Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hel - (onderwereld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hel 1 zn. ‘onderwereld, dodenrijk’
Onl. hella ‘hel’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. helle ‘dodenrijk’ in ic sal ter hellen varen ende mijn kint beweenen [1285; CG II, Rijmb.].
De herkomst buiten de Germaanse talen is onduidelijk, misschien verwant met → helen 2, oorspr. ‘verbergen’, dus een ‘verborgen wereld’. Misschien betekende dat werkwoord oorspr. ook ‘begraven’ en is het afgeleid van een wortel die ‘steen’ betekent; zodat hel van de ‘steen’ via ‘grafsteen, graf’ de betekenis ‘dodenrijk’ kreeg.
Os. hellia (mnd. helle); ohd. hella (nhd. Hölle); ofri. helle (nfri. hel); oe. helle (ne. hell); on. hel (nzw. helvete); got. halja; < pgm. *haljō-. Szadrowsky (1950) verbindt haljō- met pgm. *halljōn- ‘steen’ zoals in on. hella (nzw. hall, häll ‘steen, rots’) en got. hallus, met veronderstelde betekenisontwikkeling ‘steen’ > ‘grafsteen’ > ‘graf’ > ‘dodenrijk’.
Buiten het Germaans geen duidelijke verwanten; traditioneel een afleiding pie. *kol-ieh2- (IEW 553) met ablaut van pie. *kel- ‘verbergen’, zie → helen 2, waaraan misschien een betekenis ‘begraven’ ten grondslag ligt. Pgm. *halljōn- ‘steen’ verbindt men meestal met pie. *kelH- ‘uitsteken’, waarvoor zie → hil ‘heuvel, hoogte’.
Lit.: M. Szadrowsky (1950), ‘Germanisch halljō(n)- im Deutschen’, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 72, 221-235

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hel1* [onderwereld] {oudnederlands hellon 901-1000, middelnederlands helle} oudsaksisch hellja, oudhoogduits hell(i)a, oudfries helle, hille, oudengels hell, gotisch halja [hel], oudnoors Hel [godin van de dood, dood]; vgl. buiten het germ., Calypso, de naam van een gr. nimf., eig.: zij die verbergt; de benaming van de onderwereld hoort bij helen2 [verbergen] en de hel is dus eigenlijk ‘het verborgen rijk’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hel 1 znw. v. ‘onderwereld’, mnl. helle, hille, onfrank., ohd. hella (nhd. hölle), os. hel, hellia, ofri. helle, hille, oe. hell ‘hel’, on. hel ‘onderwereld; godin der onderwereld’, got. halja ‘hel’. — Het woord betekent eig. ‘het verborgen rijk’ en behoort bij helen 1.

Met het oog op iers cel ‘dood, onderwereld’ is te overwegen, of het ‘verbergen’ eigenlijk niet ‘begraven’ aanduidt (vgl. got. filhan ‘begraven’ naast on. fela ‘verberge’; os. bifelhan bet. ‘overgeven aan; begraven’). Uit het begrip ‘onderaardse rustplaats der doden’ is dan dat van ‘onderwereld’ ontstaan: vgl. ook Güntert, Kalypso 1919, 34-36. — J. Trier, Lehm 1951, 52-61 meent daarentegen, dat het begrip ‘verbergen’ van de wt. *ḱel secundair zou zijn; hij wil uitgaan van de terminologie van de vakwerkbouw en meent dat het dodenrijk ontstaan zou zijn uit het familiegraf, dat met een steenkring of palissade omringd was. — Over de vraag of het woord hel ook in nl. plaatsnamen voorkomt (bijv. Helmond), zie Van Ginneken, Taaltuin 8, 1939-40, 138-46 en J. A. Huisman, De Hel-namen in Nederland 1953; afwijzend M. Schönfeld NT 37, 1943, 93-99.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hel I znw., mnl. helle (hille) v. = onfr. ohd. hella (nhd. hölle), os. hel, hellia, ofri. helle, hille, ags. (eng.) hell v. “hel”, on. hel v. “id., dood, godin van den dood”, got. halja v. “hel”. Oorspr. = “schuilplaats, berg-plaats”. Bij helen. Wellicht was oergerm. *χaljô- al de naam van een “infernum”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hel I znw. Er is reden om te vermoeden, dat idg.*ḱel- ospr. betekend heeft ‘(in de aarde) verbergen’ en vandaar: ‘begraven’. Vgl. ook ier. cel ‘dood, onderwereld’ (luid ar cel ‘obiit’). Bij deze bet. sluit germ. *χaljô- ‘infernum’ aan. Güntert Kalypso 34 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hel 1 v. (onderwereld), Mnl. helle, Onfra. helle, Os. hellia + Ohd. hella (Mhd. helle, Nhd. hölle), Ags. hell (Eng. id.), Ofri. helle, On. hel. Go. halja: identisch met den eigennaam Ohd. Hella, Ags. Hell, On. Hel, Go. Halja = godin der dooden; men brengt het tot helen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hèl (zn.) onderwereld; Aajdnederlands hella <901-1000>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hel ‘verblijfplaats van verdoemden’ (bet. van Latijn infernum)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Hel, onderwereld; plaats waar duisternis, hitte en lawaai heersen, waar de duivels verblijven en waar de zondige en ongelovige mensen na hun dood hun straf ondergaan; (fig.) plaats of toestand van afgrijselijke ellende. Vaak genoemd in tegenstelling tot hemel (zie ook dat artikel).
Hels, horend bij, zoals in de hel; (fig.) zeer kwaad; verschrikkelijk. Vooral in de verbindingen:
Hels karwei, hels lawaai, e.d., zeer zwaar karwei, vreselijk lawaai.

Hel is een germaans woord dat een christelijke invulling heeft gekregen. Het staat voor een universeel begrip: vele godsdiensten kennen een dergelijke locatie, eveneens in tegenstelling tot een hemel. In de verschillende bijbelvertalingen kan de inhoud van het woord nogal uiteenlopend zijn; ook gelden voor de onderwereld andere termen, zoals buitenste duisternis. In het dagelijkse taalgebruik wordt hel vooral genoemd ter aanduiding van onvoorstelbaar ellendige situaties.
Hoewel er vele verbindingen en samenstellingen met hel zijn, kunnen daar lang niet altijd directe bijbelse voorbeelden voor aangewezen worden.

Rijmbijbel (1271), v. 24451-52. Dar naer starf die rike here. / Ende ward in die helle begrauen. (Toen stierf de rijke man en werd in de hel begraven.)
Niettemin werd de alarmklok geluid. Dat heeft iedereen tot in de wijde omtrek kunnen horen, alsof het brandalarm met zeven voorhamers in de hel zelf op de klokken werd geramd: ze leken door de duivel zelf op hun bronzen huid gezeten. (J.F. Vogelaar, De dood als meisje van acht, 1991, p. 263)
Niemand van de ruim honderd vertegenwoordigers van Westerse, Oosteuropese en Aziatische ondernemingen verbaasde zich over die woorden. De oorlog was een hel, de vrede moet zorgen voor orders om alles op te knappen, stelden ze nuchter vast. (NRC, april 1995)
Madeline is hels, woest en wanhopig over haar rimpeltjes, zakkende billen en slappere dijen. (Meppeler Courant, jan.1993)
Brazilië wint de wereldcup Bravozilië... . Hels kabaal. (Meppeler Courant, juli 1994)

Hellevuur
Hellevuur, het vuur in de hel; (fig.) hevig, verwoestend vuur.

De voorstelling van het helse vuur mag zeer oud zijn, het woord hellevuur is relatief jong, en komt in het Nederlands vanaf de achttiende eeuw voor. Ook in bijbelvertalingen is het betrekkelijk recent.

Leidse vertaling (1899-1912), Matteüs 5:22. Maar ík zeg u dat ieder die op zijn broeder toornig wordt een vonnis van het gericht heeft verdiend, en dat wie tot zijn broeder Leeghoofd! zegt voor den Grooten Raad moet komen, en dat wie Dwaas! zegt het hellevuur verdient.
Wij hadden hellevuren ontstoken en menige hectare veen of buntgras was door onze wandaden verloren gegaan. (T. Kortooms, Het zwarte goud, z.j. (1962), p. 89)
Het stadje aan de oever van de Brazosrivier in Texas zou beroemd kunnen zijn om andere redenen dan het hellevuur waarin cultleider David Koresh en zijn Branch Davidians door de schietgrage FBI om het leven werden gebracht. (De Groene Amsterdammer, 3-3-1999, p. 32)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hel. Het oord waar de duivel met zijn trawanten woont en de verdoemden de eeuwige straffen ondergaan, wordt in het Nieuwe Testament omschreven als ‘het eeuwige vuur, de buitenste duisternis’ enz. Dit verblijf, waarvan men zich vooral in de Middeleeuwen zeer uitgewerkte voorstellingen maakte, wordt gedacht als een hol, een krocht, een poel, een put enz. Het is door de verbeelding met de ijselijkste monsters (kwelduivels e.d.) bevolkt. In de 17de eeuw komt by gants hellen ‘bij de door God geschapen hel’ voor.
Het WNT kent als vloek de hel! Bij Harrebomée [1858] komt voor loop naar de hemel en verkoop je aan de hel!, met als betekenis ‘maak dat je wegkomt, hoepel op’. Huizinga (1997: nr. 4096) geeft ook nog je kunt naar de hel lopen! en zegt daarvan dat het een zegenwens is voor iemand, die om iets onmogelijks vraagt of die iets van ons gedaan wil hebben wat ons niet zint. Een correspondent uit Twente geeft ook nog op loop naar de hel en terug! In het hedendaags Nederlands komt zeer frequent de verwensing loop naar de hel! voor. Een enkele maal verscheen in ons enquêtemateriaal je kunt naar de hel lopen ‘bekijk het maar, je kunt me wat’. Dat geldt ook voor rot in de hel!, een verwensing die ik aantrof in De Hunnen [1983] van Jan Cremer en voor sakkerhel! Van recente datum (1996) is de literaire verwensing van Herman Brusselmans moge hij in de hel vastgebonden liggen op een zonnebank! De verwensing drukt afkeer uit en minachting. Daarnaast komen ook de Engelse verwensingen hell en go to hell voor die, in het Nederlands gebruikt, opteren voor een grotere eufemistische waarde. → kaart, kopen, kunnen, lopen, ontploffen, rekken, sterven.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hel, oorspr. in de Noordsche mythologie de godin van ’t doodenrijk, later dit rijk zelf; door den invloed van het Christendom kreeg het de bet. van de strafplaats na den dood. Men brengt het in verband met den ldg. wt. hel, hal = verbergen, omhullen. – Vgl. ons: helen; verholen samenstelling; en ’t Mnl.: „Ic en can u (dat) niet ghehelen” = verzwijgen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hel ‘onderwereld’ -> Frans dialect † helle ‘(fig.) lawaaiige bijeenkomst’; Negerhollands hel, hei ‘onderwereld’; Sranantongo hèl ‘onderwereld; hels’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hel* onderwereld 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

Hel van het Noorden, de laatste honderd kilometer van de wielerklassieker Parijs-Roubaix, berucht door de modder, de kasseien, het stof, de plassen en de kuilen. De bijnaam werd gegeven door journalisten van het Franse L’auto.

De critici van wat in de volksmond omineus met de Hel van het Noorden wordt betiteld beweren dat de slechte wegen de wedstrijd tot een loterij degraderen. (Haagse Post, 11/04/87)
Lek rijden blijft overigens de nachtmerrie van het peloton, zondag in de Hel van het Noorden. (De Morgen, 12/04/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut