Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heksenkruid - (Circaea lutetiana)

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

heksenkruid
Groot heksenkruid | Circaea lutetiana L.

Deze bosplant werd, zowel met de Nederlandse als met de Latijnse naam, toegewijd aan de heks en tovenares Circe, bekend uit de Griekse mythologie, vandaar dus Heksenkruid en als Latijnse geslachtsnaam Circaea. Die toewijding werd gemotiveerd omdat Circe met kruiden toverdranken kon samenstellen en met een dergelijke drank veranderde zij de gezellen van Odysseus in varkens en daarna weer in mensen. Heksenkruid is het “kruid van de toverheksen” en de patrones van de tovenaars. Volgens een andere verklaring zou de plant, dankzij de met weerhaakjes bezette vruchten, de mensen naar zich toetrekken en omdat de heks Circe dat met haar betoveringen ook deed, kreeg de plant de naam Heksenkruid.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Circáéa | Circáéa lutetiána: Heksenkruid
De Latijnse geslachtsnaam is afkomstig van de Griekse tovenares Kirke - bij de Romeinen Circe - die volgens Plinius het kruid bij haar praktijken gebruikte. Hij zelf noemde haar Ciräa. Deze tovenaarster was een dochter van de zonnegod Helios en zijn gemalin Perse. Zij woonde op het mythische eiland Aiaia, waar Odysseus schipbreuk leed en zij de metgezellen van hem door haar toverdrank tijdelijk in zwijnen veranderde. Of het werkelijk het hieronder te bespreken plantje is, is aan grote twijfel onderhevig, aangezien een plant die de kracht bezat om mensen in zwijnen te veranderen, wel een aanzienlijker plant moet zijn geweest dan het weinig opvallende Heksenkruid. Het is heel goed mogelijk dat het de beroemde Alruin (Mandrágora officinális) geweest is. De wortel van deze plant, veel gelijkend op een menselijke gestalte, had behalve grote geneeskracht ook grote toverkracht, dit vertelde men elkaar tenminste. Waarschijnlijk was de Kirkaia van Dioscorides dan ook deze Alruin. Merkwaardig is dat in Devon (Engeland) de volksnaam van dit kruid is Mandrake, hetgeen beduidt Alruin of Mandragora. Het was de botanicus-arts P. A. Matthiolus (1501-77) die het Heksenkruid de Latijnse geslachtsnaam Circaea gaf.
Men beweert dat de naam Heksenkruid terug te voeren is op een oud bijgeloof dat beweerde, dat wie deze plant in het bos aantrof er zeker van kon zijn dat de heksen zouden trachten hem op een dwaalspoor te brengen of reeds hadden gebracht. Men beweerde ook dat degene die op de plant trapte vast en zeker zou verdwalen. Behalve Heksenkruid kreeg de plant ook nog de naam Tovenaarskruid. Deze naam behoeft, gezien het reeds vermelde, geen nadere toelichting. De naam Stevenskruid zal wel een gekerstende naam zijn, want de Druïden beschouwden de plant als heilig. Dr. J. Schrijnen schrijft in zijn Nederlandsche Volkskunde: ‘De naam “Stevenskruid” - Circaea hangt natuurlijk met de nimf Circe samen - is daarom zoo merkwaardig, dewijl Sint Stefanus, beschermheilige der paarden, ook enkele trekken van den een of anderen Germaanschen god heeft overgenomen. Men hing daarom het kruid in de stal (ook in huis) op, om de dieren tegen kwade invloeden te beschermen.’ Vermeldenswaard is dat in Silezië de volksnaam luidt: Sint Stephanskraut en in Frankrijk Herbe Saint Etienne. Dat de plant slechts drie volksnamen had, is wel een bewijs dat zij niet erg bekend was onder de bevolking.
Bij Dodonaeus (1608) vinden we haar onder het hoofd ‘Indiaensche ende ander vreemde cruyden’. Slechts het volgende deelt hij mede ‘Circaea lutetiana, dat is Circaea van Parijs, heeft bladers als die van Persicaria, Nachtschade, oft Groote Clocxkens Winde, wassende aen eenen dunnen claeren blinckenden steel, anderhalven voet lanck, seydt Lobel, op sijn tsop verciert met veel wittachtige bloemkens.’
De weinige bekendheid en het verband dat gelegd werd met heksen en tovenaars, zullen er de oorzaak van zijn geweest dat het kruid niet in de volksgeneeskunde is aangewend. Abraham Munting in zijn Nauwkeurige beschrijving der Aardgewassen (1696) schrijft onder meer: ‘Circaea van Parijs, Dus in het Neederlandsch; en in het Latijn Circaea lutetiana genoemd. Mijns wetens met geenen anderen naam bekend ... in Wijn gezoden, en zoo warm opgelegt, neemt wech de hardigheyd uyt der Vrouwen Borsten, en de zwelling der Tepelen: ook de hittigheyd en brand der Wonden, zweeren en zeeren.’
De Latijnse soortnaam lutetiana beduidt afkomstig uit de omgeving van Parijs. De Romeinen noemden die stad Lutetia. Een bevredigende verklaring omtrent deze naam is nog niet gegeven. Men beweert dat oudtijds vooral Parijse kruidkundigen zich hebben beziggehouden met deze plant. Het is ook nog geen uitgemaakte zaak of het werkelijk deze plant is geweest waarmede deze lieden zich hebben geoccupeerd. Een vroegere Latijnse benaming was Lutetia parisiorum. Dus dubbelop !

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal