Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heide - (uitgestrekte, onbebouwde zandgrond; plantengeslacht dat daar veel voorkomt (Erica))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heide zn. ‘uitgestrekte, onbebouwde zandgrond; plantengeslacht dat daar veel voorkomt (Erica)’
Mnl. eerst in eigennamen, bijv. Rolin te hede ‘Rolin van der Heiden’ [1210; CG I, 28], heide ‘onbebouwde zandgrond’ in achter bosche ende achter heiden [1265-70; CG II, Lut.K]. ‘plant’ in brem, geniver ende heyde ‘brem, jeneverbes en heide’ [1340-60; MNW-R], hey, dairmen beesemen of maeckt ‘heideplanten waar men bezems van maakt’ [1460-1514; MNW].
Os. hētha (mnd. heide, hēde); ohd. heida (nhd. Heide); oe. hæð (ne. heath, naast heather ‘heideplant’ [18e eeuw] < Schots hadder, hedder); on. heiðr (nzw. hed); got. haiþi ‘veld, akker’; < pgm. *haiþjō-.
Verwant met: Proto-Keltisch *kaitos ‘bos’, waaruit Gallisch cēto- (in plaatsnamen), Oudwelsh coid, Oudcornisch cuit, Oudbretons coet. Ook bos is onbebouwde grond, de Keltische en Germaanse betekenissen zijn dus goed verenigbaar. Onzeker is de relatie met het tweede lid in Latijn būcētum ‘koeienweide’. Men kan een gemeenschappelijke wortel pie. *kh2eit- of *keh2it- reconstrueren, maar de beperkte geografische spreiding en het betekenisveld ‘terreingesteldheid’ laten ook de optie open van herkomst uit een voor-Indo-Europese taal.
De heideplant gedijt goed op arme, onbebouwde grond en is daar dus een karakteristieke begroeiing van; zo kon heide bij overdracht ook de naam van deze plant worden. In het Duits trad eenzelfde betekenisuitbreiding op en ook in het Engels, maar in de huidige standaardtaal heeft de plantnaam daar een onderscheidende uitgang gekregen: heather.
In het Glossarium Bernense [1240; Bern.] komt heide voor als vertaling van Latijn timus ‘tijm’, wrsch. op grond van de gelijkenis tussen beide planten, vergelijk ook een Oudengelse glosse thymus ‘heath’ uit ca. 700. Het wijst er in elk geval op dat heide dan ook al als plantennaam geldt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heide*, hei [plant, grond met heideplant begroeid] {heide, hede, hei(e) [heide, vlakte, heideplant] 1201-1250} oudsaksisch hetha [heide], middelnederduits heide, hede [heide, grond], oudhoogduits heida [heideplant], oudengels hæð (engels heath) [heide], oudnoors heiðr [hoogvlakte], gotisch haiþi [veld]; buiten het germ. welsh, bretons coed [woud].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heide znw. v., of hei, mnl. heide, hêde v., ‘heide, vlakte, heideplant’, mnd. heide, hēde ‘heide, grond’, os. hētha ‘heide’, ohd. heida ‘heideplant’ (maar nhd. heide ook ‘heidevlakte’), oe. hæð (ne. heath) ‘heide, onbebouwd land’, on. heiðr v. ‘effen op een bergrug gelegen deel van de gemene mark, hoogvlakte’, got. haiþi v. ‘veld, akker’. — gall. cēto- in plaatsnamen als Cētobriga, Etocētum, okymr. coit ‘bos, woud’, misschien ook lat. bucētum ‘koeienweide’ (hoewel het vocalisme niet geheel past). — Zie: heiden.

Natuurlijk ligt het voor de hand te denken, dat zich uit een begrip ‘woud’ gemakkelijk die van ‘heide’ kon ontwikkelen, maar het is de vraag of dit wel het geval geweest is. Indien wij daarnaast mogen plaatsen on. hīð ‘leger van een beer’ (AEW 226), dan kan men met J. Trier, Archiv, f. Lit. u. Volksdichtung 1, 1949, 63-103 het zich geheel anders voorstellen. De oorspronkelijke betekenis zou dan geweest zijn die van ‘gemeenschappelijke mark, die als onbebouwd terrein tot algemeen gebruik bestemd was’; naar de plaatselijke omstandigheden kon dit bos, heide of hoogvlakte zijn. — Zie verder: heem en heten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heide, hei znw., mnl. heide, hêde v. “heide, vlakte, heideplant”. = ohd. heida v. “heideplant” (mhd. nhd. heide v. ook = “heidevlakte”), os. hêtha dat., mnd. heide, hêde v. “heide, grond”, ags. hæ̂ð v. “heide, onbebouwd land” (eng. heath), on. heiðr v., got. haiþi v. “id.”. Van een korteren stam *χaiþa- (zie heiden) gevormd; deze is identisch met gall. cêto- in Cêto-bricca e.dgl., kymr. coed “bosch”, lat. bû-cêtum, bû-cîtum “koeienweide”. De bett. “bosch” en “onbebouwd land, heide” liggen dichtbij elkaar; vgl. nog gotlandsch haid “boschland”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heide. Ags. hæ̂ð o. m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heide v., Mnl. id., Os. hêtha + Ohd. heida (Mhd. en Nhd. heide), Ags. hæ'đ (Eng. heath), On. heidr (Zw. hed, De. hede), Go. haiþi + Lat. -cetum (in bucetum = runderweide), We.. coed = bosch. Alleen in ’t Westgerm. bet. het ook heidekruid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2hei s.nw.
Heide.
Uit Ndl. hei, 'n verkorting van heide.

heide s.nw.
1. Sanderige, gelyk vlakte begroei met lae struike en amper niks bome nie. 2. Enigeen van 'n groot aantal struike.
Uit Ndl. heide (al Mnl.).
D. Heide (10de eeu in bet. 1, 11de eeu in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

heide: – hei – , 1. bep. soort skraal grond; 2. soort blomdraende struike op sulke grond (in Eur. veral spp. Calluna, in S.A. veral spp. Erica, v. WAT s.v. heide); Ndl. heide/hei (Mnl. he(i)de), Hd. heide, Eng. heath, ondanks besware (v. dVri J NEW) wsk. tog verb. m. Lat. (bu)cetum, “koeiweiveld”.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

heide 'onontgonnen veld, vlakte'
Mnl. heide, hêde 'heide, vlakte', ook 'heideplant', mnd. heide, hêde 'heide, grond', os. hêtha 'heide', ohd. heida 'heideplant', 'heide(vlakte)', oe. hæð 'heide, onbebouwd land', ono. heiðr 'effen op een bergrug gelegen deel van de gemene mark, hoogvlakte', got. haiþi 'veld, akker', verwant met Gallisch cêto- 'bos', overgeleverd in plaatsnamen1. In Brabant en Noord-Limburg veelvuldig voorkomend in de betekenis 'onontgonnen grond begroeid met heidestruiken' in veelal jongere plaatsnamen rondom de Peel, waar natuurlijke heidegronden lagen aan de randen van het hoogveen, vaak in gebruik als gemene grond, met als bijbetekenis 'niets opbrengende zandgrond' en wijzend op een afgezonderde ligging. In Zuid-Limburg op de kalkgronden heeft heide vaker de betekenis 'tot weideplaats uitgedund bos', dat door overbegrazing niet meer tot volle wasdom kwam2. In Noord- en Zuid-Holland betekende heide vroeger 'open, onbewerkt veld'3. In de Zaanstreek duidde de heid ook de over dit open veld lopende weg en de aangelegen bebouwing aan (→ Langeheit). Het ontbreken van het grondwoord heide in vroegmiddeleeuwse toponiemen duidt er volgens sommigen op dat de wildernis pas laat in de middeleeuwen een heide-achtig karakter kreeg.
Lit. 1De Vries 1971 245, 2Schrijnemakers 2014 339, 3Schönfeld 1950 64.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

heide. Je kunt in het Nederlands niet alleen iemand naar de Mokerhei wensen. Reeds bij Harrebomée [1858] komt de verwensing voor ik wenschte dat gij op de heide te Hoboken laagt! Ik vertaal dat als een uiting van woede, minachting of frustratie. → Hoboken, Mokerhei.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heide, vermoedelijk van ’t Germ. adj. haithna = wild; heide zou dan bet.: het kruid der wildernis. Ook heiden (afgodendienaar) zou dan de wilde bet. en moet dus door een reeds gekerstend volk (waarschijnlijk de Goten) aan de niet-gedoopte volken gegeven zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heide ‘plant, grond met heideplant begroeid’ -> Negerhollands heide ‘plant, grond met heideplant begroeid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heide* plant, grond met heideplant begroeid 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut