Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heks - (kwaadaardige tovenares)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heks zn. ‘kwaadaardige tovenares’
Mnl. hexe ‘boze tovenares’ [1400-20; MNW-R]; vnnl. hexe [1562; Kil.]. Eerder al mnl. hagetisse ‘heks’, als vertaling voor Latijn strix [1240; Bern.].
In de tijd waarin de heksenvervolgingen begonnen ontleend aan Duits Hexe ‘id.’, ontwikkeld uit hagazussa, hetzelfde woord als mnl. hagetisse. In middeleeuwse glossen staan deze woorden meestal vertaald met Latijn striga of furia, die beide in middeleeuws Latijn ongeveer de betekenis ‘boze heks, hoer’ hebben. Opvallend aan de Middelnederlandse vorm is de homonymie met hagetisse ‘hagedis’ (zie → hagedis), een dier dat veelvuldig met kwaadaardige tovenarij in verband werd gebracht en dus heel goed volksetymologische invloed uitgeoefend kan hebben. De herkomst van deze woorden is onduidelijk.
Bij mnl. hagetisse ‘heks’ horen: ohd. hagazussa [9e eeuw; Polomé 1987], ook hāzus, hāzissa [10e eeuw; id.] (nhd. Hexe, > nzw. häxa); oe. hægtesse, hægts (ne. hag); wrsch. < pgm. *haga-tusjō-.
Het tweede lid moet wrsch. geïdentificeerd worden met nno. dial. tysja ‘elf’, nde. tøs, nzw. tös ‘meisje’, nno. dial. taus ‘dienstmeisje’ en misschien Westfaals dūs ‘duivel’. Daarvan is de etymologie onbekend; de hierbij wel genoemde wortel pie. *dhu(o)s ‘geest’ (Oudlitouws dvãsas, Oudkerkslavisch duchŭ, Gallisch dusius) is klankwettig niet te verantwoorden, want pie. *dh > pgm. *d. Anderen leggen verband met → haten, daarbij een grondvorm *haga-hatusī- veronderstellend.
Het eerste pgm. *haga- lid wordt traditioneel geïdentificeerd met pgm. *haga(na)- ‘omheining, haag’, zie → haag. Voor de betekenis denkt men dan bijv. aan ‘bostovenares’ (bij een al vroege bijbetekenis *haga- ‘bos’) of ‘verbergende tovenares’ (bij ‘omheinen’ = ‘verhullen, verbergen’). Een semantisch aannemelijkere interpretatie van het eerste lid in *haga-tusjō- wordt voorgesteld door Polomé (1987). Hij voert de volgende glossen aan: ohd. hegidruos(a), hegidruosī, mnd. hagedrōse en mnl. haechdroese, alle met de betekenis ‘geslachtsdelen’. Het eerste lid wordt verbonden mhd. hagen ‘fokstier’, nhd. Hecke ‘voortplanting’, me. hacche(n) ‘zich voortplanten’ (ne. hatch ‘uitbroeden’), en buiten-Germaans misschien Lets kakale ‘penis’. Aan heksen wordt al van oudsher losbandigheid en magische invloed op de seksuele lustgevoelens toegeschreven. In vrije bewoording kan de heks dan oorspr. omschreven worden als ‘sekstovenares’.
Lit.: E.C. Polomé (1987), ‘Althochdeutsch hag(a)zussa “Hexe”: Versuch einer neuen Etymologie’, in: R. Bergmann e.a. (red.) Althochdeutsch 2 (Wörter und Namen. Forschungsgeschichte), 1107-1112

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heks [tovenares] {hexe 1410 als titel van een sotternie; als ‘tovenares’ 1562} < hoogduits Hexe, middelhoogduits hecse; in het middelnederlands hekel [heks], hagetisse, haechdisse [hagedis, heks, toverkol], wat wordt vergeleken met oudhoogduits zunrita, oudsaksisch tunriða [boze geest, heks], nederduits walriderske, dus die op een hek, muur, tuin (= hek) rijdt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heks znw. v., eerst Kiliaen, vgl. nnd. fri. heks, hekse, evenals de. heks, zw. häxa < nhd. hexe. Dit woord ook reeds mhd. hecse, häxe wordt reeds in de Middeleeuwen gebruikt, maar komt dan in de 16de eeuw ten gevolge van de heksenprocessen van Zwitserland weer sterker op. Het woord is verkort uit mnl. haghetisse, -tesse, ohd. hagzissa, hagazussa, hāzus, hāzissa, oe. hægtesse ‘striga, furia en dgl.’.

Het is te begrijpen dat een zo sterk affectief woord moeilijk te verklaren is. In het 1ste deel zal men zeker wel haag mogen aannemen. E. Noreen Språkvet. Sällsk. Forh. 1922-4, 53 vlgg. heeft herinnerd aan woorden als ohd. zūnrita, on. tūnriða ‘heks’, zo genoemd, omdat zij volgens het volksgeloof op hekken rijden (in het westgötische landrecht gold het als ernstige beschimping, wanneer men zei, dat men een vrouw op een hek van een weide gezien had); het begrip ‘rijden’ steekt ook in on. kveldriða, myrkriða, dus vrouwen die in het donker ‘rijden’. In het oostfri. walrīderske kan men verband aannemen met de demonen van het slagveld (vgl. mnl. walstat). Het 2de lid blijft onverklaard: mogelijk schijnt mij, dat er verband bestaat met een woord voor ‘pad’, waarvan wij als vormen kennen oe. tādige (ne. toad) en noorw. zw. tossa, de. tudse; verschillende ziekten werden aan de pad toegeschreven en gedaanteverwisseling in padden is ook wel bekend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heks znw., sedert Kil. Evenals ndd. fri. heks(e), de. heks, zw. häxa “heks” uit hd. hexe v., dat sedert de 15. eeuw in Zwitserland = “heks” gebruikt is en zich vandaar heeft verbreid, tegelijk met de heksenprocessen en de literatuur daarover. Sedert ± 1300 komt de vorm hecse v. in het Mhd. voor. Deze is het wgerm. *haʒ(a)tusjô- (-asjô-, -isjô-), waaruit ook mnl. hāghetisse, -tesse, ohd. hâzus, hagazus(sa) (z of ʒ of beide?), hazzus, ags. hægtes (eng. hag) v. “spookachtig wezen” (“strix, striga, furia” enz.) ontstaan zijn. De combinatie met haag kan ons geen bevredigende etymologie aan de hand doen. Mogelijk is de grondvorm *χaʒ(a)t-us-jô-: *χaʒat- zou dan een idg. d-afl. zijn van de basis van ohd. huohôn “spotten, hoonen”, ier. câinim “ik smaad, scheld”, lat. cachinno “ik schater”, gr. kēkázō “ik smaal”, kakházō “ik lach”, obg. kokotŭ, “haan”, arm. xaxankʻ “cachinnus”, oi. kákhati “hij lacht”, voorzoover althans deze woorden oud zijn (russ. chóchot “gegiechel”, bij deze woordgroep gebracht, is dat wsch. niet).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heks. Pogingen om het woord met haag in verband te brengen: Güntert Kalypso 117 vlgg. gaat uit van ‘omheinen’ > ‘verbergen’: ohd. haga-zussa — ‘de insluitende, verbergende daemon’ (vgl. on. Hel ‘doodsgodin’ bij helen); -zussa = noorw. dial. tysja ‘elvin’. Formeel en semantisch onwsch. Beter Erik Noreen Språkvetensk. Sällsk. Förh. 1922 — 24, 53 vlgg., die het eerste lid opvat als ‘omheining, schutting’ en het woord vergelijkt met ohd. zûnrita, on. tûnriða v. ‘boze geest, heks’, die hij als ‘op de omheining rijdend’ verklaart. Vgl. ook ndd. (kustdiall.) walrîderske ‘die op de wal rijdt’ (?). Een bezwaar is, dat de parallel zich niet over het tweede lid van haga-zussa uitstrekt. Toch blijkt wel zoveel, dat de combinatie met haag niet verwerpelijk is, zodat de aan het slot van het art. geopperde hypothese (bij ohd. huohôn ‘spotten, honen’ enz.) liever achterwege moet blijven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heks v., uit het Hgd.: Nhd. hexe, Mhd. hecse, Ohd. hagazissa + Mnl. haghetisse, Ags. hægtesse (Eng. verkort tot hag): oorspr. onzeker; blijkens de synon. Ohd. holzmuoja, Os. holtmume, De. hyldemor, wel een afl. van haag; tegenover Mnl. haghetisse = 1. heks. 2. hagedis, staat met beide bet. Wvl. hak(ke)tesse, met steml. k uit stemh. explosief g, gelijk in ekster.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

verheks verouderd, (bn.) dol op; Middelnederlands hexe <1400-1420>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

heks s.nw.
1. Vrou wat die toorkuns tot nadeel van ander beoefen. 2. Lelike, kwaadwillige vrou.
Uit Ndl. heks (1562 in die vorm hexe in bet. 1, 1725 in bet. 2).
Ndl. heks uit Hoogduits Hexe. Die oudste bekende grondvorme van heks, nl. Oudhoogduits hagazussa en Mnl. hagetisse, het wsk. as eerste lid haag 'omheining' omdat daar oorspr. geglo is dat hekse op 'n omheining sit of ry. Die bet. van die tweede lid is onbekend.
Vgl. Eng. hag.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

heks: kwaadaardige en/of lelijke (maar niet noodzakelijk oude) vrouw. In het volksgeloof is de heks een vrouw die een verbond met de duivel heeft aangegaan en aan zwarte magie doet. In sprookjes zijn heksen doorgaans ‘boos’, ‘slecht’ en ‘zo lelijk als de nacht’. Een der eerste vrouwelijke Nederlandse journalisten, Henriette Holst-Hendrix (die haar stukken steeds ondertekende met H. HX) werd in de wandeling Jet Heks genoemd. Heks wordt ook als geuzennaam gebruikt voor een lesbisch-feministe, bijvoorbeeld in de leuze (uit de jaren zeventig) ‘Pas op, de heksen zijn terug.’ Oorlogskoningin Wilhelmina werd in de stukken van oud-premier Gerbrandy de heks van Het Loo genoemd.

De oude heks is slim. (A. Loosjes, Historie van Mejuffrouw Susanna Bronkhorst, 1806-1807)
Ge zijt een heks, Filomène: uw eigen broer zegt het u. (Marcel Matthijs, Een spook op zolder, 1938)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

heks (Duits Hexe)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heks (Mnl. haghetisse, Vlaamsch nog hakketesse, Ohd. hagazussa) schijnt te bet.: boschduivelin. ’t Eerste lid hage = haag, bosch; ’t tweede lid – in ’t Germ. tusjo – is dan verwant met ’t Oudgall. dusius = daemon, temeer daar in ’t Ohd. een boschvrouw of heks ook wel holz-muoja = houtmoei of -tante heette.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heks ‘tovenares’ -> Papiaments hèks ‘tovenares’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heks tovenares 1562 [Claes] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut