Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heiland - (Verlosser, Zaligmaker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

Heiland zn. ‘Verlosser, Zaligmaker’
Mnl. in mahon unsen heilant ‘Mohammed, onze verlosser’ [1220-40; CG II, Aiol], Here Heilant [ca. 1400; MNW]; vnnl. dat ick de Heere ben, dijn Heylandt [1562; van Dalen-Oskam 2000].
Oorspr. het teg.deelw. van Duits heilen ‘gezond maken, redden’, hetzelfde woord als Nederlands → helen 1. Vergelijk voor de uitgang → vijand.
In de oude taalfasen alleen: os. hēliand, hēland; ohd. heilant; oe. hǣland.
Heiland wordt meestal gebruikt als vertaling van christelijk Latijn salvātor ‘redder’ (bij salvāre ‘gezond maken, redden’, zie → safe 1 ‘veilig’), zelf weer een leenvertaling van Grieks sōtḗr (bij sṓizein ‘redden’) in het Nieuwe Testament. In de Middelnederlandse periode blijft het woord vooral beperkt tot de oostelijke dialecten; algemener zijn synoniemen als behoudere [1285; CG II, Rijmb.], heilgever [15e eeuw; MNW]; levendichmaker [1464; MNW], salichmaker, verlosser, gesontmaker [1488; MNW] en in het onl. neriando ‘heiland’ [10e eeuw; W.Ps.] bij het werkwoord neron ‘redden’ (zie → genezen). Ook Kiliaan (1599) noemt heyland nog “Duits, Saksisch, Rijnlands”. De Statenvertaling (1637), in navolging van de Deux-Aesbijbel (1562), gebruikt het woord elf maal, alleen in het Oude Testament, in negen gevallen ter aanduiding van God, in de andere twee ter verwijzing naar de komende Messias, voor christenen Jezus Christus. In latere bijbelvertalingen zijn weer andere keuzes gemaakt. Zo gebruikt de protestantse vertaling van het NBG uit 1951 Heiland alleen in het Nieuwe Testament en verwijst ermee naar God of naar Jezus. In de katholieke Willibrord-vertaling (1995) komt Heiland niet voor, meestal wordt redder gebruikt. Dat laatste geldt ook voor de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Heiland [Zaligmaker] {in oostelijke teksten heilant 1220-1240} < hoogduits Heiland, vgl. oudsaksisch heliant, oudhoogduits heilant, oudengels hæland, eig. teg. deelw. van hoogduits heilen (middelnederlands he(i)len [gezond maken, helen]); vertalende ontlening aan latijn salvator [redder, verlosser].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

heiland

Het is wel duidelijk dat in het woord heiland het woord heil opgesloten zit. Maar wat moeten wij met dat and beginnen? Ter vergelijking leggen wij naast heiland het woord vijand dat net zo gevormd is. Het zijn allebei tegenwoordige deelwoorden van werkwoorden, zoals lopend het tegenwoordige deelwoord van lopen is. In ons geval is dat het werkwoord helen: genezen, letterlijk: heel maken. De Heiland is dus: de genezer. In de Middeleeuwen gaf men aan Christus een andere naam die precies hetzelfde betekende, namelijk: gesontmakere. Dat woord is helaas geheel in onbruik geraakt en vervangen door het uit het Duits stammende heiland. De Statenvertaling gebruikt dit woord nog niet, maar spreekt van de salighmaker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heiland znw. m., mnl. heilant (alleen oostel. teksten), Kiliaen noemt het woord ‘duits, saksisch, sicambrisch’, os. hēliant, ohd. heilant, oe. hæland, eig. tegenwoordig deelw. van helen 2 en gevormd als vertaling van lat. salvator, dat zelf weer gr. sōtḗr weergeeft. — Deze naam is alleen westgerm.; daarnaast bestond ook os. neriand, neriando, ohd. nerrendo, oe. nerigend, nergend, got. nasjands, gevormd van *nazjan ‘genezen’, waarvoor zie: generen (het onfrank. neriando wordt gebruikt voor God in de zin van ‘salutaris, adjutor’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heiland znw., oostmnl. heilant m., door Kil. “Ger. Sax. Sicamb.” genoemd. Misschien heeft het woord vóór de mnl. periode op ’t heele ndl. gebied bestaan; later is ’t weer opgekomen onder duitschen invloed. Mnl. is ghesontmākere m. gewoner. Het woord heiland, ohd. heilant (nhd. heiland), os. hêliand, ags. hæ̂lend m. is het tegenw. deelwoord van het ww. *χailianan (ndl. helen), dat in navolging van lat. Salvâtor, gr. sōtḗr = Iesus wordt gebruikt. Evenzoo ohd. nerrendo, os. neriand(o), ags. ner(i)gend, got. nasjands, ook onfr. neriando (dit komt alleen voor = “salutaris, adjutor”, van God gebruikt), m. deelw. van *nazjanan (got. met analogische s) (zie generen).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heiland. De bewaarde a in hd. heiland zal uit het gewijde karakter van het woord te verklaren zijn. Vgl. vijand Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heiland m., uit Hgd. heiland: Ohd. heilant, Os. hêliand, Ags. hæ'lend: teg.d. van Ohd. heilen = heelen (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Heiland (Duits Heiland)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Heiland, een van de benamingen van Jezus; (fig.) iemand die zich als redder opwerpt.

Letterlijk betekent heiland 'genezer'; het is waarschijnlijk onder Duitse invloed door de Statenvertalers ingevoerd als benaming voor de verhoopte verlosser genoemd in het bijbelboek Psalmen en in de profetische boeken. Hoewel nu bekend als naam voor Jezus, komt het woord in de Statenvertaling (1637) aanvankelijk in het Nieuwe Testament, dat Zaligmaker gebruikt, niet voor; het is daar door latere vertalingen geïntroduceerd. Het figuurlijke gebruik vinden we nu vooral in literaire teksten. Zie ook Jezus.

Deux-Aesbijbel (1562), Jesaja 60:16. Op dat du onderuindest, dat ick de Heere ben, dijn Heylandt, ende ick de Machtighe in Jacob, ben dijn Verlosser.
Hun heiland heet Judas Iskariot. (G. Komrij, Alle gedichten tot gisteren, 1994 (Helena's stopwatch, 1981), p. 296)
Ik geloof dat 1 op de 2000 Nederlandser MS krijgt. Het is natuurlijk pech als je die ene bent, maar ik vond meteen al dat de andere 1999 mij dankbaar moesten zijn dat zij het niet waren. Statistisch was ik goed beschouwd hun Heiland, ik nam voor 1999 mensen de rol van MS-patiënt op mij. (R. Rubinstein, Nee heb je, 1986 (1985), p. 24)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Heiland ‘Zaligmaker’ -> Negerhollands heiland ‘Zaligmaker’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

Heiland Zaligmaker 1220-1240 [CG II1 Aiol] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut