Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hek - (afscheiding van lat- en/of traliewerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hek zn. ‘afscheiding van lat- en/of traliewerk’
Mnl. in een Latijnse oorkonde Walterus de Clei ... custodire et reparare debet hec et curia debet ei conferre maiorem hecstiel ‘Wouter de Klei is verplicht het hek na te lopen en te repareren, terwijl de hofstede hem de palen ter beschikking moet stellen’ [1227; GN], hecke ‘hek, omheining’ [1272; CG I, 224].
Algemeen West-Germaans woord, afleiding met i-umlaut, van dezelfde stam als → haag, en zie ook → heg.
Mnd. heck ‘omheining van latten’; mhd. hecke ‘heg’ (nhd. Hecke); nfri. hek; oe. haec (me. hache, ne. hatch); < pgm. *hak-jō, afleiding van pgm. *hag-, zie → haag.
De specifieke betekenis uit de scheepsbouw ‘bovenkant van het achterste deel van een schip’ [1697; WNT], die in het Nederlands of Middelnederduits is ontstaan, is door het Hoogduits ontleend als Heck. De samenstelling hekboot ‘bepaald type schip’ is bekend (geweest) als Duits Heckboot en Frans Hecbot.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hek* [rastering] {hec(ken) 1343-1344} middelnederduits heck; mogelijk gevormd van heg, met expressieve k. De uitdrukking de hekken zijn verhangen [de omstandigheden zijn veranderd] betekende oorspr.: de hekken aan een andere stijl ophangen, waar ze op andere duimen komen te draaien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hek znw. o., mnl. hec, hecken o. ‘hek, valdeur’, mnd. heck o. ‘hek, draaibare houten poort’, oe. hæcc v. m. (ne. hatch) ‘poortje’. Daarnaast staat mnl. heke, heken (ook zeeuws-holl.). — Men zou het woord met een expressieve kk uit heg kunnen verklaren (beter niet als voorgerm. n-afl., daar het woord zeker vrij jong is). Daartegen verzet zich de betekenis niet: ‘heg van doornstruiken’ > ‘omheining van spijlen’ > ‘de doorgang (hek van latten) door de omheining’. Het is beter geen aanknoping aan haak te zoeken en dan uit te gaan van ‘puntig voorwerp’.

Een analoge betekenis vinden wij in de groep van hor, oorspr. ‘vlechtwerk’, maar dan ook on. hurð ‘deurvleugel’, got. haurds ‘deur’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hek znw. o., mnl. hec (hecken) o. “hek, valdeur”. = mnd. heck o. “hek, draaibare houten poort”, ags. hæcc v. m. “poortje” (eng. hatch). Kan een vóór-germ. n-afl. van de bij haag besproken basis zijn: dan moeten wij evenwel mnl. (vooral zeeuwsch-holl.) hēke(n) mv. “latwerk aan een molenroede” òf voor een genetisch duistere “neubildung” houden òf voor een geheel ander (met hekel I verwant?) woord. Wellicht is ’t beter, van de grondbet. “voorwerp met punten” uit te gaan en hek met hekel I en haak te combineeren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hek o., Mnl. hecke + Ndd. hecke, Eng. heck en hatch, verwant met haak en hoek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hèk (zn.) hek; Vreugmiddelnederlands hek <1227>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hek ‘rastering’ -> Duits Heck ‘bovenkant van het achterste deel van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens hæk ‘hek op een schip; achterkant van een auto; rastering’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors hekk ‘boven-achterzijde van een schip; achterste deel van een auto’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds häck ‘achterreling van een schip; krat, kistje’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins häkki ‘hok, kooi’ ; Ests hekk ‘hek op een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect hec ‘traliewerk’; Zuid-Sotho heke ‘rastering’ ; Indonesisch hék ‘rastering’; Ambons-Maleis hèk ‘rastering’; Jakartaans-Maleis pintu hèk ‘poortdeur’; Javaans èk, hèg, hèk ‘(ijzeren) rastering’; Kupang-Maleis hèk ‘rastering’; Madoerees hek ‘rastering’; Menadonees hèk ‘rastering’; Soendanees hek ‘rastering’; Ternataans-Maleis hèk ‘rastering’; Negerhollands hek, hekn, hekǝn ‘rastering’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments hèkchi (ouder: hekketsje) ‘rastering’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hek* rastering 1227 [Tavernier]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

884. Het hek is van den dam,

vroeger ook ‘het hekken is van den dam’, wil eig. zeggen, dat het hek, staande op den dam eener weide, weggenomen is; hierdoor kunnen de daarin opgesloten beesten er uit komen, zich vrij bewegen, doen wat zij willen; vandaar dat de uitdr. kan beteekenen: er is geen verhindering meer, geen op- of toezicht meer; men kan vrij zijn eigen zin volgen (Winschooten, 81In het Mnl. Wdb. wordt dam in deze uitdrukking te onrechte ver klaard als erf, werf, grondgebied.). Vgl. Campen, 128: 't Hecke is van den dam; Sart. II, 8, 2: Vader uyt, moeder uyt, het heck is vanden Dam; De Brune, 461: Moer uyt, vaer uyt, 't heck van den dam; de 17de-eeuwsche zegswijze: So ras 't hecken van den dam is lopender de verckens in 't kooren of daer 't hek op is, loopen de verckens in. Zoo ook in de Haarl. Mei-Bloempjes (anno 1649), bl. 27:

Kom Elsje hey komt in, ik moet wat met jou praten,
Het Heck is van den Dam, ick heb het huys alleen.

Zie ook nog Brederoo I, 68, vs. 1849; Huygens VI, 231; Korenbl. II, 438; Smetius, 6: tHecken is van den dam; Gew. Weuw. III, 48; Tuinman I, 119; Sewel, 326. In het Nederduitsch luidt de spreekwijze: Wenn 't Heck vôr de Damm weg is, so gahn de Schâpen äverall; is 't Heck van 'n Damm, de Schape gân darvan; syn. van wen de katte ût 't hûs is, dansen de musen ofer de disk; zie Eckart, 194; Dirksen II, 45; Wander II, 452; Taalgids IV, 245 en Ten Doornk. Koolm. II, 62 a. In het Friesch: as de hikke fen 'e daem is, rinne de skiep yn 't wyld. In Zuid-Nederland onbekend. Daar zegt men als de kat van huis is dansen de muizen op tafel (of zijn de muizen baas), waarmede kan worden vergeleken mnl. alse de catte es van huus dan riveleert de muus; mlat. insanire facit mures absentia cati (Werner, 42Zie voor varianten Harrebomée I, 384; Wander II, 1191-1193 en vgl. Ndl. Wdb. VII, 1790.); hd. Katz aus dem Haus rührt sich die Maus; fr. quand les chats sont sortis, les souris dansent sur la table; eng. when the cat is away the mice will play.

885. Het hek sluiten,

d.w.z. de laatste zijn in een stoet, een rij; eig. de laatste zijn in den bergrafenisstoet en het hek op het kerkhof achter zich toesluiten; bij overdracht wordt het jongste kind in een gezin, dat de rij der kinderen sluit, ook wel de heksluiter (fri. hikkesluter, heksluter; eng. a closer (Prick, 31) genoemd. Zie Winschooten, 263: Het hek sluiten, alleen erfgenaam zyn; Haagsche Reize, 22; Halma, 212: Het hek sluiten, de agterste in eenen togt zijn; Sewel, 326: Het hek sluiten, de allerlaatste zyn in een begraaffenis. Dit laatste wordt bevestigd door Le Francq v. Berkhey, Nat. Hist. III, 1887: ‘Men stelt een statie in 't neemen van veele draagers. Ter dier oorzake voegt men by het bestemde getal, dat men uit de buurt neemen moet, 'er meest al nog wel zes, of agt, of meer. En veeltyds verkiest men twee uit dezelven tot zoogenoemde Heksluiters, of die eigentlyk agter aan de statie gaan: en dus genoemd worden, om dat ze oudtyds het Hek van 't Kerkhof slooten’. Vgl. ook Van Effen, Spect. III, 204, en voor het overdr. gebruik Spect. III, 60: Men besloot dat in de rang van Vrouwen en Mans, de gezondheid van den Heer en Vrouw van 't huis 't hek zou sluiten. ‘Heksluiters’ voor de laatsten in een volgorde komt ook voor in Handelsblad, 23 Mei 1914, p. 11 k. 1: Van Maart af, zoodra de eerste crocusjes uitkomen, tot diep in den herfst, wanneer eindelijk de dahlia's hekkensluiters zijn; 14 Febr. 1915 (ochtendbl.) p. 10 k. 5: In Arnhem ontvangt Quick (een voetbalclub), dat bovenaan staat, de hekkesluiters uit haar afdeeling, nl. Houdt Stand. Zie Ndl. Wdb. VI, 488; 497; Bouman, 40; De Cock1, 218; Harreb. I, 299 a; Navorscher, 1912, bl. 444.

886. Bij het hek zijn,

d.w.z. bij de hand zijn; behendig, slim zijn; ook in het hd. (gleich) bei der Hecke (= Heck) sein. De uitdr. zal wel op dezelfde wijze moeten verklaard worden als bij de hand zijn, nl. er spoedig bij zijn, in dit geval bij het hek, d.i. in Duitschland een getralied hekje voor de eigenlijke huisdeur; vgl. ook Rutten, 89 b, die mededeelt, dat men onder een hekke in het Haspengouwsch (Neerhespen) het onderdeel eener halfdeur verstaat. Is nu iemand gleich bei der Hecke, zooals de Duitschers zeggen, spoedig bij het hekje, dan is hij vlug klaar, er dadelijk bij, wanneer hij b.v. geroepen wordt, of dat moet openen, onmiddellijk bij de hand. Of de uitdr. uit het Oosten ons land is binnengedrongen, is onzeker; zij is in de oostelijke streken wel bekend, doch ook in het Zaansch, volgens Boekenoogen, 310: Hij is goed bij 't hek, hij is bij de hand, bij de pinken.Of moet hier aan een andere beteekenis van hek worden gedacht? Een derde synonieme zegswijze, die volgens Schuermans, 27 in Limburg gebruikt wordt, luidt: bij den bak zijn (er vlug bij zijn om te eten?), terwijl in de Zaanstreek nog bekend is: bij de loop zijn (Boekenoogen, 591). Zie Noord en Zuid XIX, 29-31; Harreb. I, 299 a; Ndl. Wdb. VI, 488: Nog (goed) bij 't hek, rap, zoo met betrekking tot lichamelijke als geestelijke vermogens gezegd; Grimm, Wtb. IV2, 744; Eckart, 194; Woeste, 96 b: he es fro bi der hecke, he es glik bi der hecke.

887. De hekken zijn verhangen,

d.w.z. de bestaande orde van zaken is veranderd, vooral met betrekking tot de regeering; de omstandigheden zijn veranderd; de kansen zijn gekeerd; vgl. Halma, 212: De hekkens zijn verhangen, de zaaken zijn veranderd, la carte est tournée, les affaires ont changé de face; Sewel, 327: De hekken verhangen (de regeering veranderen), to alter the government; de hekken zyn verhangen (de tyden zijn veranderd), the tables are turned. De uitdrukking dagteekent uit de 17de eeuw en wordt o.a. aangetroffen bij Hooft, Ged. I, 157:

'Tvolck noch de dwingelandt woên over haer bestecken.
De beurten wisselt God dus, en verhangt de hecken.

Zie verder Hooft, Ned. Hist. 25: 63; De hekken omhangen; maar ook bl. 286: De hekken verhangen; Gew. Weuw. III, 79: De hekkens zijn verhangen; Asselijn, Jan Kl. vs. 474: Die hekken zijn hersteld; Tuinman I, 251: De hekkens zyn verhangen ‘dat is, de zaaken zyn verschikt en hebben een andere plooi gekregen. 't Zal genomen zyn van hekkens, met welke men wegen sluit. Best laat men menigmaal het hekken aan den ouden post.’ Met deze laatste uitdr. vergelijke men Harreb. I, 298: het hek hangt aan den ouden post (of dam); fri. de doarren moatte altomets ris forheakke wirde, er moet nu en dan eens verandering komen; vgl. Het Volk, 17 Mei 1915, p. 5 k. 2: Wat voor het stembusprogramma voor de algemeene politieke verkiezingen ten slotte noodzakelijk werd geacht als een eisch van gezonde demokratie, dat werd voor het gemeentelijk program van aktie verwaarloosd. Daar bleef het hek aan den ouden stijl hangen; Joos, 93; Waasch Idiot. 283; Antw. Idiot. 547; bij Schuermans, 182 a: het hek aan den ouden stijl houden (of laten); Bijv. 118 a: het hekken aan den ouden stijl hangen, maar doen gelijk te voren; Welters, 90: het hekken in den ouden toor (tour, draaipin) laten hangen; Joos, 113: Ik geloof, dat de zaak veranderd is: dat het hekken verhangen is. Uit dit alles blijkt, dat de oorspr. bet. is geweest: de hekken aan een anderen stijl hangen, waar ze op andere duimen komen te draaien (vgl. iets op zijn duim draaien), vandaar bij overdracht: de zaken, vooral regeeringszaken, veranderen, er eene andere wending aan geven. In het Meiderichsch: neje Heren hange neje Heckes (Dirksen, I, 12) en in het westph. nigge Hären, nigge Hecke (zie ook Taalgids V, 157). In het fri.: de hikken binne forhinge. Vgl. nog Ndl. Wdb. VI, 489.

Synoniem is: de borden (of de bordjes; ook: de schilden) zijn verhangen, waarbij wellicht aan een uithangbord moet worden gedacht (hd. Schild = uithangbord). Zie Ndl. Wdb. III, 522; Nkr. VII, 18 Oct. p. 4; Handelsblad, 17 Januari, 1921 (A) p. 10 k. 6.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut