Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heining - (schutting om een stuk grond af te scheiden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heining zn. ‘schutting om een stuk grond af te scheiden’
Mnl. heinige, heindinge ‘erfscheiding’ [ca. 1400; MNW].
Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord heinen ‘omheinen’, bijv. in soe sellen si heinen den werf [1299; CG I, 2639]. Het werkwoord is een samentrekking van *hegenen, een afleiding van → haag ‘haag, omheining’, dus ‘van een omheining voorzien’.
Ook mnd. hēgenen ‘omheinen’; pgm. *haginōn-, afleiding van *hag- ‘haag, omheining’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heining* [schutting] {heininge 1401-1500} van het middelnl. ww. heinen, hegenen, hegen [met een hek afsluiten] (vgl. hekkelen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heining znw. v., mnl. heininghe ‘het afsluiten, omheining’, een afl. van het ww. heinen ‘omheinen’ < wgerm. *haginōn, vgl. mnd. hēgenen; dit is weer gevormd van mnl. hāghen, mnd. hāgen, waarvoor zie: haag.

Ook in het ngerm. vgl. on. hegna ‘omheinen; straffen, tuchtigen’, nijsl. nnoorw. hegna, nzw. hägna, nde. hegne ‘omtuinen, beschermen’. — Door nl. kolonisten werd het woord naar Brandenburg overgebracht, vgl. daarvoor Teuchert, Die Sprachreste 1944, 195-7).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heining znw., mnl. heininghe v. “het afsluiten, heining”. Afl. van heinen “afsluiten, omheinen”, nu nog slechts in de samenst. omheinen algemeen gebruikelijk, = mnd. hēgenen “id.”, een afl. van mnl. hāghen, mnd. hāgen m.: zie haag. Evenzoo on. hegna “omheinen, beschermen, tuchtigen”, de. hegne, zw. hägna “omheinen, beschutten”: de. hegn, zw. hägn “omheining”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heining. Buiten Nederland komt dit specifiek-ndl. woord voor in Brandenburg hêninge ‘afgeschoten weiland’), waarheen het blijkbaar door ndl. kolonisten gebracht is: Teuchert Teuth. I, 62. Vgl. hermoes Suppl.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Haag schijnt oorspr. afsluiting te beteekenen; daarna de afsluiting (haag, heg) zelf. ’t Hgd. hegen bet. oorspr.: door een heg omgeven, daarna: verplegen, koesteren, vgl.: „Gelijck een aernt (arend) sijn ionge kiekens heegt en koestert”. Een afl. hiervan is hegening, thans heining. (Vgl. megid = meid; pegel = peil.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heining ‘schutting’ -> Duits dialect Heinunge, Heininge, Heninge, Heinicht ‘omheind of afgesloten veld’; Negerhollands heining ‘schutting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heining* schutting 1401-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut