Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heibel - (rumoer, ruzie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heibel zn. ‘rumoer, ruzie’
Nnl. in toe ben 'k natuurlijk 'n hijbel gaan make ‘toen ben ik natuurlijk ruzie gaan maken’ [1903; WNT Aanv.], heibel “drukte, rumoer, herrie, ruzie”, ook geheibeld “gestoord” [1906; Boeventaal]; in schrijftalige context pas in [om] zóó'n enormen “heibel” op te zetten [1908; Groene Amsterdammer].
Herkomst onzeker en moeilijk te achterhalen, gezien de spreektalige status van het woord. Wrsch. ontleend aan Hebreeuws hevel ‘ijdelheid, leegheid’ > Jiddisch hewl, waarbij ‘rumoer’ dan opgevat moet worden als ‘ijdele drukte, koude drukte’. De b uit intervocalische w is regelmatig en te vergelijken met die in → gabber.
Qua klank doet heibel, afgezien van de uitgang, denken aan Jiddisch hejbn < Duits heben ‘opheffen’. De huidige betekenis is dan vergelijkbaar met die van het Nederlandse woord ophef ‘rumoer’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heibel [drukte, ruzie] {1906} < jiddisch heibel, mogelijk < hebreeuws hebhel [damp, ijdele praatjes].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heibel znw. m. ‘drukte, lawaai’, volkswoord < joods héwèl ‘ijdel, ijdelheid’ (Moormann 1, 324).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

heibel (Jiddisch heibel)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heibel drukte, ruzie 1903 [Aanv WNT] <Jiddisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

880. Heibel maken,

d.i. drukte maken, herrie schoppen. Heibel is het hebr. hebel, dat ijdelheid beteekent en vandaar ijdele drukte, koude drukte, herrie; hiernaast het verkleinw. heibeltje; zie Jord. 287: Gein haabel, mènne..... suste éen uit 't dronken stel; Nkr. I, 24 Nov. p. 3: Hier op 't Damrak is 't altijd heibel geweest; II, 11 Oct. p. 2; 15 Nov. p. 4; III, 28 Mrt. p. 2: Je weet bij God niet, waarvoor al die heibel noodig was; IV, 16 Oct. p. 2: Wat maak jij 'n heibel om niks; V, 5 Mrt. p. 4: Maar Brummelkamp sprak: maak geen heibel; 4 Nov. p. 2: Kom, laten we nu geen heibel maken; 18 Nov. p. 4: Het heette niet: Wilt gij die wet? Neen, dat was leege heibel; VI, 24 Febr. p. 2: 't Scheelde maar een stem, of we waren midden in de heibel terecht gekomen; VIII, 10 Jan. p. 6: Houd je rustig, oude Heer, en maak niet zoo'n heibel meer; 31 Jan. p. 6; Het Volk, 21 Mrt. 1914, p. 13 k. 1: De arbeiders hebben een reuzenheibel op touw gezet tegen het verplichte lidmaatschap; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) p. 456: Ik zal je 'n heibel voor je deur schoppen, dat de ruiten d'r an gaan; De Voorhoede, 31 Jan. 1914, p. 1 k. 3: Er is nu heibel in het parlement; Het Volk, 20 Dec. 1913, p. 1 k. 4: Hierna volgde een heibeltje van den heer Duymaer van Twist; De Arbeid, 4 Mrt. 1914, p. 3 k. 1: Voor de opening poogden een stelletje scheurmakers een heibeltje te maken, door op toegang aan te dringen; Nkr. II, 30 Aug. p. 6 (heibeltjes); VII, 8 Febr. p. 3: Onze Talma geeft er geen snars om je heibeltjes, hoor. Een enkele maal heibelarij maken (in Nkr. II, 6 Dec. p. 3; A. Jodenh. II, 17; 24; 33) en heibelen, kibbelen (Nkr. VIII, 28 Mrt. p. 7; Jord. II, 358).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut