Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heinde - (nabij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heinde bw. ‘nabij’
Mnl. gehende ‘nabij (in ruimte)’ in verre ende gehende ‘overal’ [1300-25; MNW-R], die dach des doots haer heynde stont ‘de dag van haar dood was nabij’ [ca. 1440; MNW]; vnnl. van heynd en veer ‘overal vandaan’ [1625; WNT].
Het in het Middelnederlands gebruikelijkere gehende is een oude afleiding met → ge- en een umlautsvorm van → hand, met de letterlijke betekenis ‘bij de hand’. In het noordelijke taalgebied komt ook de versie zonder ge- voor, die uiteindelijk die met ge- heeft verdrongen. De -ei- was oorspr. een klankvariant van e voor n + dentaal, zoals in einde < ende, die bijv. ook verschijnt in de vorm heinde ‘handen’ [10e eeuw; W.Ps.].
Mnd. gehent ‘nabij’; ohd. gihenti ‘behorend aan’ (mhd. gehende ‘bij de hand, gereed’); oe. gehende ‘naburig, bij de hand’; < pgm. *ga-handja-.
Het woord is in het Nederlands slechts blijven bestaan in de uitdrukking van heinde en verre ‘overal vandaan’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heinde* alleen nog in de uitdrukking van heinde en verre [van alle kanten] {hende, gehende, geheinde [nabij] 1440} van hand, vgl. middelnederlands gehenden [ter hand stellen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heinde bijw., mnl. hende, heinde ‘nabij’, typisch noordnl. vorm (vgl. owfri. heynd ‘nabij’); het meer gebruikelijke is mnl. ghehende, ghehinde, gheheinde, ghende, ghinde, oe. gehende ‘nabij’, bijw. bij het bnw. ohd. gihenti ‘behorend aan’, mhd. gehende ‘bij de hand’, oe. gehende ‘naburig, bij de hand’. — Afl. van hand, zie ook: behendig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heinde bijw., mnl. hende, heinde “nabij”, een speciaal noordndl. vorm (= owfri. heynd “nabij”) naast het meer gebruikelijke mnl. ghehende, ghehinde, gheheinde “id.” = mnd. gehent, ags. gehende “id.”, bijw. bij ohd. gihenti “behoorend aan”, mhd. gehende “bij de hand, gereed”, ags. gehende “naburig, bij de hand”. Van hand gevormd. Vgl. behendig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heinde. Mnd. gehent niet Mnd. Hwb.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heinde bijw., met ei uit e vóór gedekte n (verg. deinzen, einde), Mnl. ghehende + Ohd. gehenti, Ags. gehende (Eng. handy) = bij de hand, met ge- van hand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

heinde: (in verbg.) van heinde en ver; Ndl.-Afr. heinde; Ndl. ook nog hend(e)/hen(ne) verboë umlv. v. hand (Mnl. he(i)nde, vgl. behendig, naas ghehende/gheh(e)inde), Oeng. gehende, “naburig, naby, by die hand”, sodat van heinde en ver = “van naby en ver”.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Heinde en ver, dichtbij en veraf; heinde, mnl. gheheinde, ghehende, uit het bijw. gahandi voor: bij de hand, nabij. De e is door umlaut ontstaan uit de a (vóór i), en de ei uit e voor n + medeklinker, als in deinzen, einde, peinzen, veister (uit veinster) in ’t vla.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hand brengt men tot de familie van ’t Got. hinthan = grijpen, vangen.— Hand, hande bet. ook soort: drieërhande, waarbij men aanneemt, dat hand ook zijde bet. (vgl. aan de linkerhand en aan de linkerzijde): van goeder hand = van goede zijde en bij uitbreiding: van goede soort. – Verwant met hand is ook behendig = bij de hand zijn; heinde = bij de hand, dus kortbij (dit heinde staat voor: hende, vgl. den compar. in: „Wel Angeniet, kom hender!” (Hooft heeft: „verre en heindgelegene volcken”), en handelen = in de hand nemen. In handhaven schijnt men aan handhave = handgreep, handvatsel te moeten denken (haven als bijvorm van hebben, houden, vgl. hij heeft), zoodat handhaven dan bet. vasthouden, niet loslaten, iets verdedigen, iets steunen, vgl. maintenir, letterlijk óók: hand-houden.Prof. Kluge ziet in handhaven ’t Ohd. anthaba, waarin ant = tegen (vgl. antwoord) en haba = greep, verwant met ’t Lat. capio = grijpen; dus: anthaba = waar men tegen of aan grijpt; handvat.Handvest = oorkonde met de hand, d. i. handslag, bevestigd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heinde* bijwoord van plaats: dichtbij 1440 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

882. Van heinde en ver(re),

d.i. van dichtbijHeinde beteekent letterlijk bij de hand; vgl. lat. cominus van manus. en ver af, doch de beteekenis van het tweede woord heeft die van het eerste zoo goed als verdrongen, zoodat men er thans onder verstaat: van alle kanten, overal vandaan. In de middeleeuwen verre ende geheinde; 17de eeuw: om heinde en om bij naast verr' ende hent; om hent noch om veer; om heind of van verre. Dialectisch is ook bekend niet hen of omtrent, op geen voeten of vamen. Zie Ndl. Wdb. VI, 480; Huydecoper, Proeve III, 216-218; fri. fier en hein; hein noch omtrint; hein noch nei.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut