Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heilig - (gewijd; volmaakt; onaantastbaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heilig bn. ‘gewijd; volmaakt; onaantastbaar’
Onl. heilig ‘gewijd, volmaakt’ in heilig ist duom thīn ‘heilig is uw huis, uw tempel’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ant heilich cruce ‘aan het heilige kruis’ [1220-40; CG II, Aiol], jherusalem di heileghe stat [1276-1300; CG II, Kerst.], ook zelfstandig gebruikt, in ene schare van heiligen ‘een grote groep verheerlijkte hemelbewoners’ [1265-70; CG II, Lut.K]; nnl. ook over niet-godsdienstige zaken met betekenissen als ‘onaantastbaar, altijd te eerbiedigen’ in de heilige banden der vriendschap [1785; WNT] en ‘verheven, serieus, zeer sterk’ in heilige verontwaardiging [1859; WNT], in de heilige overtuiging dat ... [1865; WNT], heilig vuur ‘geestdrift voor een verheven zaak’ [1874; WNT].
Afleiding van de wortel van → heel of → heil.
Bij onl. heilig mnd. he(i)lich, hillich; ohd. heilig; ofri. hēlich, hēlech, heilich; oe. hālig, hǣlig; < pgm *hail-ig-; daarnaast os. hēlag; ohd. heilag; on. heilagr; en ook hailag, een eenmalig voorkomend woord in de vermoedelijk Gotische runentekst op de ring van Pietroasele; < pgm. *hail-ag-; Germaanse of pre-Germaanse afleiding van de wortel *hail-, die zonder achtervoegsel bewaard is gebleven in de substraatwoorden heel en heil.
Het woord diende in de oudste Germaanse teksten meestal als vertaling van Latijn sanctus. Opvallend is dat de Gotische bijbelvertaling van Wulfila voor Grieks hágios ‘heilig’ een ander woord gebruikt, namelijk weihs, verwant met → wijden. Blijkbaar was het Germaanse *hailag- in de voor-christelijke tijd al in gebruik, was het voor Wulfila beladen met connotaties die te maken hadden met het Germaanse heidendom en gebruikte hij daarom een ander woord.
In de 8e-eeuwse Utrechtse doopbelofte komt al de verbinding in hālogan gāst ‘(ik geloof) in de heilige geest’ voor. Hoewel de tekst in het algemeen als Oudnederlands wordt beschouwd, is deze specifieke vorm duidelijk Oudengels; de opsteller van de belofte is dan ook zeer wrsch. een Engelse missionaris geweest.
heiligbeen zn. ‘onderste punt van de menselijke wervelkolom’. Vnnl. heiligh been ‘id.’ [1658; Meijer]. Leenvertaling van Latijn os sacrum ‘id.’, zo genoemd vanwege de gelijkenis met een kruis.
Lit.: Boutkan 1998, par. 2.6

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heilig* [verheven] {oudnederlands heilig 901-1000, middelnederlands he(i)lich} oudhoogduits heilig, oudsaksisch helag, oudengels halig, oudnoors heilagrheel, heil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heilig bnw., mnl. heilich, hêlich, hillich, onfrank. heilig, os. hēlag, ohd. heilig, heilag, ofri. hēlig, hēleg, oe. hālig (ne. holy), on. heilagr ‘heilig’. — In de betekenis van ‘sanctus’ heeft dit woord door de invloed van de angelsaksische missie het gewonnen van het onder invloed der gotische missie in Zuid-Duitsland opgekomen, maar reeds c. 500 stervende woord wīh = got. weihs (ook in het os. als wīh- in wīhrouh overgenomen, vgl. Frings, Germ. Rom. 1932, 21-23), waarvoor zie: wijden.

Wat in de heidense tijd de betekenis van heilig geweest is, valt moeilijk te bepalen. Het is zeker niet verantwoord terug te grijpen op het begrip ‘taboe’, waardoor het in primitieve zin zou betekenen ‘van (magische) kracht vervuld’. Want voorzover wij het in teksten uit de heidense tijd kunnen vervolgen, heeft het steeds een religieuze betekenis: het heil, dat met heilige personen of dingen verbonden is, staat rechtstreeks in verband met het geloof aan goden (vgl. het woord hailag op de Gotische ring van Pietroassa). Vgl. voor deze opvatting W. Baetke, Das Heilige im Germanischen 1942, 206-210.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heilig bnw., mnl. heilich, hêlich, hillich. = onfr. heilig, ohd. heilig, heilag (nhd. heilig), os. hêlag, ofri. hêlig, -eg (owfri. hellich), ags. hâlig (eng. holy), on. heilagr “heilig”. Afl. van *χaila- (zie heil). Ook op een got. runeninscriptie komt voor Gutaniowi hailag. Overigens is in ’t Got. weihs ’t woord voor “heilig”: zie wijden. Wsch. had *χailaʒa- al in den heidenschen tijd de bet. “gewijd, heilig”, aangezien het noch van lat. sacer noch van sanctus een vertaling zijn kan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heilig. Het aan got. weihs beantwoordende ohd. wîh, os. wîh- (zie wijden) heeft op het vasteland gaandeweg terrein verloren tegen het door de ags. zending ingevoerde heilig (vgl. ootmoed Suppl.): Braune PBB. 43, 398 vlgg. Dat in Beieren het oude woord het langst stand hield, is uit de geogr. ligging te verklaren en bewijst niet, zoals Wrede ZsfdeuMua 1924, 280 wil, dat wîh als christelijke term in het Oudbeiers uit het Got. is overgenomen; ook het afwijkend vocalisme van het nieuwe kerkwoord in het Bei. kan hiervoor geen argument zijn. Vgl. nog Frings Germ. Rom. 21 vlgg., waar ook andere, deels oudere, literatuur vermeld is.
Als de oude, heidense bet. van heilig is eerder aan te nemen: ‘vervuld van magische kracht, taboe’; hieruit kon zich nog in de vóór-christelijke tijd ontwikkelen ‘begunstigd, gelukkig, goed’, en zo was het woord geschikt om lat. sanctus in chr. zin — ospr. zowel ‘(zedelijk) goed’ als ‘bijzonder religieus’ en ‘gelukzalig’ — weer te geven. Het znw. *χaila-, waarvan het bnw. is afgeleid, zal ospr. betekend hebben ‘(magische) kracht, levenskracht’ > ‘geluk’. Vgl. Mogk Reall. II, 477 vlgg.; Ochs PBB. 45, 110; Güntert Ar. Weltk. u. Heil. 105 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heilig bijv., Mnl. heilech, hêlich, hēlich, hillich (deze twee nog Vl.), Onfra. heilig, Os. hêlag + Ohd. heilag (Mhd. heilec, Nhd. heilig), Ags. hálig (Eng. holy), Ofri. hélig, On. heilagr (Zw. helig, De. hellig): van het znw. heil. De heidensche bet. was wellicht taboe, gelijk in Helgoland en heilbot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hèlleg (bn.) heilig; Aajdnederlands heilig <901-1000>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

heilig ‘geestelijk volmaakt’ (bet. van Latijn sanctus)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Heilig, aan God gewijd; van personen ook: godvruchtig, vroom; van zaken ook: gewijd, onaantastbaar, met een bijzondere waarde.
Heilige, volmaakt persoon, iemand die geen kwaad kent; iemand die op grond van een officiële verklaring van de rooms-katholieke kerk vereerd wordt.

Heilig en heilige kennen vele betekenissen en betekenisnuances die min of meer gerelateerd zijn aan de bijbel. In de geschiedenis van vooral de rooms-katholieke kerk heeft het begrip een eigen ontwikkeling doorgemaakt en tot talloze toepassingen geleid. Hier is onder andere van belang het epitheton heilig, waarmee vele bijbelse figuren waaronder de auteurs van bijbelboeken getooid zijn, zie bijvoorbeeld: heilige Maria, de heilige Lucas. Hier zijn slechts enkele veel voorkomende toepassingen vermeld; ook aan de talloze verbindingen en samenstellingen: heilig boontje, heilige koe, heilig vuur, goedheiligman, heiligenkalender, gaan we voorbij.

Liesveldtbijbel (1526), Marcus 6:20. Herodes vreesde Johannem want hi wiste dat hi een vroom ende heylich man was, ende hi nam hem waer.
Ja, ik ben toen ontzettend tegen ze uitgevaren. Ik ben tenslotte ook geen heilige. (Gehoord, jaren '90.)
Voor veel jongeren was dat halve uurtje heilig: bij Top Pop kregen de artiesten die je de hele week op de radio hoorde eindelijk een gezicht, (NRC maart 1995, 27 mc.)
Liesveldtbijbel (1526), Handelingen 9:13. Maer Ananias antwoorde, Heere ick hebbe van velen, van desen man gehoort hoe vele quaets hi uwen heilighen ghedaen heeft te Jerusalem.
God zorgt voor ons... ja, maar ze wist dat god ook zorgde voor hen die wisten dat hij niet eens bestond, dat hij zorgde voor allen, voor encycliekers en socialen, voor heiligen en smeerlappen. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 652)
Ik slikte, en knikte ontroerd. En ik dankte de heilige Ambrosius ervoor dat hij ook in deze tijd van nep, ersatz, surrogaten en namaak zijn adepten bleef bezielen. Na het vertrek van mijn buurman scheurde ik het gedicht over het bazige roodborstje stuk en begon ik aan een Ambrosiaanse hymne. (De Standaard, nov. 1995)

Heilige der heiligen, meest gewijde deel van de tabernakel en de tempel; (fig., ook iron.) vertrek of gebouw bestemd voor een bijzonder doel, alleen toegankelijk voor ingewijden; (abstract) onderwerp of terrein waar niet-ingewijden zich niet mee mogen bemoeien.

Al in de tabernakel, de als tent gebouwde tempel die door het joodse volk meegevoerd werd bij hun tocht door de woestijn, heette het allerheiligste deel, gelegen achter het heilige, in de oudere vertalingen het heilige der heiligen. Deze Hebreeuwse constructie om de superlatief uit te drukken is in de NBV vervangen door 'allerheiligste'. Hier werd de ark bewaard: 'Gij zult het voorhangsel onder de haken hangen, en daarheen, binnen het voorhangsel, de ark der getuigenis brengen, zodat het voorhangsel voor u scheiding maakt tussen het heilige en het heilige der heiligen' (Exodus 26:33-34, NBG-vertaling). Eens per jaar, op Grote Verzoendag, ging de hogepriester hier binnen. Zo ook bij de tempel in Jeruzalem, die later door Salomo gebouwd werd.

Statenvertaling (1637), Exodus 26:33-34. Ende ghy sult den voor-hanck onder de haecxkens hangen, ende ghy sult de Arke der getuychenisse aldaer binnen den voor-hanck brengen: ende dese voor-hanck sal u lieden een scheydinge maken tusschen het heylige, ende tusschen het heylige der heyligen.
De cilindervormige standaardkilo [...] staat onder drie glazen stolpen in een kluis in het heilige der heiligen in standaardland, het Bureau International des Poids et Mesures (BIPM) in Sèvres bij Parijs. (De Volkskrant, 24-10-1998, p. 7W)
Het wordt tijd dat [psycho-]analytici wat soepeler worden. Niet langer pretenderen het heilige der heilige te vertegenwoordigen. (E. Lockhorn, Geletterde vrouwen. Interviews, 1999 (1996), p. 167)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

heilige ‘Geef mij nog een heilige!’ — dat hoorde de Vlaamse volkstaaldeskundige H. Mullebrouck omstreeks 1980 in een West-Vlaamse kroeg. De besteller kreeg een glaasje heilig nat, want daarvan is heilige waarschijnlijk een verkorting. In Noord-Brabant wordt een borrel wel heilige olie genoemd.
Van een dronkeman zei men aan het eind van de 19de eeuw in Vlaanderen: hij komt van ’t heilige land. Waarschijnlijk zinspeelt deze zegswijze op de Tempeliers, een ridderorde die was gesticht om de pelgrims in het Heilige Land te beschermen. Zoals bekend hadden de Tempeliers onlesbare dorst, vandaar zuipen als een Tempelier. Van een dronkeman zei men ook hij is gezegend. In het Engels wordt een dronkaard vanaf het begin van de 17de eeuw one of the faithful ‘een van de gelovigen’ genoemd. Aan hemelse sferen refereert verder de Duitse term Gotteswort, letterlijk ‘woord Gods’, voor echt goede jenever of brandewijn. Andere Nederlandse en Vlaamse borrelnamen die tot dit domein behoren zijn coccejaans bittertje, dronkaardspaternoster, gereformeerde, godswatertje, rooms halfje, vicaris, wijwater, zaligmakertje en zielentroostertje.

[Herroem 104; Joos 1887:121; Mullebrouck 335; Nav. 3:285; Swanenberg 299]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heilig ‘verheven’ -> Negerhollands heilig ‘verheven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heilig* verheven 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

314. Een heilig boontje,

d.w.z. iemand die zich braaf voordoet en zich daarop laat voorstaan. Wellicht mogen we in deze benaming eene verbastering zien van het in de 18de eeuw voorkomende heilig bontje, dat we lezen bij Van Effen, Spect. X, 51: ‘De listen van sommige schilders, die zulke heilige bontjes niet zyn, als ze wel schynen willen’. Onder een bontje verstond men toen een burgerweesZie Van Effen, Spect. IV, 140 en Teirlinck, Wdb. v.h. Bargoensch, waar bl. 7 b ‘bontje’ verklaard wordt door ‘burger-weesjongen’, een naam, die zijn ontstaan zal te danken hebben aan de bonte kleeding; vgl. het grauw., en derhalve onder ‘een heilig bontje’ een brave(n), vrome(n) wees.Bouman, 76: Ons lievenheers witje: het heilige bontje. Wat hij hiermede wil zeggen, begrijp ik niet. Bij navraag is me gebleken, dat deze naam heilig bontje in Noord-Holland voor een witje (een vlinder) onbekend is. Waarschijnlijk haperde er wel eens iets aan die vroomheid, zoodat de uitdr. in ironischen zin kon genomen worden. Dat later, toen ‘bontje’ niet meer verstaan werd, hiervoor ‘boontje’ in de plaats kwam, is toe te schrijven aan volksetymologie, die het in verband kan hebben gebracht met de Driekoningenboon. Of mogen we vergelijken: ‘een leuke pisang’, ‘een rare snijboon’, een ‘lekkere druif’ en dergelijke? Zie Noord en Zuid XX, 449 en Harreb. I, 79 a, waar de uitdr. het eerst is vermeld.Schotel, Oud-Holl. Huisgezin 385 beweert, dat deze boon de ‘heilige bone’ genoemd werd, iets, wat, in aanmerking genomen Schotel's onbetrouwbaarheid, zonder nader bewijs niet kan worden aangenomen. Vgl. eens Tijdschrift XVI, 284 noot.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal