Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

helder - (goed waarneembaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

helder bn. ‘goed waarneembaar’
Vnnl. een helder claer licht [1573; Thes.].
Ontstaan met een epenthetische -d- (zoals ook in → kelder en → minder) uit heller, dat in die vorm echter pas later is geattesteerd: vnnl. een heller en claar gesicht ‘een helder en duidelijk beeld’ [1657; WNT duister I]. Heller is qua vorm en betekenis duidelijk een afleiding van → hel 2 ‘licht, fel schitterend’, maar de oorsprong van -er is hier onduidelijk. Dat het een oud pie. achtervoegsel *-ro- zou betreffen dat bn. vormt, zoals in → bitter (WNT), lijkt onwaarschijnlijk gezien de late overlevering. Mogelijk is het oorspr. de vergrotende trap van hel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

helder* [klaar, duidelijk] {1573} vgl. fries helder, middelnederduits heller; afgeleid van hel3.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

helder bnw., sedert Plantijn bekend, vgl. nnd. heller, fri. helder. Het zal een r-afl. zijn van hel 2 (evenals nhd. heiser naast mhd. heis, waarvoor zie: hees).

Of het door Kiliaen vermelde holl. woord helder ‘dun, schraal, teer’ hiermee te verbinden is, is onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

helder bnw., sedert Plantijn (Kil. kent helder alleen als een holl. woord = “dun, schraal, teer”). = ndd. heller, fri. helder “helder”. Een — misschien in sommige streken reeds M.E.sche — afl. van hel II, evenals hd. heiser “heesch”: mhd. heis, heise, zie hees.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

helder bijv., Mnl. id., met -er en epenthet. d van hel 2.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

heldere Heldere is een verkorting van heldere jenever, dat wil zeggen: jenever zonder bitter of andere toevoegingen, zoals suiker. De borrelnaam is in 1776 voor het eerst gevonden. Vooral in Groningen en Drente is hij nog altijd courant, zo bevestigen verschillende informanten. Een tijdschrift schreef in 1962:

Een goede Drent die is gewrocht,
Van turf, jenever en achterdocht
klinkt wel vreemd in de mond van Noorderburen,
die zelf evenmin van rood [bessenjenever] of helder afkerig zijn.

Men spreekt soms ook van een helder of een heldertje. In de Zaanstreek zei men helderop. Het Duitse Klarer komt op hetzelfde neer, evenals het Nederlandse klare.

[Berkhey 1507; Boekenoogen 141; Ter Laan 1929:312; Molema 152; PJM 55; WNT VI 507]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hel, helder: vermoedelijk van den wt. hal = luid klinken, roepen (zie halen); hel werd dan ook oorspr. alleen van geluiden gezegd, later ook van het licht. Helder is een afl. met re (eig. dus helre, heller), maar er werd voor de uitspraak gemakkelijkshalve een d ingelascht: vgl. mulder voor muller; vilder voor viller.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

helder ‘klaar, licht, duidelijk’ -> Fries helder ‘klaar, duidelijk’; Negerhollands helter ‘klaar, licht, duidelijk’; Papiaments † helder ‘klaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

helder* klaar, duidelijk 1573 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

343. Zoo helder (schoon, zuiver) als een (de) brand,

d.w.z. zeer, buitengewoon helder; eig. zoo helder, blinkend als de kling van het zwaard, in welke bet. brand (eng. brand; to brandish) vroeger zeer gewoon was. Ook in de 17de eeuw: zoo bruin als een brand (V. Moerk. 225; Tijdschrift XVI, 288). Vgl. ook brandhelder, brandrein (in Kalv. I, 27), brandschoon en verder het Ndl. Wdb. III, 1051; Mnl. Wdb. I, 1419; Noord en Zuid XX, 130; Zondagsblad van Het Volk, 1905 p. 47: Overigens was zij 'n ‘brandje’ van zindelijkheid; Haagsche Post, 10 Juli 1915 p. 5. k. 1: Branie en brandnetjes heel zoo'n gezin bij het uitrukken vóór dag en dauw; Vragen v.d. Dag, 1913 p. 632: Een meid als een brand; Gallée, 6: 't Züt er ût as de brand, brandhelder; Goeree en Overflakkee: zij is as een brandje (zie N. Taalgids XIV, 255); friesch: sa sindlik of sa skien as de brân. In het Nederduitsch bestaan allerlei samenstellingen met brand (= zeer); vgl. brandfûl (zeer lui), branddür, brandbitter, brandsalt (ook salzig wie ein brand), enz.Korrespbl. XXVII, 5 en vgl. Paul, Wtb.: brennend neu, -mager, -fleiszig.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut