχάσμα ‘Einschnitt’); σκαλμός ‘Pflock, Ruderdolle’ (vgl. thrak. σκάλμη, ahd. scalm, ags. helma, osorb. čołm, lit. kélmas); σκύλλω ‘schinde, zerreiße, plage’ (*skoli̯ō), κο-σκυλ-μάτια ‘Lederschnitzel, Abfall von Leder’, σκῶλος ‘Spitzpfahl’ (vgl. lit. kuõlas ‘Pfahl’; mit ŏ: aksl. kolъ ‘Pflock’ oben S. 546); vielleicht ist auch κωλύω ‘hemme, hindre’ von einem *κῶλος ‘Pflock’ abgeleitet (‘anpflöcken’), der Ausgang -ύω nach dem begriffl. Gegensatz λύω?; σκόλυθρον ‘Schemel’, σκολύπτειν ‘verstümmeln, beschneiden’ Hes., ἀποσκολύπτω ‘kastriere’; auf eine Bed. ‘von der Haut sich abspaltende Schuppe’ geht zurück κελεφός ‘Aussätziger’ (vgl. mengl. scalle ‘Grind’, nengl. scall (nord. Lw.), schwed. skål ‘Ausschlag am Munde’);
thrak. σκάλμη ‘Schwert, Messer’ (*skolmā);
alb. halë ‘Schuppe, Gräte, Splitter, Bart der Ähren’ (*skoli̯ā = got. skalja); holë ‘dünn, fein, zart’; f. ‘Zartheit’ (*skēl-); hel ‘Pfrieme, Ahle’, hele ‘Bratspieß, Spieß, Lanze’ (= σκῶλος); vielleicht shtel’ ‘öffne, mache glänzend, scharf, stecke Feuer an, entzünde’ (lit. skìlti ebenfalls ‘Feuer anschlagen’);
lat. siliqua ‘Hülsenfruchtschote’ (wovon silicia ‘foenum graecum, Bockshorn’), diss. aus *sciliqua, älter *sceliquā: aksl. skolьka ‘ostreum’; lat. silex, -icis ‘Kiesel’ diss. aus *scilec- älter scelic-; vgl. mir. sce(i)llec ‘Fels’ (Endung nach air. carraic ‘Felsen’);
ohne anl. s- vielleicht hierher: lat. culter, -trī ‘Messer’ (*kel-tro-s, *kol-tro-s oder*kḷ-tros); celtis f. ‘Meißel’ existiert nicht, s. Niedermann, Mus. Helv. 2, 123 f.;
cymr. chwalu ‘zerstreuen’, corn. scullye, sculye, bret. skuĺa ds.;
mir. scoilt, scailt ‘Spalte’, scoiltim ‘ich spalte’, brit. mit Umstellung von sk- zu ks- (hw-): cymr. hollt ‘Spalte’, corn. felǯa (Umlaut) ‘spalten’, bret. faouta ds.; mir. sceillec ‘Fels’ (s. oben); vielleicht mir. scellān ‘Same, Kern’;
air. colainn ‘Fleisch’, cymr. celain ‘Leiche’ (*kolanī); cymr. caill, Pl. ceilliau ‘Hode(n)’, bret. kell ds.; gall. callio-marcus ‘Huflattich’ aus älter *callio marcī ‘testiculus equi’; vgl. gall. ebulcalium (aus *epālo-callion) neben epo-calium (*epo-callion) ‘ungula caballina’;
got. skilja ‘Fleischer’; aisl. skilja ‘trennen, unterscheiden, (ent)scheiden’, skil n. (i nach skilja) ‘Unterschied, Entscheidung, Bescheid’, skila ‘(ent)scheiden’; ndl. verschillend ‘verschieden’ (*skiljand); mnd. schelen ‘trennen, unterscheiden’ (schele ‘Unterschied, Mangel, Grenze’) = ags. scielian ‘teilen, entfernen’ (*skelōn);
got. skildus ‘Schild’, aisl. skjǫldr m. (daraus mir. scell), ags. scield, as. scild, ahd. scilt ds. (-tu-St. neben lit. skìltis ‘abgeschnittene Scheibe’); dazu got. skillings, ahd. usw. scilling ‘kleine Münze, Schilling’ aus skildu-lings;
got. skalja ‘Ziegel’, aisl. skel f. ‘Schale’, ags. sciell f. ‘Hülse, Muschelschale’, mnd. schelle f. ‘Schale, Fischschuppe’; ahd. scā̆la ‘Hülse, Schale’, mhd. schale auch ‘Steinplatte’, ags. scealu ‘Hülse, Schale’; ahd. fuaz-skal ‘hölzerner Pflock als Verschluß für den Fuß’, nhd. Schelle ‘manica, compes, numella’, Hand-, Fußschelle;
aisl. skjall n. ‘Häutchen’, ags. sceallan m. Pl. ‘Hoden’, afries. skall ds. (: cymr. caill); aisl. skalli m. ‘Kahlkopf’, als ‘abgeschnittene Hirnschale’; auch norw. schwed. skalle; ablaut. schwed. skulle ‘Hirnschale, Schädel’, älter schwed. skolla ‘dünne Platte’, ahd. scollo m., scolla f. ‘Scholle’;
mit Dehnstufe *skēl- (vgl. alb. holë): aisl. skāla f. ‘Trinkschale, Wagschale’, ahd. as. scāla ‘Schale’;
as. skola, ags. scolu ‘Abteilung, Schar’;
ohne anlaut. s-: got. hallus m. ‘Fels’ (*kol-nu-), aisl. hallr m. ‘Stein, Fels’, hella f. ds., finn. Lw. kallio ds., (*hallj[ōn]). aisl. hellir ‘Berghöhle’, schweiz. Hell ‘Steinplatte’ usw.; s. oben S. 544;
aisl. hold n. ‘Fleisch’, ags. hold n. ‘Leichnam’, ags. holdian ‘aufschneiden’, hyldan ‘die Haut abziehen’, aisl. hylda ‘aufschneiden’ (beruhen auf einem Partiz. *kl̥-tó-m);
ahd. scultirra, ags. sculdor ‘Schulter’ (*skḷ-dhrā ‘Schulterblatt als Schaufel, als Grabwerkzeug’);
mit Formans -mo- und den Bed. ‘Schneidewerkzeug; geschnittenes Holz; ausgehöhlter Einbaum, Kahn’: aisl. skǫlm f. ‘Zinke einer Gabel, Schote’, Pl. ‘Schere’, nd. ostfries ndl. schalm ‘dünnes Brett’, aisl. skalma-trē ‘gespaltener Baum’, ahd. scalm ‘navis’; auch wohl ahd. scalmo ‘Pest, Seuche, Leichnam’; mhd. schalm(e) ds.; dazu skelmo ‘Todeswürdiger’ (*skalmian-), mhd. mnd. schelm(e) ‘Bösewicht’; vgl. alb. helm ‘Trauer, Gift’; ohne anlaut. s-: ags. helma, engl. helm ‘Griff des Steuerruders, Steuer’, mhd. halm(e), helm ‘Axtstiel’, ahd. helmo, halmo ‘Ruderpinne’, ndl. helmstock ds., mnd. holm ‘Querbalken, Jochträger’, aisl. hjǫlm f. ‘Steuer’, hjalm-vǫlr ‘Ruderpinne’;
*skol-dhā ‘(abgeschnittene) Stange’ ist wohl die Grundlage von ahd. scalta ‘Stoßstange, Bootshaken’, scaltan ‘mit einer Stange schieben’, nhd. schalten auch ‘einschalten (= dazwischen hineinstoßen)’ und übertr. ‘walten’, dial. auch ‘spalten’, as. skaldan ‘ein Fahrzeug vorwärts schieben’, mhd. schalte, aisl. skalda ‘Fähre’, mhd. schalter, schelter ‘Riegel’, nhd. Schalter ‘Schiebfenster, Stange, Bootshaken’;
mit Formans -go-: mnd. schalk ‘Sparrenstütze’ ostfries. schalk ‘Holzklötzchen als Unterlage’, bair. schalken ‘zerspalten’; schwed. skulk ‘abgesägter Stumpf’;
lit. skeliù, skélti ‘spalten’ (der Akzent nach skílti?), skilù, skílti ‘sich spalten’; ‘Feuer schlagen’ (Intonation der schweren Basis, wie kélnės); skalà ‘Holzspan, Lichtspan’, Iterat. skéldėti ‘platzen, bersten’; lett. šḱel̂t ‘spalten’, šḱēlêt ds., šḱēle ‘abgeschnittenes Stück’, usw.; über lit. kélmas s. oben S. 546;
aksl. skala ‘Fels, Stein’ (die Bed. ‘Schale’ durch Entlehnung aus ahd. scāla ds.), sloven. skála ‘assula tenuis; Lichtspan’, russ. skalina ‘abgelöste Birkenrinde’; skolьka ‘Muschelschale’ (s. oben lat. siliqua), russ. ščelь ‘Spalte’, sloven. ščalja ‘Splitter’, poln. skalić się ‘sichspalten, bersten’;
hitt. iškallāi- ‘zerreissen, aufschlitzen’.
Wurzelerweiterung skel(e)-p-:
vielleicht in ai. kálpatē ‘wird geordnet, wird zuteil’, kalpáyati ‘ordnet an’, kl̥ptá ‘fertig, gerüstet’ = av. hu-kǝrǝpta- ‘schöngeformt’, das jedoch auch zu kǝhrp- ‘Gestalt’ (oben S. 620) gehören könnte;
gr. σκάλοψ ‘Maulwurf’ (als ‘Gräber’); σκόλοψ m. ‘Spitzpfahl’;
lat. scalpō, -ere ‘kratzen, ritzen, scharren, mit spitzem Werkzeug schneiden, meißeln’ (scalprum, scalper ‘scharfes Werkzeug zum Schneiden, Meißeln’), sculpō, -ere (ursprüngl. in Kompositis aus scalpō) ds.;
ahd. scelifa, mhd. nhd. dial. schelfe ‘häutige Schale’, mnd. schelver ‘abgeblättertes Stück’, schulvern ‘abblättern’; aisl. skjǫlf ‘Bank’, ags. scielfe ‘Flur, Stockwerk, Bretterverschlag’, scielf m. ‘Felsspitze’, mnd. schelf ‘Brettgerüst, Regal’;
ohne s: got. halbs, aisl. halfr, ags. healf, as. half, ahd. nhd. halb (eig. ‘geteilt’); ags. hielfe ‘Griff, Schaft’ (engl. helve), ahd. mhd. halb ‘Handhabe’, nhd. dial. halb, helb ‘Stiel’; ahd. halftra ‘Zaum’, ags. hælftre ‘Halfter’, (aus *’Handhabe’);
lit. kálpa ‘Querholz am Schlitten’, kìlpa ‘Steigbügel, Schlinge’, kìlpinis ‘Armbrust’, apr. kalpus ‘Rungenstock’;
lit. sklempiù, sklem̃pti ‘glatt behauen, polieren’.
Wurzelerweiterung skel(e)-b-:
aisl. skalpr ‘Schiff’, dän. dial. skalp ‘Samenschote, Hülse’, mnd. schulpe, scholpe ‘Muschel, Schuppe’, dän. skulp, skulpe ‘Schote, Fruchtbalg’, norw. skolp ‘Schote, Hülse’, engl. skalp (nord. Lw.) ‘Schädel, Hirnschale’, aisl. skelpa f. ‘Grimasse’, skolpr ‘Hohlmeißel’; aksl. sklabiti sę ‘den Mund aufmachen, lächeln’, čech. škleb ‘Zähnefletschen’;
i-Erweiterung: sklei-, sklei-d-, sklei-k-, sklei-p-:
aisl. slīta ‘zerreißen, zerstören, verbringen’ (slitna intr. ‘rumpi’), ags. slītan ‘zerreißen’, as. slītan ‘schleißen, spalten’, ahd. slīzan ‘spalten, reißen, aufbrauchen’, nhd.verschleißen, schleißen, aisl. slit ‘Schlitz, Riß, Abnützung’, ags. geslit ‘das Bersten’, ahd. sliz, nhd. Schlitz, mhd. sleize, nhd. Schleiße ‘Leuchtspan’; aisl. slīðrar f. Pl., slīðrn. Pl. ‘Schwert- oder Messerscheide’ als *s(k)lei-tro-, -trā- von der unerweit. Wzf. sklei-;
lit. skleidžiù, skleĩsti, lett. skliêst ‘ausbreiten, umblättern’, lit. sklaidaũ, -ýti ‘hin und her blättern’, refl. ‘sich zerstreuen’, iš-sklaidýti ‘zerstreuen, vertreiben’, sklį̃sti ‘auseinanderfließen’; lit. sklaidùs ‘zerstreut’, lett. sklaidis ‘ein Herumtreiber, Taugenichts’; ohne anlaut. s-: klaîdît ‘sich herumtreiben’, klîstu, klîdu, klîst ‘irren’, lit. klýstu, klýdau, klýsti ‘sich verirren’ (ohne d: lit. klajóju, -óti ‘herumirren’, lett. klaijât, -uôt ds. eineursprüngl. versch. Sippe?); apr. sclait, schlāit, schklait ‘sondern; ohne’, schklāits Adv. ‘sonderlich, besonders; sonst’, Adj. ‘schlicht, einfach’;
ags. slīfan ‘spleißen’, engl. slive, ags. to-slǣfan ‘spalten’, mnd. slēf, norw. sleiv ‘großer Löffel’.

WP. II 590 f., WH. I 165, II 536 f., Trautmann 264.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal