Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heil - (welzijn, voorspoed; redding, verlossing)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heil zn. ‘welzijn, voorspoed; redding, verlossing’
Onl. heil ‘welzijn, voorspoed (Latijn salus)’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ook heel [1220-40; CG II, Aiol].
Variant met umlaut van → heel ‘onaangetast, ongebroken, gezond’.
Os. hēl ‘voorteken’ (mnd. heil ‘geluk, zegen’); ohd. heil ‘geluk, voorspoed’ (nhd. Heil); ofri. hēl; oe. hǣl ‘gunstig voorteken, voorspoed’; on. heill ‘gunstig voorteken’; < pgm. *hail-i- ‘voorteken’, variant met een ander achtervoegsel van *hail-a, waaruit → heel.
Het christelijke begrip heil ‘redding, verlossing uit de macht der zonde’ is een latere betekenisuitbreiding van het oude ‘voorteken, geluk, voorspoed’, dat in het Nederlands vooral nog te zien is in onheil (zie hieronder). In tegenstelling tot bijv. het Duits, waarin het zn. Heil ‘geluk’ zelfs een element in alledaagse begroetingen is, heeft het Nederlandse woord nog steeds vooral een enigzins spirituele betekenis, getuige vele samenstellingen zoals heilsoldaat, heilbede en de wensuitdrukking veel heil en zegen. De algemene betekenis ‘geluk, voorspoed’ komt nog wel voor in enkele vaste verbindingen, bijv. ergens geen heil meer in zien, zijn heil ergens anders zoeken.
onheil zn. ‘ramp, zwaar ongeluk’. Mnl. daer mede waert ich gequelt te mijnen groten onheyle ‘om die reden werd ik tot mijn groot ongeluk gepijnigd’ [1450-1500; MNW-R], onheil ‘rampspoed, ongeluk’ [1477; Teuth.]. Afleiding met → on- van heil in de oude betekenis ‘voorspoed’, maar vrijwel zeker onder invloed van Duits Unheil ‘id.’, gezien de oudste vindplaatsen in oostelijk gekleurde teksten en het ontbreken van dit woord bij Kiliaan.
Lit.: J.W. Muller (1938), ‘Heel en heil’, in: TNTL 57, 63-74

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heil* [welzijn, redding] {oudnederlands heil, middelnederlands heil, heel 901-1000} oudsaksisch hel, oudengels hæl [voorteken], oudhoogduits heil [geluk], oudnoors heill [gunstig voorteken, geluk] → heel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heil znw. o., mnl. heil, heel o. zelden v., os. hēl ‘voorteken’, ohd. heil ‘geluk’, oe. hæl ‘voorteken’, hālor o. ‘heil’, on. heill o. v. ‘gunstig voorteken, geluk’. — Oorspr. een -es: -os-stam, ten dele afgegleden naar de a-stammen. — Voor de etymologie zie: heel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heil znw. o., mnl. heil, heel o. (zelden v., ook in den vorm heile). = ohd. (nhd.) heil o. “geluk”, os. hêl, ags. hæ̂l o. voorteeken”, hâlor o. “heil”, on. heill o. v. “gunstig voorteeken, geluk”. Een z-stam, germ. *χailaz-, *χailiz-, verwant met heel; sommige vormen kunnen ook op *χaila- teruggaan (zie heilig).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heil. Bij Holthausen ook ofri. hêl o. — Zie nog bij heilig Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heil o., Mnl. id., Os. hêl + Ohd. heil (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hæ'l (Eng. hail), On. heill: subst. van denz. stam als heel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

heil zn. o.: vermaak, genoegen. Betekenisvariant van Ndl. heil ‘welzijn, voorspoed, redding’, var. van heel ‘onaangetast’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heil, ’t z.n.w. van ’t bijv.nw. heel, dat oorspr. bet. ongeschonden, zonder gebreken, en op ’t lichaam toegepast: gezond (vgl. heelen = genezen). Dit heil bet. vroeger dan ook vooral gezondheid, geluk, voorspoed, en in Christelijken zin: zieleheil, de zaligheid (vgl. Heiland = de Heelende, de Genezende, in het Mnl. „Ghesontmakere”). Het bijv.nw. heilig kreeg de bet. van „sanctus” (sint), op welke wijze is nog niet duidelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heil ‘welzijn, redding’ -> Frans dialect bonne heel ‘gezondheid (wens)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heil* welzijn, redding 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal