Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hekel - (vlaskam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hekel 2 zn. ‘vlaskam’
Mnl. ekel ‘prikkel, stimulus; voorwerp waarmee men kan prikken’ [1240; Bern.], ekele ‘punt, stekel’ hekele ‘prikkel, stimulus’ [beide ca. 1440; Harl.], een hekel of een prekelinge der slapender naturen [1485; MNW]; vnnl. hekelpael, haeckelpael (oostelijke dialecten) ‘gepunte paal’ [1599; Kil.], hekel ‘vlaskam’ [1562; Naembouck].
Herkomst niet helemaal zeker. Wrsch. met umlaut ontstaan uit pgm. *hak-ilō- bij een stam *hak- ‘prikken, steken, hakken’ waarbij ook → haak en misschien → hakken behoren. Voor het woordeinde -el zie → druppel.
Mnd. hekele ‘vlaskam’ (> nzw. häckla, nde. hegle); mhd. hachel, hechel ‘vlaskam’ [ca. 1500] (nhd. Hechel); me. hekele ‘vlaskam’ [ca. 1325; BDE], hakell [1485; BDE] (ne. hackle); < pgm. *hak-ilō-. Daarnaast de werkwoorden ‘met een hekel bewerken’: os. hekilōn (mnd. hekelen); mhd. hacheln, hecheln (nhd. hecheln, ook overdrachtelijk ‘scherp beoordelen’); me. hekelen [1325; BDE] (ne. heckle, ook overdrachtelijk ‘scherp beoordelen’ [1808; BDE]).
De betekenis ‘vlaskam’ wordt pas bij Kiliaan gevonden, maar dat kan verklaard worden uit het feit dat landbouwtermen in het MNW-corpus ondervertegenwoordigd zijn. Hij zal wrsch. ouder zijn dan de abstracte betekenis ‘prikkel, stimulus’. Voor een synoniem zie → repel.
hekelen ww. ‘scherp beoordelen, berispen’. Mnl. ekelen ‘prikkelen, aansporen’, hekelen ‘id.’ [ca. 1440; Harl.], ‘vlaskammen’ [1562; Kil.], ‘kwetsen, scherp beoordelen’ [1494; MNW]. Afleiding van hekel en synoniem met de uitdrukking over de hekel halen. Net als bij het zn. zal de concrete betekenis ‘vlaskammen’ wel ouder zijn. Opvallend is dat de betekenisuitbreiding naar het overdrachtelijke ‘scherp beoordelen’ zowel in het Nederlands (als eerste) als in het Engels, Duits en Zweeds heeft plaatsgevonden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hekel2* [vlaskam] {ekel [prikkel] 1201-1250, hekel(e) [prikkel, stekel, vlaskam] 1485} middelnederduits hekele, middelhoogduits hechel, middelengels hekele, hechele (engels hackle hatchel); afgeleid van haak.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hekel 1 znw. m. ‘bord met tanden om vlas of hennep van korte vezels te ontdoen’, mnl. hekele v.? ‘prikkel, hekel’, mnd. hekele v. (> zw. häckla, de. hegle), mhd. hechel, hachel v., me. hekele, hechele (ne. hatchel, hackle). Daarnaast staat on. hekilnefr (bijnaam) ‘met een spitse neus’, nnoorw. dial. hekel ‘spits, punt’, faerös hekel ‘onderkant van de snede van een mes; spoor van een haan’ (vgl. Lidén SNF 1, 1910, Nr. 1, 22). — Afl. van haak.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hekel I (werktuig), mnl. hēkele(v.?) “prikkel, hekel”. = mhd. hechel (hachel) v. (nhd. hechel), mnd. hēkele v. (> de. hegle, zw. häckla), meng. hekele, hechele (hakell, eng. hatchel, hackle) “hekel”. Evenals mnl. hēket, ohd. hehhit (nhd. hecht), os. hakth, ags. hacod, hæced m. “snoek” van een basis germ. (χek-) χak-”spits zijn, prikken”, die wel identisch zal zijn met de basis van haak en waarvan ook ohd. hecchen “steken, slaan” kan komen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hekel 1 m. (werktuig), , Mnl. hekele + Mhd. hechele (Nhd. hechel), Eng. hackle, hatchel, Zw. häckla, De. hegle: wellicht dimin. van haak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1hekel s.nw.
Kamagtige werktuig waarmee vesels tot garedraad verwerk word.
Uit Ndl. hekel (al Mnl.).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hekel. Een hekel is een ‘bord of plankje bezet met rijen van omhoogstekende metalen spitsen, waarover men het vlas en de hennep haalt om de bast te splijten, scheve en korte vezels te verwijderen en de lange vezels recht te trekken’. Als men iemand toevoegt ik wou dat ze met haar naars op een hekel voer!, dan is duidelijk welk ongerief men de ander, ‘die met haar kont op een hekel zou moeten rijden’, toewenst. De verwensing komt al bij P.C. Hooft voor en de letterkundige Pieter Langedijk (1683-1756) kent de variant ’k Wou ... dat hij op een hete hekel zat! ‘ik wou dat hij in hoogst onaangename omstandigheden verkeerde’. Het WNT, deel vi, kolom 492, waar men dit alles kan vinden, wijst ook nog op het Duitse equivalent eine Hechel soll sein sein Sitzstuhl!

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hekel, vermoedelijk van een oud w.w. (in ’t Ohd. hecken), dat steken bet., verwant met ons haak en vischhoek; hekel is dan ’t werktuig om te steken, het getande scherpe werktuig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hekel ‘vlaskam’ -> Deens hegle ‘vlaskam’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors hekle ‘vlaskam’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds häckla ‘vlaskam’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins häkilä ‘vlaskam’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hekel* vlaskam 1485 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

889. Iemand over den hekel halen (of iemand hekelen

d.w.z. iemand scherp berispen; ook: hem belasteren, kwaadspreken van iemand, ‘iemand bij 't gat omhalen’. Eig. gezegd van vlas of hennep, dat ter zuivering over of door een hekel, een van opstaande draadspitsen voorzien werktuig, gehaald wordt. Vandaar in figuurlijken zin: iemand flink onder handen nemen, hem het kwade, het slechte op scherpe wijze onder het oog brengen, of in 't geheim, achter zijn' rug van hem vertellen. Vgl. bij Campen, 118: Ghy haelt hem vast over die heeckel; Pers, 670 a; Poirters, Mask. 167 gebruikt: door een hekel trekken, en in de voorrede: op 't hekel-bert streelen. In Zuid-Nederland iemand door de hekel halen of trekken (vgl. onze uitdr. iemand doorhalen; Zuidnederl. deurtrekken), dat ook aangetroffen wordt in Van Effen's Spect. IX, 99 en in Willem Leevend IV, 87Bij Brandt, Leven v. Vondel, 72: Met een ruwe hekel overhalen.. Vgl. verder Ndl. Wdb. V, 1587; VI, 492; Gunnink, 125; op Goerée en Overflakkee: iem. over de hor halen (in N. Taalg. XIII, 131); De Cock1, 220; Harreb. I, 299 a; Waasch Idiot. 283 b; het hd. einen durch die Hechel (oder die Bank) ziehen (oder ihn durchhecheln, hekelen); eng. to heckle; schotsch: to come o'er the heckle-pins; het fri. immen oer 'e hikkel helje of oerhikkelje naast immen eidsje (= eggen); en het Transvaalsche iemand o'er die knukels haal (Onze Volkstaal III, 139). In Groningen iemand over de repel, over de kam hoalen (Molema, 344 b). (Aanv.) In Zuid-Nederland ook in den zin van iemand afranselen, hem in 't spel doen verliezen (Teirl II, 25); ook iemand afhekelen, afranselen, hard bekijven, foppen, veel doen verliezen (Waasch Idiot. 777; Teirl. 24).),

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut