Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-heid - (achtervoegsel in woorden voor een toestand of hoedanigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-heid achterv. dat zn. vormt die een toestand of hoedanigheid uitdrukken
Onl. -heid(e) in bijv. argheid ‘slechtheid’, dumbheide ‘domheid’ wārheid(e) ‘waarheid’ [10e eeuw; W.Ps.], kristanheid ‘christenheid’, skōnheid ‘schoonheid’ [ca. 1100; Will.].
Ontwikkeld uit een zn. *heid ‘stand, waardigheid’, dat echter al in het Oudnederlands niet meer voorkomt.
Als achtervoegsel uitsluitend West-Germaans: os. -hēd (mnd. -hēt); ohd. -heit (mhd. -heit, nhd. -keit); ofri. -hēd; oe. -hād (me. -hod, -hede; ne. -hood, -head); in de Scandinavische talen (o.a. nzw. -het) ontleend aan het mnd. Als zn. was het algemener, maar is het alleen in de Scandinavische talen bewaard gebleven: os. hēd, ohd. heit, oe. hād, alle ‘rang, stand, waardigheid’; got. haidus ‘manier’; < pgm. *haidu-, daarnaast on. heiðr ‘eer; rang; beloning, gift’ (nzw. heder ‘eer’) < pgm. *haid(a)ra-.
Verwant met o.a. Sanskrit ketú- ‘helderheid, beeld, vorm’; uit pie. *keh2it-. Hierbij misschien ook Latijn caesius ‘blauw’ en caelum ‘hemel’, en zeker de Germaanse afleiding *haid(r)a- ‘helder’, waaruit: os. hēdar; ohd. heitar (nhd. heiter ‘helder, zonnig, duidelijk; vrolijk’); oe. hādor. De betekenis ‘helderheid’ lijkt dus de oudste. Voor het Germaans veronderstelt men dan een betekenisontwikkeling ‘helderheid’ > ‘glans’ > ‘eerwaardigheid’ > ‘eer, rang’ (Palmér 1926).
De West-Germaanse ontwikkeling van zn. tot achtervoegsel heeft zich grotendeels al vóór de oudste Nederlandse schriftelijke overlevering voltrokken. In de oudste woorden wordt het woord met persoonsaanduidingen gecombineerd, bijv. Oudengels prēosthād (nu priesthood) ‘priesterschap’, cildhād (childhood) ‘kinderjaren’, mǣdenhād, Oudhoogduits magadheit ‘maagdelijkheid’; de betekenis verschuift bij sommige woorden naar ‘collectief van personen’, vergelijk de Nederlandse woorden christenheid, mensheid (zie → christen, → mens). In het Engels is -hood ook nu in deze functie productief. Later wordt het achtervoegsel met een vergelijkbare (de huidige) functie ook achter een bn. geplaatst. Voor het Engels kan men dan enkele woorden als falsehood ‘leugen’ en likelihood ‘waarschijnlijkheid’ noemen, maar alleen in het Duits en het Nederlands is -heit, resp. -heid achter bn. zeer productief geworden en gebleven. Doordat in het Middelhoogduits vele bn. eindigden op -ic/-ec (nnl.-ig) ontstond door assimilatie -keit, dat in het huidige Duits gegeneraliseerd is. Ook in het Afrikaans (spreektaal) -geid.
Dat sommige van de zo gevormde woorden ook personen of andere concreta kunnen aanduiden (schoonheid, hoogheid, mogendheid, hoeveelheid, meerderheid, → aangelegenheid, → eenheid, → omstandigheid, → oudheid, → overheid), is geen algemene eigenschap van -heid; dit zijn onafhankelijke ontwikkelingen van individuele woorden.
Lit.: J. Palmér (1926), ‘Betydelseutvecklingen i isl. heiðr’, in: Acta philologica scandinavica 5, 289-304

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-heid* [achtervoegsel in bv. ‘overheid’, geeft de toestand of hoedanigheid aan waarin iets verkeert] {in bv. oudnederlands uuarheit 901-1000, middelnederlands -heit, -heet, -hede} uitgangspunt was een zn., bv. gotisch haidus [manier], oudhoogduits heit [soort, geslacht], oudsaksisch hēd [stand, waardigheid], oudengels hād [persoon, waardigheid, rang], oudnoors heiðr [eer, rang, gave]; buiten het germ. bv. oudindisch kētuk [licht, vorm, gestalte].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-heid suffix, mnl. -heit, -heet, -heide, -hêde, onfrank. -heit, -heide, os. -hēd, ohd. -heit, ofri. -hēd, -hēde (-heid), oe. –hād (ne. -hood, maar ook -head). — Dit uitsluitend westgerm. suffix is oorspronkelijk een zelfstandig woord, vgl. os. hēd ‘stand, waardigheid’, ohd. heit m. v. ‘soort, geslacht, stand, persoon’, oe. hād ‘soort, rang, stand, persoon’, on. heiðr (gen. heiðar, heiðrs) m. ‘eer, aanzien’, got. haidus ‘wijze’. Daarnaast staan nog oe. hādor ‘glans’, on. heið ‘heldere lucht’ en het bnw. os. hēdar, ohd. heitar, oe. hādor, on. heiðr ‘helder, glanzend’ (vgl. Kiliaen heyder en zuidnl. heier). — Men vergelijkt gewoonlijk oi. ketas ‘gestalte, beeld, kenteken’, ketus ‘helderheid, beeld, teken’, citra- ‘helder’, lit. skaidrùs ‘helder, klaar’, lett. skaidrs ‘licht, duidelijk, zuiver’, osl. čistŭ ‘rein’. Idg. wt. *(s)kai (IEW916).

Daarentegen wil J. Trier, Archiv. f. Lit. und Volksdichtung 1, 1949, 94 dit woord niet scheiden van heide en neemt een woordengroep aan, die haar uitgangspunt in het begrip ‘algemene mark’ heeft en dan over dat van ‘volksgemeenschap’ (zie: heem) tot die van ‘de daarin heersende waardering en eer’. — Voor de semantische ontw. van ‘helder’ > ‘eer’ vgl. J. Palmér APhS 5, 1930, 289-304.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-heid suffix, mnl. -heit, -heet, -heide, -hêde v. (o.). = onfr. -heit, -heide v., ohd. -heit v. (nhd. -heit v.; ohd. soms heite o.), os. -hêd v., ofri. -hêd, -hêde (-heid) v., ags. -hâd m. (eng. -hood, waarnaast -head). Ospr. een zelfstandig substantivum = ohd. heit m.v. “soort, geslacht, stand, persoon”, os. hêd m. “stand, waardigheid”, ags. hâd m. “soort, rang, stand, persoon”, on. heiðr (gen. -ar en -rs) m. “eer, aanzien”, got. haidus m. “wijze” = oi. ketú- “glans, beeld, teeken”. Van de basis qei-t-, waarvan ook oi. cétati “hij verschijnt, neemt waar”, citrá- “zichtbaar, schitterend, bont”, lit. kaitrùs “hittegevend”, kaĩsti “heet worden”, en uit het Germ. nog on. heið o. “heldere lucht”, heiðr (stam heiða-) “helder, wolkenloos” en zuidndl. dial. heier, Kil. heyder “helder”, ohd. heitar (nhd. heiter), os. hêdar, ags. hâdor “helder, schitterend”, het laatste als znw. = “glans”. De stam *χaiðra- kan ook in ’t reeds genoemde on. heiðr, gen. heiðrs voortleven. Zie verder heet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

-heid. Mnl. -hede heeft blijkens rijmen secundaire ē (niet ê).
Oi. cétati wordt om de bet. ‘hij neemt waar’ ook wel in andere samenhang gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

-heid suffix, Mnl. -heit, -heide, -hede, Onfra. -heit, Os. -hêd + Ohd. -heit (Mhd. en Nhd. id.), Ags. -hád (Eng. -hood en -head); komt alleen in ’t Westgerm. als suffix voor, maar bovendien als zelfst.nw. Os. hêd, Ohd. heit, Ags. hád, On. heidr, Go. haidus = waardigheid, eer, toestand, wijze, persoon + Skr. ketuṣ = glans, vorm (z. hei 3). De ē in meerv. nevens ê, ei in enk. is te wijten aan verwarring in Mnl. met syn. suff. -ede.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2geit s.nw. (geselstaal; meestal in die mv. geite)
Nuk, gril, gier.
Substantivering van die agterv. -geid, geselstaalvorm van -heid.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

-geid: – geit – , wv. v. agterv. -heid, wsk. ontw. uit vorme soos vrotgeid uit vrotsigheid, ens., en het (soos o.a. tag q.v.) reeds tot ’n selfst. wd. ontw. (as geit, geile, geiters), vgl. Hd. -keit naas -heit; in Afr. gaan -geid/-geit egter gepaard m. pej. gevoelswaarde.

-heid: Ndl.-Afr. agterv. (WAT s.v. -heid1), Eng. -head/-hood, Hd. -heit/-keit, vroeër ’n selfst. wd., bv. in Oeng. hād, “rang, staat”, v. ook -geid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

-heid ‘achtervoegsel dat zelfstandige naamwoorden afleidt’ -> Deens -het ‘achtervoegsel dat zelfstandige naamwoorden afleidt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors -hed ‘achtervoegsel dat zelfstandige naamwoorden afleidt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds -het ‘achtervoegsel dat zelfstandige naamwoorden afleidt’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut